De hondekens

C.H. Spurgeon

"Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en de hondekens voor te werpen. En zij zeide: "Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heeren." Matth.15 : 26, 27.

"Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden: want het is niet betamelijk, dat men het brood van de kinderen neme, en de hondekens voorwerpe. Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja Heere! doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen." Mark. 7:27, 28.

Ik neem het geschiedverhaal, zoals het bij Mattheüs en bij Markus voorkomt, opdat wij de gehele zaak vóór ons hebben. Moge de Heilige Geest onze overdenking zegenen.

De schitterendste juwelen worden dikwijls in de donkerste plaatsen gevonden. Christus had geen zodanig geloof gevonden, zelfs in Israël niet, zoals Hij ontdekte in deze arme Kananese vrouw. Het grensgebied van het land en de omliggende streken waren vruchtbaarder dan het midden, waar meer aan de akkerbouw gedaan was. Op de schraalste akkers, waar de landman niet veel anders dan doornen en distelen verwacht, vond de Heere Jezus de rijkste korenaren, die tot nu toe Zijn schoven hadden gevuld. Laat degenen onder ons, die na Hem oogsten, moed grijpen in de verwachting, dat zij dezelfde ondervinding zullen opdoen. Laat ons nooit van enig oord spreken als te bedorven om ons vernieuwde mensen op te leveren, noch ook van enige klasse als te diep gevallen, dan dat daaruit gelovigen zouden voortkomen. Laat ons zelfs gaan naar de grenslanden van Tyrus en Sidon, ofschoon het land onder de vloek ligt, want ook daar zullen wij uitverkorenen ontdekken, bestemd om als parelen te schitteren aan de Middelaarskroon. Onze hemelse Vader heeft Zijn kinderen overal.

Op geestelijk gebied is het gebleken, dat de beste planten dikwijls op de onvruchtbaarste bodem groeien. Salomo sprak van de bomen en handelde van de hysop aan de wand en de ceder op de Libanon. Zo is het in de natuurlijke wereld, de grote bomen worden op de bergen gevonden, en kleinere planten op plaatsen, die geschikt zijn voor haar tere worteltjes; maar het is niet zo onder de plantingen van des Heeren rechterhand, want daar hebben wij de ceder aan de muur zien groeien - grote heiligen op plaatsen, waar het ogenschijnlijk onmogelijk voor hen was om te bestaan; en wij hebben hysops op de Libanon zien groeien - een twijfelachtige, onbeduidende vroomheid, waar talrijke voordelen aanwezig waren. De Heere is in staat een sterk geloof bestaanbaar te doen zijn met weinig kennis, weinig dadelijke genieting en weinige aanmoediging; en in zulke omstandigheden triomfeert het sterke geloof, behaalt het overwinningen en verheerlijkt het in dubbele mate de genade van God. Zo was het met deze Kananese vrouw; een ceder was zij, groeiende in een vrij schrale bodem. Zij was een vrouw met een verbazingwekkend geloof, ofschoon zij slechts weinig van Hem gehoord kan hebben, in Wie zij geloofde, en Hem in persoon wellicht in het geheel niet had gezien tot op de dag, toen zij aan Zijn voeten neerviel en zeide: "Heere! help mij."

Onze Heere had een zeer vaardig oog om het geloof op te merken. Al lag het juweel ook in het slijk, Zijn oog ving de glans op; als er een uitgezochte tarweaar tussen de doornen was, kon men er zeker van zijn, dat Hij ze bespeurde. Het geloof heeft een sterke aantrekkingskracht voor de Heere Jezus; op het gezicht daarvan geldt het woord: "De Koning heeft mij gebracht in Zijne binnenkameren," en dan roept Hij: "Gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals." De Heere Jezus werd bekoord door het fraaie juweel van het geloof van deze vrouw; het beschouwende en Zich daarover verheugende, besloot Hij, het naar alle zijden om te keren en er een ander licht op te laten vallen, opdat de schittering van de verschillende kleurschakeringen van deze kostbare diamant een ieder in de ogen zou stralen en de ziel zich daarin zoude verlustigen. Daarom beproefde Hij haar geloof door Zijn stilzwijgen en Zijn moedbenemende antwoorden, opdat Hij de kracht daarvan mocht aanschouwen; maar onder dat alles verlustigde Hij zich daarin, en ondersteunde Hij het op een verborgen wijze, totdat Hij het, voldoende beproefd, als goud te voorschijn bracht, en Zijn eigen koninklijk merk daarop zette met deze gedenkwaardige woorden: "O vrouw! groot is uw geloof; u geschiedde, gelijk gij wilt."

Ik koester de hoop, dat de ene of andere arme ziel, deze morgen onder zeer ontmoedigende omstandigheden op deze plaats aanwezig, er niettemin toe geleid zal worden met een sterk en volhardend geloof in de Heere Jezus Christus te geloven; en ofschoon zij vooralsnog geen vrede geniet en geen genadig antwoord op haar gebed ontvangen heeft, vertrouw ik, dat haar worstelend geloof deze morgen door het voorbeeld van de Kananese vrouw zal worden versterkt.

Ik merk in dit verhaal van haar beroep op de Heere Jezus en van het succes, dat zij daarbij behaalde, vier feiten op.

Het eerste is: de mond des geloofs kan niet gesloten worden;

ten tweede: het geloof twist nooit met God;

het derde: het geloof brengt met alle macht redenen bij;

het vierde: het geloof wint de pleitzaak.

I.

DE MOND VAN HET GELOOF KAN NIMMER GESLOTEN WORDEN; want als ooit het geloof van een vrouw zo beproefd werd, dat zij er daardoor toe moest komen om met bidden op te houden, dan was dit het geval met deze dochter van Tyrus. De ene moeilijkheid na de andere werd haar in de weg gelegd, en toch kon zij er niet van worden afgebracht om voor haar dochtertje te pleiten; omdat zij in Jezus geloofde als de grote Messias, in staat om allerlei kwalen te genezen; en zij zich daarom had voorgenomen tot Hem te bidden, totdat Hij voor haar aandrang bezweek, want zij had het volle vertrouwen, dat Hij de duivel uit haar kind kon verdrijven.

Merkt op, dat de mond des geloofs zelfs niet gesloten kan worden ter oorzake van het gesloten oor en de gesloten mond van Christus. Hij antwoordde haar niet één woord. Zij sprak op een erbarmelijke toon, zij wierp zich aan Zijn voeten neer, de toestand van haar kind riep dringend om hulp, haar moederhart was zo diep bewogen, haar jammerklachten en smekingen waren zo doordringend, en toch antwoordde Hij haar niet één woord. Alsof Hij doof en stom was, zo liet Hij haar stil begaan. En toch was zij niet uit het veld geslagen: zij geloofde in Hem, en zelfs Hij zelf kon haar niet aan het twijfelen brengen aangaande Hem, al bewaarde Hij ook nog zozeer het stilzwijgen. Het is moeilijk te geloven, wanneer het gebed zonder uitwerking schijnt te zijn. Het is mijn bede tot God, dat de ene of andere arme zoekende ziel alhier moge geloven, dat Jezus Christus in staat en gewillig is om zalig te maken, en dat zij dit zo volkomen moge geloven, dat haar onbeantwoorde gebeden niet bij machte zijn haar aan het twijfelen te brengen. Zelfs al mocht het gebeuren, dat gij maanden achtereen tevergeefs bidt, laat geen enkele twijfeling aangaande de Heere Jezus en Zijn macht om te behouden in uw ziel opkomen. Al is het, dat gij nog niet de vrede kunt grijpen, welke het geloof u in het eind moet brengen; al is het, dat gij geen zekerheid hebt van de vergeving uwer zonden; al is het, dat geen lichtstralen van vreugde in uw gemoed doordringen, geloof nochtans Hem, Die niet liegen kan. "Ziet, zo Hij mij doodde", zegt Job, "zou ik niet hopen?" Dat was een heerlijk geloof. Het zou voor sommigen heel wat zijn, als zij konden zeggen: "Ziet, zo Hij mij sloeg, zou ik niet hopen?" Maar Job zeide: "Zo Hij mij doodde." Al is het, dat Hij het kleed van een beul aantrekt, en op mij afkomt alsof Hij mij ombrengen wil, nochtans geloof ik, dat Hij vol liefde is. Hij is goed en genadig, ik kan er niet aan twijfelen, en daarom wil ik aan Zijn voeten neerliggen en opzien, genade uit Zijn handen verwachtende. O welk een uitnemend geloof! O ziel, indien gij het bezit, zijt gij een gezaligde, zo zeker als gij een levende zijt. Indien zelfs de schijnbare weigering des Heeren om u te zegenen, uw mond niet kan sluiten, dan is uw geloof van een heerlijke aard, dan is de zaligheid uw deel.

In de tweede plaats, haar geloof kon niet tot zwijgen gebracht worden door het gedrag der discipelen. Zij behandelden haar niet goed, maar toch misschien ook niet geheel en al slecht. Zij waren niet aan hun Meester gelijk, want menigmaal stieten zij terug degenen, die tot Hem wilden komen. De drukte, die zij maakte, verveelde hen: met een grenzeloze volharding kleefde zij hen achteraan, en daarom zeiden zij: "Laat haar van U, want zij roept ons na." Maar dat was niet zo, zie riep hun niet na, zij riep hun Meester na. Soms worden de discipelen zeer gewichtig in eigen ogen, en menen, dat de drukte en het gedrang om het evangelie te horen, veroorzaakt wordt door de begeerte van het volk om hen te horen, terwijl niemand zich om hun armzalige woorden zou bekommeren, als het niet was om de blijde boodschap van het evangelie, welke zij in last hebben over te brengen. Geef ons elk mogelijk ander onderwerp, en de menigte zou spoedig versmelten. Ofschoon moe van het lastig en aanhoudend geroep der vrouw, handelden zij (de discipelen) toch nog enigermate vriendelijk jegens haar; want zij waren klaarblijkelijk begerig, dat zij het gunstbewijs, hetwelk zij zocht, zoude deelachtig worden, anders zou het antwoord des Heeren niet gepast zijn geweest: "Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls." Zij bekommerden zich niet om de genezing van haar dochter, maar zij gingen te rade met hun eigen gemak; want zij verlangden er sterk naar om van haar af te komen. "Laat haar van U", zeiden zij, "want zij roept ons na." Ofschoon zij haar niet behandelden zoals mannen een vrouw behoren te behandelen, zoals discipelen een zoekende ziel, en Christenen iedereen dienen te bejegenen, toch bleef ondanks dat alles haar mond niet gesloten. Ik twijfel er niet aan of Petrus heeft zeer stuurs gekeken, en misschien werd Johannes ook wel ietwat ongeduldig, want hij had van nature een vurig temperament; Andreas en Filippus en al de anderen beschouwden haar als zeer onbeschaamd en laatdunkend; maar zij dacht aan haar dochtertje thuis, en aan de verschrikkelijke ellenden, waaraan de duivel haar onderwierp, en zo drong zij zich naar voren aan de voeten van de Zaligmaker, en zeide: "Heere! help mij." Koude, harde woorden en een onvriendelijke, gevoelloze bejegening konden haar er niet van afbrengen om bij Hem te pleiten in Wien zij geloofde. Wellicht zegt gij, arme zondaar: "Ik verlang er naar om gered te worden, maar een zeker man, die een goed Christen is, heeft zeer bitter met mij gehandeld: hij heeft mijn oprechtheid in twijfel getrokken, achter de wezenlijkheid van mijn berouw een vraagteken gezet, en mij de diepste smart veroorzaakt; het scheen wel of hij er niet mee op had, dat ik zalig zou worden." Ach, waarde vriend, dat is een grote beproeving; maar indien gij het ware geloof in de Meester bezit, zult gij u aan ons, discipelen, niet storen, zomin aan de zachtmoedigsten als aan de onverschilligen onder ons, maar met vernieuwde aandrang uw aanzoek bij uw Heere herhalen, tot het Hem behaagt u een antwoord te geven, dat van vrede spreekt.

Ook werd haar mond niet gesloten door een uitsluitende leer, welke de zegen tot een klein getal gunstelingen scheen te beperken. De Heere Jezus Christus zeide: "Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls", en ofschoon hierin, zo het in de rechte zin wordt opgevat, niets bijzonder gestrengs ligt, zo moet toch die uitspraak als een stuk lood op het hart van de vrouw gevallen zijn. "Helaas", zo kon zij wel gedacht hebben, "dan is Hij niet tot mij gezonden; vergeefs zoek ik naar datgene, hetwelk Hij voor de Joden voorbehoudt." Nu behoeft de leer der uitverkiezing, welke voorzeker in de Schrift geleerd wordt, voor geen enkele ziel een hinderpaal te zijn om tot Christus te komen; want op de rechte wijze verstaan moet zij eerder aanmoedigen dan ontmoedigen; en toch oefent voor het niet onderrichte oor de leer van de Goddelijke verkiezing van een volk van voor de grondlegging der wereld een zeer neerdrukkende uitwerking uit. Wij hebben arme zoekende zielen gekend, die vol treurigheid zeiden: "Misschien is er geen genade voor mij, ik behoor mogelijk wel onder degenen, voor wie geen plan der genade gevormd is. Zij hebben in de verzoeking verkeerd om op te houden met bidden, uit vrees dat zij toch niet verordineerd waren ten eeuwigen leven. Ach, waarde ziel, zo het geloof van Gods uitverkorenen in u aanwezig is, zult gij niet teruggehouden worden door zelfveroordelende gevolgtrekkingen, uit de verborgenheden Gods afgeleid; maar gij zult geloven in datgene, hetwelk duidelijk geopenbaard is, en gij zult er u van verzekerd houden, dat dit de verborgen besluiten des hemels niet kan tegenspreken. Al is het, dat onze Heere alleen gezonden werd tot het huis Israëls, zo is er nochtans een huis Israëls niet naar het vlees, maar naar de geest, en daarom was de Syrofenicische ingesloten zelfs waar zij dacht, dat zij was uitgesloten, en kunt ook gij begrepen zijn binnen de lijnen der genadige beschikking, welke u nu zoveel onrust baren. In ieder geval zeg tot u zelf: "In de verkiezing der genade zijn anderen begrepen, die even zondig waren als ik, waarom zou ik er dan niet onder behoren? Anderen zijn ingesloten, die even vol ellende waren ter oorzake van de zonde als ik, waarom ik dan ook niet?" Aldus redenerende zult gij voorwaarts dringen, in hoop tegen hoop gelovende, zonder u te laten ophouden door een schoonschijnende afleiding uit de leer van de Schrift om een beletsel te zijn voor uw geloof in de aangewezen Verlosser.

De mond des geloofs werd in dit geval zelfs niet gesloten door een gevoel van toegegeven onwaardigheid. Christus sprak van honden; Hij bedoelde, dat de heidenen voor Israël als de honden waren. Zij betwistte dit in het geheel niet, maar gaf op dit punt toe door te zeggen "Ja, Heere!" Zij gevoelde dat zij alleen waard was met een hond te worden vergeleken. Ik twijfel er niet aan of haar gevoel van onwaardigheid was zeer diep. Zij verwachtte niet het gunstbetoon, hetwelk zij zocht te verwerven ter oorzake van enigerlei verdienste van haar zijde; zij verliet zich op de goedheid van Christus' hart, niet op de goedheid van haar zaak, en op de uitnemendheid van Zijn macht eerder dan op de macht van haar pleidooi; doch hoezeer zij zich bewust was, dat zij slechts tot de arme heidense honden gerekend kon worden, vonden haar gebeden daarin geen beletsel; zij riep, niettegenstaande dat alles: "Heere! help mij." O zondaar, als gij uzelf de snoodste zondaar uit de hel gevoelt, bid toch, bid gelovig om genade. Als uw gevoel van onwaardigheid groot genoeg is om u tot zelfvernietiging aan te drijven, smeek ik u toch, roep uit de diepten, uit de kerker der zelfverachting tot God; want uw zaligheid rust in genen dele en op generlei wijze op u zelven, of op iets, dat gij zijt, of geweest zijt, of zijn kunt. Gij moet gered worden van u zelf, niet door u zelf. Gij hebt slechts te zorgen ledig te zijn, opdat Jezus u moge vervullen; op u rust de taak uw onreinheid te belijden, opdat Hij u moge wassen; minder dan niets te zijn, opdat Jezus voor u alles moge wezen. Laat niet het aantal, de zwartheid, de menigvuldigheid, de afschuwelijkheid van uw overtredingen uw gebeden tot zwijgen brengen; maar ofschoon gij een hond zijt, ja niet waard om bij de honden van des Heeren kudde geplaatst te worden, open nochtans uw mond in het gelovig gebed.

Er was daarbenevens een algemene toon en geest in wat de Heere Jezus zeide, welke strekte om de hoop der vrouw neer te drukken en haar gebed te doen ophouden; doch zij werd niet teruggehouden door de somberste en meest neerdrukkende invloeden. "Het is niet betamelijk," zeide de Heere Jezus, "het is niet passend, het is niet behoorlijk, het is nauwelijks geoorloofd, het brood der kinderen te nemen en de hondekens voor te werpen." Misschien zag zij niet volkomen alles in wat Hij wel mocht bedoelen, maar wat zij dan inzag, was genoeg om koud water op de vlam van haar hoop te gieten; en toch werd haar geloof niet uitgeblust. Het was een geloof van die onsterfelijke soort, welke door niets gedood kan worden; want zij had zich vast voorgenomen, wat Jezus ook bedoelde of niet bedoelde, dat zij niet wilde ophouden op Hem te vertrouwen en haar pleitzaak bij Hem aan te dringen. Er zijn vele dingen in en om het evangelie, welke de mensen als in een nevel zien; en daar ze verkeerd verstaan worden, strekken ze eerder om zoekende zielen terug te stoten dan aan te trekken; maar al is dat zoals het is, wij moeten het besluit nemen om tot Jezus te komen, wat wij daarbij ook hebben te wagen. "Kom ik om, zo kom ik om." Behalve het grote struikelblok van de uitverkiezing, zijn er waarheden en feiten, welke de zoekenden vergroten en verkeerd opvatten, tot zij duizenderlei moeilijkheden zien. Zij worden verontrust omtrent de christelijke bevinding, omtrent het wedergeboren zijn, omtrent de aangeboren zonde en allerlei zaken; inderdaad, wel duizend leeuwen liggen er op de weg, wanneer de ziel poogt tot Jezus te komen; maar hij, die aan Christus het geloof schenkt, hetwelk Hij verdient, zegt: "Ik vrees geen van deze dingen. Heere! help mij, en ik zal op U blijven vertrouwen. Ik wil tot U naderen, ik wil door alle hindernissen heen tot U doordringen, en mij aan U voeten neerwerpen, wetende, dat Gij degene, die tot U komt, geenszins zult uitwerpen."

II.

HET GELOOF TWIST NOOIT MET DE HEERE. Het geloof aanbidt. Gij merkt op hoe Mattheüs zegt: "En zij kwam, en aanbad Hem." Het geloof bidt en smeekt. Gij merkt hoe Marcus zegt: "En zij bad Hem." Zij riep: "Heere! help mij," nadat zij al eerder gezegd had: "Heere, Gij, Zone Davids, ontferm U mijner!" Het geloof pleit, maar twist nooit, zelfs niet tegen de hardste dingen, die Jezus zegt. Indien het geloof twistte - ik spreek een ongerijmde veronderstelling uit - zou het geen geloof zijn; want datgene, hetwelk zich in twist begeeft, is ongeloof. Het geloof in God sluit in zich overeenstemming met hetgeen God zegt, en bijgevolg sluit het ieder denkbeeld van twijfel uit. Het echte geloof gelooft alles wat de Heere zegt, hetzij het strekt om de moed te benemen of die aan te wakkeren. Het heeft nooit een "maar" of een "indien" of zelfs een "toch" in te brengen, maar het houdt zich hieraan vast: "Gij hebt het gezegd, Heere, en daarom is het waar; Gij hebt het verordineerd, Heere, en daarom is het recht." Daar gaat het nooit van af.

Merk in onze tekst op, dat het geloof toestemt alles wat de Heere zegt._ Zij zeide: "Ja Heere." Wat had Hij gezegd? "Gij zijt met een hond te vergelijken!" "Ja, Heere, dat is waar, dat is volkomen waar." "Het zou niet betamelijk zijn, wanneer de kinderen van het brood beroofd werden, en de honden daarmee werden gevoed." "Ja, Heere, dat zou niet zijn gelijk het behoort, en ik zou niet willen, dat één van Uw kinderen om mijnentwil van de genade verstoken was." "Het is uw tijd nog niet," zeide Jezus; "de kinderen moeten eerst verzadigd worden; de kinderen aan de maaltijd en de honden na het eten; het is nu Israëls tijd en de heidenen zullen daarna volgen. Maar nu nog niet." En met kracht antwoord zij: Ik weet het, Heere, en ben het met U eens."

Zij werpt geen vragen op en betwist evenmin de rechtvaardigheid van de Heere in het uitdelen van Zijn genade naar Zijn souverein welbehagen. Zij struikelt niet, gelijk sommigen doen, die van alles hebben aan te merken op de Goddelijke souvereiniteit. Het zou gebleken zijn, dat zij weinig of geen geloof had, indien zij dat had gedaan. Zij begeeft zich niet in twist in betrekking tot de tijd en de orde, door de Heere vastgesteld. Jezus zeide: "Laat de kinderen eerst verzadigd worden," en zij gaat niet aan het twisten over de tijd, zoals velen doen, die er niet van willen weten, dat het nu de welaangename tijd is, maar even sterk zijn voor het uitstellen als deze vrouw was voor het vooruitlopen van de dag der genade. Zij begaf zich niet in twistgesprek aangaande het ongepaste om het verbondsbrood van de kinderen te nemen en het aan de onbesneden heidenen te geven; zij verlangde in het geheel niet, dat Israël om harentwil beroofd zou worden. Daar zij tot de honden behoorde, wilde zij niet, dat het plan van God of enigerlei schikking ten aanzien van de Goddelijke huishouding om haar veranderd of bijgesteld zou worden. Zij zeide ja en amen op al de beschikkingen, die de Heere had gemaakt. Dat is het geloof, hetwelk de ziel behoudt; het geloof, dat instemt met de gedachten van God, al schijnt het ook in zijn nadeel te zijn; dat de geopenbaarde uitspraken van God voor waarachtig houdt, hetzij deze aangenaam of verschrikkelijk klinken; dat ja en amen zegt op Gods Woord, hetzij het gelijk een balsem is voor zijn wonden of gelijk een zwaard om te treffen en te doden. Indien het Woord Gods waarachtig is, o mens, strijd er dan niet tegen, maar buig u daarvoor neer. Het is niet de weg tot een levend geloof in Jezus Christus, of tot het verkrijgen van vrede met God, de wapenen op te vatten tegen iets, hetwelk door God wordt verklaard. In het toestemmen ligt de veiligheid. Zegt: "Ja, Heere, het is de waarheid," en de zaligheid zal uw deel worden.

Merkt op, dat zij niet slechts ja en amen zeide op alles wat de Heere sprak, maar dat zij Hem daarin aanbad. "Ja," zeide zij, "maar toch zijt Gij mijn Heere." "Gij noemt mij een hond, maar Gij zijt niettegenstaande dat mijn Heere. Gij acht mij onwaardig Uw gunstbewijzen te ontvangen, maar Gij zijt niettemin mijn Heere, en ik blijf U als zodanig erkennen." Zij is in de gestalte van Job: "Zouden wij het goede uit de hand des Heeren ontvangen, en zouden wij het kwade niet ontvangen?" Zij is gewillig om het kwade aan te nemen en te zeggen: "Hetzij de Heere geeft, hetzij Hij inhoudt, geloofd zij Zijn naam; Hij is en blijft mijn Heere." O dat is verheven geloof, het geloof, dat van de twistzieke geest ontdaan is, en zich niet slechts vereenzelvigt met des Heeren wil, maar Hem daarin aanbidt. Het geloof, dat aldus spreekt: "Laat het wezen wat het wil, o Heere, zelfs als de waarheid mij veroordeelt, zo zijt gij nog mijn Heere, en ik belijd Uw goedheid, ik belijd Uw uitnemendheid, ik erken Uw soevereine rechten en onderwerp mij aan U; doe met mij gelijk Gij wilt."

En gij merkt op, dat zij, na gezegd te hebben: "Ja Heere", niet voortging met het er op aan te houden, dat er een wijziging in haar belang zou worden gemaakt. "Heere", zeide zij, "Gij hebt mij onder de honden gerangschikt." Zij zegt niet: "Plaats mij onder de kinderen," maar zij vraagt alleen om als een hond te mogen worden behandeld. "De honden eten van de kruimels," zegt ze. Zij verlangt niet, dat er een plan veranderd, of een ordinantie gewijzigd of een besluit opzij gezet zal worden. "Laat het zijn zoals het is," zo is haar taal, "als dat Uw wil is, Heere, dan is het ook mijn wil." Alleen bespeurt zij een straal van hoop, waar zij, zo ze geen geloof bezeten had, niets anders dan wanhoop in al haar somberheid gezien zou hebben. Dat wij een geloof mogen hebben gelijk het hare, en nooit met God in tegenspraak mogen komen.

III.

Nu kom ik tot een belangwekkend gedeelte van ons onderwerp, namelijk, DAT HET GELOOF REDENEN BIJBRENGT, ofschoon het niet twist. "Ja Heere!" zegt zij, "doch ook de hondekens eten van de brokjes." Deze pleitgrond van de vrouw was zuiver, en strikt logisch bovendien. Het was een pleitgrond, rustende op hetgeen de Heere zelf vooropgesteld had; en gij weet wel, wanneer gij met iemand redeneert, kunt gij niet beter doen dan u houden aan hetgeen hij zelf als waarheid heeft vastgesteld en daarop voortredeneren. Zij gaat niet te werk om zelf nieuwe denkbeelden voorop te stellen of de oude te bestrijden door te zeggen: "Ik ben geen hond"; maar zij zegt: "Ja, een hondeken ben ik." Zij neemt het door de Heere vastgestelde aan, en gebruikt het op de beste manier, die zich maar denken laat, als een pleitgrond tot eigen voordeel. Zij nam de woorden uit Zijn eigen mond, en overwon Hem er mee, juist zoals Jacob de engel overmocht te Pniël. Er ligt zoveel kracht in de pleitgrond van de vrouw, dat ik er deze morgen bepaald aan wanhoop of ik wel in staat zal zijn u die op de rechte wijze voor te stellen. Ik wens evenwel op te merken, dat de vertalers in niet geringe mate de tekst geweld hebben aangedaan, door het woord "doch" er aan toe te voegen, want er staat geen "doch" in het Grieks; het is een heel ander woord. Jezus zeide: "Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en het de hondekens voor te werpen." "Neen," zeide zij, "het is niet betamelijk dit te doen, omdat er voor de honden al gezorgd is; want de honden eten de kruimels, die daar vallen van de tafel hunner heren." Het zou zeer ongepast zijn hun het brood der kinderen te geven, omdat zij zelf brood hebben. "Ja, Heere ik stem toe, dat het zeer ongepast zou zijn om aan de honden het brood der kinderen te geven, omdat zij hun deel reeds hebben, wanneer zij de kruimels opeten, welke van de tafel der kinderen vallen. Dat is alles wat zij nodig hebben, en alles wat ik begeer. Ik vraag U niet mij het brood der kinderen te geven, ik vraag alleen om de kruimels voor de hond."

Laat ons de kracht van haar redenering bezien, welke op velerlei wijze zal blijken. In de eerste plaats: zij nam redenen bij Christus uit haar hoopvolle toestand. "Ik ben een hondeken," zeide zij, "maar, Heere, Gij zijt helemaal naar Sidon gekomen; hier zijt Gij vlak bij de grenzen van mijn land, en daarom ben ik niet gelijk aan een hond, die op de straat loopt: ik ben een hond onder de tafel." Marcus deelt ons mede, dat zij zeide: "De hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen." Dat is even goed als dat zij zegt: "Heere, Gij ziet mijn toestand: ik was een hond op de straat, ver van U af; maar nu zijt Gij gekomen en hebt op onze grenzen gepredikt, en ik heb het voorrecht gehad naar U te luisteren. Anderen zijn genezen, en Gij zijt in ditzelfde huis bezig daden van genade te verrichten terwijl ik toezie; en daarom, ofschoon ik een hondeken ben, ben ik een hondeken onder de tafel; welnu dan, Heere, laat mij van de kruimkens genieten." Ziet gij wel, waarde hoorder? Gij stemt toe, dat gij een zondaar, een groot zondaar zijt, maar gij zegt: "Heere, ik ben een zondaar, wie het vergund wordt het evangelie te horen, zegen het daarom voor mij. Ik ben een hondeken, maar ik ben onder de tafel; handel met mij als zodanig. Wanneer er een predikatie gehouden wordt tot troost voor Uw volk, ben ik er om ze te horen; wanneer de heiligen samenkomen en de dierbare beloften besproken worden, en zij zich daarin verblijden, ben ik er, opziende en wensende, dat ik onder hen mocht behoren; maar, Heere, nu Gij die genade geschonken hebt om mij te maken tot een hoorder van het evangelie, wilt Gij mij dan verwerpen, nu ik een aannemer daarvan begeer te zijn? Tot welk einde en doel hebt gij mij zo nabij gebracht, of liever, zijt Gij zo nabij mij gekomen, zo Gij mij ten slotte nog wilt verwerpen? Een hondeken ben ik, maar ik ben toch een hondeken onder de tafel. Het is een gunst, het voorrecht te mogen genieten van onder de kinderen te zijn, al is het dan, dat ik alleen maar aan hun voeten mag liggen. Ik bid U dan, goede Heere, aangezien het mij nu vergund wordt tot U op te zien en om deze zegen te vragen, verwerp mij niet." Het komt mij voor, dat de vrouw op dit punt zeer sterk stond, en dat zij hiervan een goed gebruik maakte.

Haar verdere pleitgrond was haar moedinboezemende betrekking. "Ja, Heere," zegt zij, "ik ben een hondeken, doch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heren." Ziet daar bij Mattheüs de nadruk gelegd: "Van de tafel hunner heren." "Ik kan niet zeggen, dat Gij mijn Vader zijt, ik kan niet opzien en aanspraak maken op de rechten van een kind; maar Gij zijt mijn meester, en meesters voederen hun honden; zij geven tenminste de brokjes aan die honden, welke hen als hun heer en meester erkennen. De pleitgrond heeft veel overeenkomst met die, welke opkwam in de gedachten van de verloren zoon. Deze overlegde bij zichzelf om tot zijn vader te zeggen: "Maak mij als één van uw huurlingen"; alleen was zijn geloof veel zwakker dan het hare. "Heere! al sta ik niet tot U in betrekking als kind, zo ben ik toch Uw schepsel; Gij hebt mij gemaakt, en ik zie tot U op en smeek U, mij niet te laten omkomen; al heb ik dan geen ander houvast, dit heb ik wel, dat ik U moest hebben gediend, en daarom sta ik tot U in betrekking van dienstbaarheid, al ben ik dan ook van U weggegaan. Ik behoor U ten minste toe onder het verbond der werken, als het dan niet onder het verbond der genade is; en daar ik toch tot U in betrekking van dienstbaarheid sta, o verwerp mij niet geheel en al. Gij hebt in ieder geval een eigendomsrecht over mij door de schepping; o zie op mij neer en zegen mij. De honden eten op wat er van de tafel hunner heren valt, laat mij hetzelfde doen." Zij speurt de betrekking na van een hond tot zijn meester; en maakt er met een gezegende vindingrijkheid het best mogelijke gebruik van, hetwelk wij, indien wij het goed willen doen, dienen na te volgen.

Merk vervolgens op, dat zij haar gemeenschap met de kinderen bepleit. Hier moet ik u mededelen, dat het jammer is, dat het voor onze vertalers, naar ik veronderstel, niet mogelijk was om duidelijk te laten uitkomen wat tenslotte het fijne van de zaak is in deze Schriftwoorden. Zij was bezig te pleiten voor haar dochtertje; en onze Heere zeide tot haar: "Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en de hondekens voor te werpen. (In de Engelse bijbel staat: honden). Het woord duidt een kleine hond aan, en de vrouw legde daar de nadruk op. Het woord "honden" kon haar bedoeling niet half zo goed uitdrukken als het woord "hondekens" of "kleine honden." Zij zeide dan ook: "Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes." In het oosten wordt een hond in de regel niet in de huizen geduld; de honden worden daar als vuile schepselen beschouwd, en zwerven half wild rond, zonder dat iemand zich om hen bekommert. Het Christendom heeft de hond een hogere plaats gegeven en hem tot een metgezel van de mens gemaakt, gelijk het doen zal met de gehele redeloze schepping, totdat de schandelijkheden der vivisectie en de wreedheden van het lager gemeen ongehoorde dingen zullen zijn, tenzij dan als afgrijselijkheden van een voorbijgegane, barbaarse eeuw. In het oosten staat een hond al op een zeer lage trap, het is daar een zwerveling, die ronddoolt om zijn voedsel te zoeken, dat maar schaars te vinden is, en die in zijn hoedanigheden niet veel beter is dan een getemde wolf. Zo houden dan ook de volwassen oosterlingen zich niet met de honden op, daar zij een vooroordeel tegen hen hebben; maar kinderen zijn niet zo dwaas, en bijgevolg houden de oosterse kinderen zich wel met de kleine honden op. De vader wil de hond niet dicht bij zijn knaapje hebben, maar het kind weet van zulk een dwaasheid niet, en zoekt een hondje uit om bij hem te zijn in zijn spelen; zo gebeurt het, dat het hondeken onder de tafel komt en om der wille van het kind in het huis geduld wordt. Nu komt het mij voor, dat de vrouw aldus redeneert: "Gij hebt mij en mijn dochter hondekens genoemd, maar de hondekens zijn onder de tafel der kinderen; zij gaan met de kinderen om, evenals ik deze dag bij Uw discipelen geweest ben. Al ben ik dan niet één hunner, zo heb ik toch met hen omgegaan, en zou blijde zijn bij hen te behoren." Hoe hartelijk wens ik, dat hier en daar een arme ziel dit ging opvatten en zeggen: "Heere, ik kan er geen aanspraak op maken één van Uw kinderen te zijn, maar ik houd er van in hun midden te zitten, want ik ben nooit gelukkiger dan wanneer ik bij hen ben. Somtijds maken zij het mij lastig en benauwd, zoals kleine kinderen hun hondjes wel eens knijpen en zeer doen, maar meestal liefkozen zij mij, spreken zij mij vriendelijk en vertroostend toe, bidden zij voor mij en begeren mijn zaligheid; dus Heere, al ben ik dan geen kind, noem mij dan maar een hondeken; dat ben ik, maar behandel mij dan ook als een hondeken, en geeft mij het brokje der genade, hetwelk ik zoek."

De pleitgrond heeft nog een verdere strekking, want het hondeken eet de kruimels van het brood der kinderen met de volle toestemming van het kind. Wanneer een kind zijn hondje bij zich heeft om er mee te spelen, wat doet het kind dan als het aan het eten is? Wel, het geeft nu en dan natuurlijk een stukje aan de hond, en het hondje zelf wordt al vrijpostiger, en zorgt wel, als het tenminste maar durft dat het zijn deel krijgt. Als een hondje onder de maaltijd bij de kinderen is, kan het er wel zeker van zijn, dat het van de een of ander van zijn speelmakkers wel eens een brokje krijgt; en niemand zal zich er tegen verzetten, dat het opeet wat het krijgen kan. Zo ook schijnt de vrouw te zeggen: "Heere, daar zijn de kinderen, Uw discipelen; zij behandelen mij niet zo bij uitstek: kleine kinderen behandelen de hondekens niet altijd zo vriendelijk als het wel wezen kon; maar toch Heere, het is volkomen naar hun zin, dat ik de zegen ontvang, dien ik zoek. Zij hebben een volledig deel in U: zij hebben Uw tegenwoordigheid, zij hebben Uw woord, zij zitten aan Uw voeten; zij hebben allerlei geestelijke zegeningen verkregen. Ik houd mij er van verzekerd, dat zij mij een zoveel geringer gustbewijs niet zullen misgunnen; zij hebben gaarne, dat de duivel uit mijn dochter uitgeworpen wordt, want die zegen vergeleken met wat zij hebben is slechts een brokje, en zij zijn het er mee eens, dat ik dat ontvang. Dit, Heere, is mijn antwoord op hetgeen Gij mij hebt voorgehouden. Gij zegt, dat het niet betamelijk is voordat de kinderen verzadigd zijn het brood aan de hondekens te geven; maar, Heere, de kinderen zijn verzadigd, en zij zijn volkomen gezind mij mijn deel te laten toekomen; zij stemmen er in toe, dat ik de kruimels ontvang; wilt Gij ze mij niet geven?"

Naar het mij voorkomt was er in haar pleidooi nog iets anders, dat kracht bijzette, en wel de overvloed van de voorraad. Zij had een groot geloof in Christus en rekende bij Hem op grote dingen, en daarom zeide zij: "Heere, er ligt toch een grote kracht in hetgeen Gij aanvoert, indien het Uw bedoeling is om te bewijzen, dat ik het brood niet dien te hebben, uit vrees dat er niet genoeg zou zijn voor de kinderen; want Gij hebt zoveel, dat zelfs onderwijl de kinderen aan het eten zijn, de hondekens de kruimels wel kunnen krijgen en er nog genoeg voor de kinderen overblijft. Waar er sprake is van de tafel van een arme man, en het bij hem niet zoveel lijden kan, dat er een kruimel verloren gaat, daar moeten de honden ook niet worden toegelaten; maar waar het geldt de tafel van een koning, waar het brood weinig geteld wordt en de aanzittende kinderen overvloedig verzadigd worden, kan het de hondekens toch wel toegestaan worden, dat zij zich onder de tafel voeden met hetgeen er af valt. Niet het brood dat de meester naar beneden werpt, maar de kruimkes die per ongeluk naar beneden vallen, zijn zo talrijk, dat er genoeg is voor de hondekens, zonder dat de kinderen een mondvol tekort komen. "Neen, Heere," zeide zij, "dat zou ik niet willen hebben, dat Gij het brood voor Uw eigen kinderen wegnaamt. God verhoede, dat zo iets voor mij gedaan zou worden; maar er is genoeg voor Uw kinderen in Uw overvloedige liefde en genade, en ook genoeg voor mij; want alles wat ik vraag is slechts een kruimelke vergeleken met hetgeen Gij dagelijks aan anderen schenkt."

En ziehier nu het laatste punt, waarin haar pleidooi van kracht was. Zij beschouwde de dingen uit Christus' oogpunt. "Indien Gij, grote Heere!" zo sprak zij, "mij als een hondeken aanziet, zie, dan vat ik U nederig bij Uw woord en bepleit, dat als ik een hondeke voor U ben, de genezing, die ik voor mijn dochter vraag, maar een kruimelke is voor Uw grote macht en goedheid om aan mij te schenken." Ook zij gebruikte een verkleinwoord en sprak van kruimkens. De hondekens eten van de kruimkens, die van de tafel van de kinderen vallen. Welk een stout (ondeugend) geloof was dit! Zij schatte de genade, die zij zocht, boven alle prijs; zij achtte ze tienduizend werelden voor zich waard, en toch wist zij, dat ze voor de Zoon van God maar een kruimelke was, zo rijk is Hij in macht om te genezen en zo vol goedheid en zegen. Als een mens een kruimelke aan een hond geeft, dan heeft hij een weinig minder; maar als Jezus genade schenkt aan de grootste der zondaren, heeft Hij niets minder, Hij is nog juist even rijk in neerbuigende goedheid, en genade, en macht om te vergeven als Hij vroeger was. Het pleidooi van de vrouw bezat een ongemene kracht. Zij was zo verstandig als zij volhardend was, en, nog het allerbeste, zij geloofde op een wijze, die onze verwondering wekken moet.

Ik ga deze schets van het pleidooi besluiten met te zeggen, dat in de grond de vrouw in werkelijkheid redeneerde naar het eeuwig voornemen Gods; want wat was het grootste doel des Heeren bij het geven van het brood aan de kinderen, of, met andere woorden, met het zenden van een Goddelijke openbaring aan Israël? Wel, het was steeds Zijn bedoeling, dat door de kinderen de honden het brood zouden krijgen; dat door Israël het evangelie zou worden overhandigd aan de heidenen. Het was altijd Zijn plan geweest Zijn eigen erfdeel te zegenen, opdat Zijn weg bekend zou worden op de aarde, Zijn zaligmakende genade onder alle natiën; en deze vrouw viel op de ene of andere wijze door een Goddelijk instinct in de Goddelijke methode. Ofschoon zij het geheime plan van God niet had nagespeurd, ten minste er wordt ons niet met zoveel woorden meegedeeld, dat zij dit gedaan heeft, zo lag daarin toch de innerlijke kracht van haar redenering. Met andere woorden, deze luidde aldus: "Het is door de kinderen, dat de honden hun voedsel moeten ontvangen: Heere, ik vraag U niet om op te houden met aan de kinderen hun brood te geven, ook vraag ik U niet eens om te zorgen, dat de kinderen spoedig met hun maaltijd gereed zijn; laat hen eerst verzadigd worden, maar laat mij, onderwijl zij aan het eten zijn, de kruimels mogen hebben, die uit hun welgevulde handen vallen, en ik zal tevreden zijn." Ziedaar een kostelijke pleitgrond voor u, arme, toenaderende zondaar. Ik geef hem in uw handen over en bidt de Geest van God u te helpen om die te gebruiken; en als gij die op de rechte wijze kunt aanwenden, zult gij nog heden bij de Heere de overhand hebben.

IV.

Ons vierde en laatste deel is dit: HET GELOOF WINT DE PLEITZAAK. Het geloof van deze vrouw won in de eerste plaats een aanbeveling voor zichzelf. Jezus zeide: "O vrouw! groot is uw geloof." Zij had niet gehoord van de profetieën aangaande Jezus; zij was niet geboren en opgevoed op een manier, dat ze licht een gelovige zou worden, en toch werd zij een gelovige van de eerste rang. Het was een wonderlijke zaak, dat dit zo wezen moest, maar de genade schept er behagen in wonderen te doen. Zij had de Heere niet eerder in haar leven gezien; zij stond niet met hen gelijk, die maanden achtereen met Hem waren omgegaan; en toch met slechts één gezicht op Hem gewon zij dit grote geloof. Het was verbazingwekkend; maar de genade van God is altijd verbazingwekkend. Wellicht had zij nooit een wonder gezien. Al hetgeen waarop haar geloof rusten kon was, dat zij in haar eigen land gehoord had, dat de Messias der Joden gekomen was; en zij geloofde, dat de Man van Nazareth deze Messias was, en hierop verliet zij zich. O broeders, met al onze voorrechten; met de gelegenheden, die wij hebben om het gehele leven van Christus te kennen, en de leerstukken van het evangelie, zoals zij ons in het Nieuwe Testament zijn geopenbaard, te verstaan; met vele jaren van opmerking en ervaring, behoorde ons geloof veel sterker te zijn dan het is. Maakt deze arme vrouw ons niet beschaamd, wanneer wij haar met haar geringe middelen nochtans zo sterk zien in het geloof, zodat Jezus zelf haar prijzende zegt: "O vrouw! groot is uw geloof?"

Haar geloof had verder ook nog deze vrucht, dat het een aanbeveling verkreeg voor de wijze, waarop het te werk ging; want, naar Markus ons verhaalt, zeide Jezus: "Om dezes woords wil ga heen! de duivel is uit uw dochter gevaren"; alsof Hij het gesproken woord even goed beloonde als het geloof, waaraan dit woord zijn ontstaan te danken had. Hij was zo ingenomen met de verstandige, voorzichtige, nederige, maar toch ook moedige wijze, waarop zij Zijn woorden tegen Hemzelf keerde, dat Hij zeide: "Om dezes woords wil is de duivel uit uw dochter uitgevaren." De Heere Die het geloof prijst, prijst daarna de vruchten en handelingen van het geloof.

De boom heiligt de vrucht. Niemands handelingen kunnen Gode welgevallig zijn voordat hij zelf de Heere welgevallig is; en daar de vrouw aangenomen was op haar geloof, waren de uitvloeiselen van haar geloof aangenaam voor het hart van Jezus.

De vrouw verkreeg ook haar begeerte: "De duivel is uit uw dochter gevaren", en hij was terstond uitgevaren. Zij behoefde slechts naar huis te gaan, en zij zou haar dochter te bed vinden, een zoete rust genietende, hetgeen niet gebeurd was, zolang zij door de duivel bezeten was geweest. Onze Heere, haar de begeerte van haar hart schenkende, gaf haar die op een verheven manier; Hij liet haar als het ware de vrije hand, en zeide: "U geschiede, gelijk gij wilt." Het was alsof de Heere der heerlijkheid Zich onvoorwaardelijk voor de zegevierende wapenen van het geloof van een vrouw overgaf. De Heere geve u en mij in alle tijden van onze worstelingen in staat te zijn aldus door het geloof de overwinning te behalen, en wij kunnen ons niet voorstellen hoe groot de buit zal zijn, die wij te verdelen hebben, wanneer de Heere zal zeggen: "U geschiede, gelijk gij wilt."

Het slot van alles is dit: deze vrouw is een les voor allen, die van verre staan; voor u, die van oordeel zijt, dat alle hoop voor u is afgesneden; voor u, die er niet in opgebracht zijt om het huis Gods te bezoeken, die misschien bijna uw ganse leven allen godsdienst hebt verzuimd. Deze arme vrouw is een Sidonische; zij stamt af uit een geslacht, dat vele eeuwen te voren veroordeeld was om te sterven, een van het vervloekte zaad van Kanaän; en toch werd zij, niettegenstaande dat alles, groot in het koninkrijk der hemelen, omdat zij geloofde; en er bestaat geen reden voor waarom zij, die gerekend worden geheel en al buiten de kerk van God te staan, niet in het hart daarvan nog eens een plaats zullen innemen en tot de helderst brandende en schijnende lichten zullen behoren. O gij arme verstotenen en van verre staanden, schept moed en troost, komt tot Jezus Christus en vertrouwt u aan Hem toe.

Deze vrouw is verder ook nog een voorbeeld voor allen, die menen, dat zij af gewezen zijn bij hun pogingen tot het verkrijgen der zaligheid. Hebt gij gebeden, en heeft uw bidden niet het gewenste gevolg gehad? Hebt gij de Heere gezocht en schijnt het, dat gij ongelukkiger zijt dan ooit? Hebt gij pogingen gedaan tot hervorming en tot verbetering, in de mening dat gij ze gedaan hebt in de kracht van God, en hebben zij het doel gemist? Vertrouwt nochtans op Hem, Wiens bloed niets van zijn kracht, Wiens belofte haar waarheid en Wiens arm zijn macht om zalig te maken niet heeft verloren. Klem u, o zondaar, vast aan het kruis. Als de aarde onder u wegzinkt, klem u vast; als de stormen woeden en de watervloeden komen, en zelfs God zelf tegen u schijnt te zijn, klem u vast aan het kruis. Daar is uw hoop. Daar kunt gij niet omkomen.

Dit is bovendien een les voor ieder, die voor een ander tussenbeide treedt. Deze vrouw pleitte niet voor zichzelf, zij vroeg voor een ander. O, wanneer gij voor een medezondaar of -zondares pleit; doe het dan niet op een manier, dat het hart er koud bij blijft; pleit als voor uw eigen ziel en uw eigen leven. Die man zal in zijn pleiten voor anderen veel bij God vermogen, die de zaak ernstig op het hart draagt en ze tot de zijne maakt, die met tranen om een antwoord smeekt, dat spreekt van heil en vrede.

En in de laatste plaats, bedenkt, dat deze veelvermogende vrouw, deze voortreffelijke vrouw een les is voor iedere moeder; want zij pleitte voor haar dochtertje. Het moederlijke instinct maakt de zwaksten sterk en de vreesachtigen stoutmoedig. Hoe machtig is zelfs in de dieren-, in de vogelenwereld de liefde van een moeder. Het arme roodborstje, dat al bang wordt als het maar voetstappen hoort naderen, blijft in zijn nestje zitten, wanneer er iemand dichterbij komt en het diertje weet, dat zijn jongen in gevaar zijn. De liefde van een moeder maakt haar tot een heldin voor haar kind; wanneer gij alzo pleitende zijt bij God, pleit dan zo als de moederliefde het u ingeeft, totdat de Heere ook tot u zal zeggen: "O vrouw! groot is uw geloof; de duivel is uit uw dochter uitgevaren; u geschiede, gelijk gij wilt." Die laatste gedachte geef ik aan de ouders ter overweging als een aanmoediging tot het gebed. De Heere wekke u daartoe op, om Jezus' wil. AMEN.

Overgenomen uit het boek:

De Wonderen van de Heiland

van C.H.Spurgeon.