WELDADIGHEDEN VAN EEN VERBONDSGOD

 Een beschrijving van des Heeren handelingen in voorzienigheid en genade, met

 JOHN WARBURTON

Dienaar des Evangeliums te Trowbridge

 

 

Inhoud

Voorwoord

Waarde lezer

Weldadigheden van een verbonds-God

Tweede deel

De laatste dagen van de heer Warburton

 

 

 

 

 

 

VOORWOORD

Men verzocht mij een voorwoord te schrijven voor een nieuwe uitgave van "Weldadigheden van een Verbonds-God". Gehoor gevende aan dit verzoek, wil dit niet zeggen, dat ik geloof, dat het boek zelf een voorwoord nodig heeft of dat ik juist de man ben, om er een te schrijven, doch mijn achting en genegenheid voor wijlen de Heer Warburton, alsook het nut van zijn boek voor de opbouw van Gods Kerk, noopten mij de helpende hand, hoe zwak ook, te verlenen, om de verspreiding van een boek te bevorderen, dat zijn naam en gedachtenis bij volgende geslachten in zegening zal doen zijn.

Het geslacht, dat de waarheid van zijn lippen hoorde met die zalving, aangenaamheid en smaak, die op zulk een bijzondere wijze daarmede vergezeld ging, zal spoedig voorbij gegaan zijn.

Enige weinige predikatiën, die opgetekend zijn geworden, als zij van zijn lippen vloeiden, mogen er overblijven, doch deze zullen maar een zeer onvolkomen denkbeeld geven van de bijzondere kracht, die zijn rede vergezelde.

De prediking van de heer Warburton had iets zo bijzonders, dat bij de beoordeling van de "geschreven" predikatiën in de "Penny Pullpit" gezegd wordt: "dat ze juist zoveel overeenkomst met zijn prediken hebben, als een dode dit heeft met een levende".

De vlugschrijver kan de juiste woorden hebben neergeschreven en de drukker ze hebben gedrukt met een onvergankelijke letter, maar deze kunnen ze niet de geest des levens inblazen, die God hem gaf, als Hij door hem tot de harten van Zijn kinderen sprak.

En ook waarlijk kan een geschreven woord zijn eerbiedwaardige verschijning niet uitbeelden, zoals hij op de preekstoel stond, vooral in de laatste jaren van zijn bediening. Een ernstige uitdrukking lag op zijn gelaat zijn stem was helder en klaar, met zo'n bijzondere aandoening en gevoel, dat zich rechtuit tot het hart richtte, als ik nooit bij iemand anders gehoord heb.

Zijn gebeden waren eenvoudig, kinderlijk, vol van eerlijke belijdenis en toch zulk een geest van kinderlijk vertrouwen ademend. Deftig was hij in zijn gebaren terwijl bijna iedere uitdrukking van zijn tong de vergadering beheerste, bijzonder als zijn eigen ziel onder de zoete bedauwing en de vertederende invloed was van de Trooster, de H. Geest.

Dit zijn zaken, die nooit moesten vergeten worden door hen, die ze gezien en gehoord hebben, doch de herinneringen ook daaraan, zullen met de tijd voorbijgaan.

Geen der woorden Gods, zal op deze aarde vallen of tot Hem ledig wederkeren. Maar het gepredikte woord, hoezeer het ook op die tijd het levende volk ten zegen moge geweest zijn, heeft niet, en noodzakelijkerwijze kan het ook niet hebben, de duurzaamheid van het geschreven woord.

Binnen weinige jaren zal onze waarde vriend en geachte dienst, knecht van Christus, wijlen de heer Warburton, alleen bekend zijn door het boek "Weldadigheden van een Verbonds-God".

Dit zal een onsterfelijke getuige blijken te zijn, zelfs als het oor dat hem gehoord en gezegend en het oog, dat hem gezien en gekend heeft, tot stof zal zijn wedergekeerd. De Heere zal Zich te allen tijde op aarde doen overblijven, een arm en ellendig volk, dat Hij bemint en dat wederkerig liefheeft.

Scherpe beproevingen in de weg der voorzienigheid, zware familie, verdrukkingen en hart-doorgrievende smarten zijn het bepaalde lot van sommigen; diepe zielsoefeningen, veel inwendige benauwdheid des geestes onder de Wet, en de folterende pijnen en vrezen van een schuldige conscientie, en een bijna onophoudelijke strijd met zonde, dood en Satan, liggen op de weg van anderen.

Voor dezulken is "Weldadigheden van een Verbonds-God", toegediend en gezegend, het boek bij uitnemendheid.

Het is een levende bevinding van de beproevingen en de verdrukkingen, gedurende een veertig jaren, geschreven op de eenvoudigste, gevoelvolste en aangenaamste manier, - zonder wijsheid van woorden - maar in de eigen taal van het hart.

Toch is het niet slechts een opsomming van moeiten, droefenissen, beproevingen en aanvechtingen, maar het geeft ook doorslaande bewijzen van uitreddingen in het uur der donkerheid en benauwdheid, als de hoop scheen te vergaan en het geloof zijn laatste snik dacht te geven. Telkens toont het des Heeren antwoord op het gebed, beide in voorzienigheid en genade, en wat een getrouwe, barmhartige, belovend en belofte houdend God, Hij te allen tijde en onder alle omstandigheden is.

Hoe eenvoudig en toch hoe zoet beschrijft hij de leidingen, onderwijzingen, leringen, vertroostingen, kastijdingen, berispingen, ondersteuningen en zegeningen, ontvangen uit de hand van zijn genadige Vader en Vriend.

Gelijk wij lezen van het op en neer, bezwijken en opstaan, zuchten en zingen, kermen en juichen, vlieden en voortgaan, vechten en overwinnen van de waarde man van God, zo ook volgen wij hem van het eerste ogenblik af, dat God de H. Geest zijn ziel verkwikte, door geheel zijn beproefd en geoefend leven, totdat hij in goede ouderdom dit tranendal verliet, met de liefde Gods in zijn hart, de lach des vredes op zijn aangezicht, en de openbaring van een ontsluitende heerlijkheid aan zijn scheidende ziel.

Wel mag het genoemd de "Weldadigheid van een Verbonds-God", want niet één hebben wij gekend, die van het begin tot het einde meer behoefte gevoelde aan barmhartigheid. Zijn allereerste uitroep, toen de pijl van God in zijn conscientie trof, was: "O God, zijt mij zondaar genadig!" en elk uur om genade smekend, was meer of minder zijn oefening, zelfs tot het einde van zijn loopbaan toe.

Hij was inderdaad gezegend met een zoete verzekering van de eeuwige liefde Gods aan zijn ziel, en met een sterk vertrouwen in zijn zaligheid.

Doch weinigen kenden of gevoelden meer de vreselijke harts-verdorvenheden en wat een vuile besmette zondaar hij was voor de ogen van de oneindig, reine en heilige God en het was dit bijblijvend gevoel van zijn diepe zondigheid, dat hem elk uur en elke dag schuldenaar deed zijn aan genade.

Weldadigheden lagen op zijn levenspad, maar deze werden door hem niet anders beschouwd dan als dagelijks geschonken barmhartigheid.

Hij zag op haar eeuwige springbron, en dat zij kwamen of vloeiden uit een Verbonds-God, en dat zij waren onder die gewisse weldadigheden Davids, gefondeerd op een eeuwigdurend Verbond, in alle dingen welgeordineerd.

Het genadeverbond was een zoet en geliefkoosd onderwerp voor hem, omdat hij daarin vond al zijn heil en al zijn lust. Hij wist, dat in dit welgeordineerd Verbond getal en maat van al zijn beproevingen was vastgelegd, de lengte zijner dagen bepaald, alle nodige genade beloofd en een eeuwig gewicht der heerlijkheid verzekerd was.

Zijn boek derhalve is een opsomming van de weldadigheden van een Verbonds-God, van God de Vader, die hem verkoos, van God de Zoon, die hem verloste, en van God de H. Geest, die hem onderwees, leidde, zegende en vertroostte.

En nu moge de nieuwe uitgave van "Weldadigheden van een Verbonds-God", toegepast en aan het hart gezegend worden, alsof het hart, dat het opstelde en de hand, die het schreef, nog in ons midden was.

Door hetzelve spreekt hij nog, nadat hij gestorven is, en mogen wij, die hem beminden om zijns werks wil, als die tot ons het Woord Gods gesproken heeft zijn geloof navolgen, aanschouwende het einde en de beoging van zijn spreken, n.l. Jezus Christus, Die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.

Stamford, Mei 1859. J. C. PHILPOT.

 

WAARDE LEZER

Gelijk Asaph het uitdrukt in Psalm 77: 20: "Uw weg was in de zee en Uw pad in grote wateren en Uw voetstappen werden niet bekend", zo zijn des Heeren handelingen, die Hij met elk mens in de weg der voorzienigheid houdt, veelal voor een tijd verborgen. Wij bedoelen, dat in die handelingen Gods het "waarom" en "waartoe" verborgen is, totdat Hij het op Zijn tijd ontsluit. Dan blijkt het aan de ene kant, dat, hoe donker en smartelijk deze wegen ook mogen geweest zijn, of aan de andere kant hoe schier niets beduidend zij mogen hebben geschenen, zij toch in het een of ander het nut gehad hebben. Immers, een mens komt somtijds in schijnbaar niets beduidende wegen en toch, het eind daarvan doet zien, dat het oog 't welk de ganse wereld doorloopt hem gadegeslagen en de hand die alles regeert, hem geleid heeft.

Zo was het onze eigen ervaring in de vorige zomer, toen wij voor een bijzondere gelegenheid naar Engeland moesten en waar wij zonder ons toedoen in een kosthuis kwamen, naar wij geloven mogen, bij een van Gods kinderen.

Daar ter plaatse ontmoetten wij ook enige mensen uit Londen, die ons uitnodigden op onze thuisreis hun te willen bezoeken.

Zo hadden wij ons dan voorgenomen eer wij naar huis gingen, eens achttien dagen in Londen te vertoeven, om eens nader kennis te maken met de mensen die ons uitgenodigd hadden. Doch God beschikt; onze thuisreis werd door een lichte ongesteldheid verhaast, zodat wij dan ook enige dagen vroeger naar Londen gingen.

Achteraf hebben wij het opgemerkt, dat deze omstandigheid of liever deze besturing van God er toe leiden moest, om aldaar de leraar te ontmoeten door wiens toedoen wij het boek van "Warburton" in handen kregen.

De avond, dat wij te Londen aankwamen, werd doorgebracht met bekende en onbekende vrienden, tezamen sprekende over de wegen Gods.

Iemand uit het gezelschap, zijnde een ouderling, verzocht ons de volgende middag te zijnen huize, om dan des avonds een godsdienst, oefening in de kerk bij te wonen.

De andere dag gingen wij, zover de ongesteldheid des lichaams dit toeliet, in gezelschap van onze kostbaas naar de woning van de ouderling.

Wij troffen de man, niet thuis.

Terwijl wij de komst van de ouderling afwachtten, kwam een heer binnen, die ons beleefd groette. Deze mengde zich al dadelijk in het gesprek en zo kwamen wij te weten, dat hij de leraar was, die des avonds prediken zou.

De leraar begon onder meer iets te vertellen van zijn eigen doorleven en hoe hij tot het werk der bediening gekomen was. Hij verzocht toen de ouderling het werk van de heer Warburton aan ons ter leen mede te geven, opdat wij, thuis gekomen zijnde, eens zouden kunnen nagaan welke wegen de Heere met die man gehouden had.

Zie hier, lezer, in 't kort gezegd hoe ons het werk in handen gekomen is.

Thuis gekomen begonnen wij met de weinige taalkennis, die wij hadden, het te onderzoeken en in onze ziel ontwaarden wij, dat hierin het kennelijke en souvereine Gods uitblonk. Waar, zo wij zeiden, onze taalkennis gering was, gaven wij het boek aan een vriend, die hierin meer ervaren was. Deze zeide, na het doorbladerd te hebben, dat het een zeldzaam werk was, dat wel waardig was in deze dagen gelezen te worden.

Waar wij nu eenstemmig van oordeel waren, dat de kerke Gods er door gesticht kon worden, kwamen wij tot het besluit het boekje te vertalen en uit te geven. Voor die vertaling zou mijn vriend zorg dragen.

Die door genade iets van de wegen en leidingen Gods hierin beschreven, hebben leren kennen, zullen het met genoegen lezen. In dit boek blinkt het dagelijkse onderwerpelijke en afhankelijke leven Gods in alle weg dierbaar uit.

Mocht de Heere het nog eens ten zegen stellen onder ons geslacht, waar men toch over het algemeen in het voorwerpelijke schijnt weg te zinken.

Ach! of wij onze afstand bemerkende, aan het wenen geraken mochten over de toestand, dat wij God zover kwijt zijn in hart en huis, in kerk en school en daarover, dat wij zo weinig werk hebben voor de dierbare Christus.

Warburton had door genade veel werk voor Christus. Maar wij houden ons bijna geheel op de been met de vorm en dan nog hopen wij, dat de Heere Zich aan ons werk zal aansluiten en dat ten koste van Zijn eigen recht.

Deze man had een verloochenend leven, een kruisigend leven voor vlees en bloed; maar ook kende hij die zekere Toevlucht, waar altijd uitkomst is in de nood.

Hij was een gelukkig mens, hoewel God zijn vlees en bloed niet gespaard heeft. Zijn pad lag door de zee en door de afgronden van de schaduw des doods, maar door de ondoorgrondelijke liefde van die Verbonds-God, Die aan Mozes en met hem aan Zijn beproefde kerk, onder alle oordelen, Zijn Naam verklaart te zijn: "Ik zal zijn die Ik zijn zal", heeft ook Warburton leren verstaan, dat Gods voetstappen niet gekend worden dan achteraf. En daarin is hij en de kerk van God vertroost geweest.

Dat de Getrouwe en Onveranderlijke Verbonds-God dit werkje stelle ten zegen aan de harten van velen, is onze wens en bede.

Tholen 4 April 1927. W. BAAIJ Pz.

 

WELDADIGHEDEN VAN EEN VERBONDS-GOD

Ik werd geboren te Stand, ongeveer vijf mijlen van Manchester, in Oktober 1776. Daar mijn ouders arm waren, vond ik maar weinig gelegenheid, om wat wetenschap te verkrijgen, ofschoon ik door de tedere genade van God een weinig leerde lezen en schrijven; een weldaad, waarvoor ik mij dikwijls tot dankbaarheid verplicht gevoelde.

Mijn moeder was, geloof ik, een vat tot de heerlijkheid bereid van voor de grondlegging der wereld. God bracht dit aan het licht, toen ik omstreeks acht jaar oud was, op een wijze, die mij dikwijls met verbazing vervuld heeft.

Dikwijls was ik verwonderd geweest, als ik mijn moeder zag zuchten, kermen en wenen, terwijl zij haar Bijbel las, maar één van die tijden kan ik mij nog zeer duidelijk herinneren. Het was bij gelegenheid, dat een in de buurt wonende vrouw binnenkwam, die bemerkende, dat mijn moeder weende, haar vroeg, wat zij scheelde, omdat zij er zo droevig uitzag. Zodra zij in staat was te spreken, riep zij uit, dat haar arme ziel voor eeuwig verloren was, waarop de vrouw zeer verbaasd stond, en ik niet minder.

De vrouw trachtte haar te troosten, door te zeggen, dat zij een goede vrouw, moeder en buurvrouw geweest was en dientengevolge niet behoefde te vrezen, want als zulke goede mensen verloren gingen, als zij er een was, wee dan over duizenden buiten haar.

"En", ging zij voort, "gij behoeft u aan zulke gedachten als deze niet over te geven, want wie zal het zeggen, waarin die zullen eindigen?"

Mijn arme moeder echter kon zich daarmede niet troosten, maar riep uit: "O! ik ben de grootste zondares, die ooit op aarde leefde en ik moet voor eeuwig verloren gaan! Voor mij is er geen zaligheid! O, dat ik nooit geboren ware geweest!" De vrouw verzocht haar te gedenken, dat er genade bij God was voor een ieder, die berouw heeft over zijn zonden. "Ja", zei mijn moeder, "er is genade voor Zijn volk, maar daartoe behoor ik niet. Ik ben een verworpeling, voor altijd verloren!"

Hoe verwonderlijk scheen mij dit alles toe! Hoe wenste ik te weten wie God was en wie Zijn volk was! Ik herinner mij dat ik schreide en naar een verborgen plaats ging, waar ik mijn gebeden tweemaal zeer eerbiedig opzei en zo vast besloot als enig Arminiaan op de wereld dit zou kunnen doen, om braaf te zijn; "want God", dacht ik, "zal mij liefhebben als ik in het goede volhard, en dan word ik een van Zijn volk; en wat een gelukkig volk moet dat zijn, dat God toebehoort en ook hoe heilig; want als mijn arme moeder, die zo goed is, er niet toe behoort, hoe goed moet dan dat volk wel zijn".

Ik betuigde en beloofde dan plechtig, hoe goed ik zijn wilde. Bij onderzoek echter vond ik, dat ik veel verkeerds had gedaan, als dikwijls onwaarheid gezegd, slechte woorden gesproken, en bij gelegenheid wel eens een stuk speelgoed ontroofd aan de kinderen, waarmee ik gewoon was te spelen. Toen bad ik God, ze mij te vergeven en beloofde, dit niet meer te zullen doen. Van dit tijdstip af ging ik onder vele natuurlijke overtuigingen, totdat ik de leeftijd van vijftien of zestien jaren bereikte, toen ik in kennis kwam met vele losse kameraden en ik werd overgegeven tot allerlei soort van goddeloosheid, waarin ik voortging ter tijd en plaats, die God bepaald had, niet om mij los te laten, maar door genade te roepen:

"Verander het hart, vernieuw de wil,

En keer de voet naar Sion heen".

Ik was toen gehuwd en horende, dat een nieuwe kerk, waarin een mooi orgel stond, te Bolton, ongeveer zes mijlen van de plaats, waar ik woonde, zou geopend worden, kreeg ik lust daarheen te gaan en wilde dan bij mijn terugkomst mijn vermaak zoeken in enige bierhuizen, door enkele schellingen, die ik bezat, aldaar te verteren. Deze huizen zijn mijn vermaak geweest jaren achtereen; maar gezegend zij de goede God, Hij had wat anders bepaald.

Toen de dag daar was, ging ik er heen, en was zeer ingenomen met de aanblik der kerk. Maar als de leraar voor de lessenaar ging staan, stond ik uiterst verwonderd, daar ik zag, dat het dezelfde man was, die ik vele jaren geleden een predikatie had horen doen in onze parochiekerk, een predikatie die mij in die mate verontrust had, dat ik vele beloften gedaan had om een nieuw leven te leiden, en gedurende vele weken nauwelijks had durven opzien of spreken, uit vrees te zullen zondigen.

Spoedig evenwel had ik mijn beloften verbroken en werd erger dan ooit in het bedrijven van openbare goddeloosheid, totdat God mij nu arresteerde.

Toen de leraar de gebeden begon te lezen, vond ik, dat ik ze op deze wijze nog nooit had horen lezen.

Maar toen hij op de preekstoel kwam en zijn tekst voorlas, kwam deze uit zijn mond en in mijn hart gelijk een tweesnijdend zwaard. Zijn tekst was : "En bedriegt uzelven niet, God laat Zich niet bespotten, want zo wat de mens zaait, dat zal hij maaien". Gal. 6:7.

Ik geloofde waarlijk, dat hij direct op mij doelde; want zijn ogen schenen mij te doorzien, terwijl ik dacht, dat ik in de hel zou nederzinken. Al mijn zonden en ongerechtigheden van kindsbeen af staarden mij in het aangezicht en ik beefde als een blad.

Hij begon aan te tonen, wat de mens van nature is en hoever natuurlijke mensen gaan kunnen in het beloven en weer verbreken van hun beloften, in zondigen en daarover weer berouw hebben, totdat, als de genade dit niet verhoedt, de hel hun ellendige verblijfplaats worden zal. Hij toonde aan, dat de mens beloften doende enkel bezig was God te bespotten en zichzelven te bedriegen.

Mijn haar rees te berge door de vreselijke gewaarwordingen in mij en ik geloofde vast, dat hij mij alleen bedoelde. Ja, hij beschreef zo bijzonderlijk mijn goddeloos leven, mijn beloften en het weer verbreken van die beloften, en kwam zo in de bijzonderheden daarvan alsof hij ooggetuige geweest was van alles, wat ik gedaan of gezegd had, en dit deed mij tot hem opzien met verwondering, of hij een mens dan wel een engel was. Ik dacht dat hij zijn ogen strak op mij vestigde en mij met zijn vinger persoonlijk aanwees; en als hij mij zo met wortel en tak had uitgebeeld, herhaalde hij zijn tekst, die mij als een donderslag in de oren klonk: "Bedriegt uzelven niet, God laat zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij maaien".

O, de kracht waarmee het in mijn hart inging, was gelijk aan een zwaard, dat mij doorsneed. Nu zag en gevoelde ik (wat ik voorheen nooit gezien noch gevoeld had), dat ik met God gespot en mijn ziel mijn gehele leven door bedrogen had. Wat slaakte mijn arme ziel met smart en droefenis de kreet : "O God, wees mij zon. daar genadig!" "O", dacht ik, "Hij kan nooit genade bewijzen aan zulk een ellendeling, als ik ben, want ik heb God gedurende al deze jaren bespot; en wat een mens zaait, zal hij ook maaien".

En wederom herhaalde de waarde man: "God laat zich niet bespotten". Zodra hij geëindigd had, kroop ik uit de kerk, als had ik iets gestolen. Te beschaamd om iemand te durven aanzien, haastte ik mij door de stad en met moeite bedwong ik mij op de straat, om niet te brullen als een beer. Ik dacht dat iedereen mij aanstaarde en mij nawees.

Op mijn weg huiswaarts, ging ik het veld in, waar geen menselijk oog mij zien, noch een menselijk oor mij horen kon; daar viel ik op mijn knieën en schreeuwde met alle kracht van lichaam en ziel uit: "O,. God, zijt mij zondaar genadig!"

Hoe dikwijls ik het gebed van de tollenaar herhaalde, weet ik niet; maar als ik van mijn knieën opstond, ging ik voort, mijn handen wringend, snikkend uit te roepen: "O, dwaas die ik ben geweest! Hoe menigmaal heeft God mij willen redden, maar ik wilde niet! Nu is het voor eeuwig te laat!"

O, de vreselijkheid van voor die God te moeten verschijnen, Die niet bespot wil worden, dit gaat alle beschrijving te boven. Als ik een herberg voorbijging, durfde ik er mijn ogen niet heen te wenden, veel minder nog er binnen te gaan, om het plezier te genieten, dat ik mij voorgesteld had, toen ik van huis ging. Al de vreselijke zaken, waaraan ik mij in deze huizen had schuldig gemaakt, rezen voor mijn zielsoog op en stelden zich tegen mij in slagorde.

"O", schreeuwde ik uit, "vervloekte plaatsen; gij hebt mijn ziel verdorven voor eeuwig!" O, dat ik maar mijn geloften gehouden had! O, wat zal ik doen? Waarheen kan ik vlieden? Hoe zal ik kunnen staan om dat vreselijke vonnis aan te horen; "Gaat weg van Mij, gij vervloekte, in het eeuwig vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is". Matth. 25:41.

Toen ik thuis kwam, stond mijn vrouw verbaasd, dat ik zo spoedig was wedergekeerd. Zij verwonderde zich, dat ik zo stil was en vroeg mij, wat er omging. Ik zei haar, dat ik niet erg lekker was, en deed al wat ik kon, om de smart mijner ziel te verbergen. Maar geheimhouding voor lange tijd was onmogelijk. Mijn ellende was zo groot en zo zeer aangebonden, dat ik iedere gelegenheid, die ik kon vinden, op mijn knieën viel en uitriep: "O, God, zijt mij zondaar genadig!" somtijds die uitroep herhalend, tot mij de kracht daartoe begaf.

Zij bemerkte derhalve spoedig, dat iets met mij moest hebben plaats gehad en beschuldigde mij, dat ik Methodist was geworden.

Ik zei haar, dat ik niet wist, wat ik geworden was, doch wel, dat ik een van de afschuwelijkste zondaren op aarde was en dat als ik mijn leven niet beterde, daarover berouw had en genade kon vinden, ik zo zeker naar de hel ging, als ik geboren was; ja, dat ik alles zou willen doen, als ik daardoor mijn arme ziel redden kon.

Want voor die tijd kon ik niet anders denken, dan door mijn leven te beteren, mijn plichten te doen, en God te behagen, mijn ziel te redden.

De volgende Zondagmorgen ging ik naar Bolton, om dezelfde leraar te horen, waarvan ik naderhand hoorde, dat het Dominee Jones was. O, met welk een ernst bad en smeekte ik de gehele weg door, dat hij mij zeggen mocht wat ik doen moest, om behouden te worden! Maar inplaats daarvan sneed hij mij af in alle opzichten, verklarende, dat allen die hun leven behouden wilden, onder de Wet waren en derhalve onder haar vloek. Gedurende de gehele dag hoorde ik dan ook niet het minste tot mijn bemoediging, het was enkel en alleen voor het volk van God en ik keerde terug zo ellendig als ooit. "O, dat ik nooit geboren ware geweest! O, mijn arme ziel, gij zijt voor eeuwig verloren! O, mijn deel zal zijn met de duivelen en verdoemde zielen tot in eeuwigheid!"

Hoe ik thuis ben gekomen, weet de Heere alleen, maar toen ik thuis kwam, vroeg mijn vrouw mij hoe het ging.

"O", riep ik uit, "erger dan ooit! Het is met mij verloren! Er is geen hoop, dan alleen voor Gods volk!"

Zij zei mij, dat ik die man maar niet meer moest gaan horen, want dat hij mij gek zou maken, en dan zou ik opgenomen moeten worden in een krankzinnigengesticht, en ik begon te vrezen, dat het inderdaad bewaarheid zou worden. Derhalve begon ik te denken, om de gedachten van dood en eeuwigheid uit mijn hoofd te zetten; en mijn gemoed zoveel in mijn vermogen was, gerust te stellen, mij zelf troostende met dit besluit, om mijn best te doen en misschien zou dit ook beter zijn dan mijn vrezen. Ik ging dan naar bed, iets meer op mijn gemak dan gewoonlijk, maar het duurde niet lang, of die tekst donderde in mijn hart en in mijn oren: "De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe, alle godvergetende heidenen". "O", riep mijn ziel uit, "dat ben ik, dat ben ik. Ik ben de goddeloze ellendeling, die God vergeten heeft, die Hem bedrogen, beledigd en versmaad heeft. O, mijn arme, ellendige verloren ziel, gij zult naar de hel moeten met alle godvergetende heidenen!" O, de verschrikkelijke gewaarwordingen, die ik ondervond! Ik dacht waarlijk, dat de duivel mij kwam halen met lichaam en ziel beide. O, hoe schreide het binnenste mijns harten tot God, dat Hij mij nog die nacht beliefde te sparen. Hoe menigmaal beloofde ik, dat ik alles zou doen, wat in mijn vermogen was, om Hem te behagen en smeekte met tranen, dat Hij niet zou toelaten, dat de duivel mij deze nacht haalde. En ik dacht, dat de Heere mij hoorde, want ik gevoelde mij wat rustiger en viel kort daarop in slaap.

Toen ik 's morgens ontwaakte, was ik vervuld met dankbaarheid, dat God mij gespaard had en ik nog niet in de hel lag. En wie kan het zeggen, dacht ik, of God geen genade wil bewijzen aan zo'n snode booswicht, die zo geruime tijd tegen Hem gezondigd heeft en evenwel gespaard is tot op dit ogenblik. Ik bad met alle krach, ten mijner ziel, dat Hij mij alle begane zonden wilde vergeven, en beloofde, dat ik in de toekomst een heilig leven wilde leven en alles in het werk zou stellen, om Hem te behagen en Hem te vrezen al mijn dagen.

Inderdaad, verscheidene dagen achtereen gevoelde ik mij tamelijk op mijn gemak. O, de vrees, die ik had, om te zondigen! "Want" dacht ik, "als ik mij terughoud van te zondigen, wil misschien God mij op Zijn tijd alle begane zonden vergeven". En zo vast besloten was ik, om God niet meer te onteren, dat ik in een verborgen plaats ging, waar alleen Gods oog mij zien kon en waar ik uit al de kracht mijner ziel aan God beloofde, de wereld te verlaten, mij tot Hem te keren, en voor Hem te wandelen waarover ik Hem tot getuige nam van mijn oprechtheid.

Maar helaas! helaas! wat is al onze vleselijke oprechtheid? De eerste rukwind van de duivel blies dit weg als kaf voor de wind.

Verscheidene jaren had ik de gewoonte gehad om kaart te spelen. "Wat zal ik doen", dacht ik, "als de Zaterdagavond aanbreekt! Ik ben uitgenodigd enige partijtjes op de kaarttafel te spelen, maar ik zal niet gaan en zij zullen niet om mij komen".

's Zaterdagsavonds echter kwam mijn partner aan de speeltafel mij halen. Hij zei dat het tijd werd en vroeg mij, of ik gereed was.

"Wat zal ik doen?" dacht ik. "Als ik weiger, zullen ze mij voor een Methodist schelden en dat in de gehele omtrek bekend maken. Ik zal nog één keer meegaan, en hen dan zeggen, dat ik van plan ben niet meer te komen".

Met dit besluit ging ik henen. Maar o, de ellende die mij overviel, alsof ik aan de galg moest.

Doch de vrees voor godsdienstig en een Methodist uitgescholden te zullen worden, overviel mij zo, dat ik het huis binnentrad en met de rest aan de tafel ging zitten.

Als de kaarten waren gedeeld en ik juist de mijne genomen had, o, hoe staarde mijn schuld mij toen in het aangezicht! Hoe bulderde de consciëntie mij toen in de oren, dat ik mijn geloften verbroken had, waarover ik God tot getuige had aangeroepen! En ook de oude tekst kwam als een donderslag, die lichaam en ziel beven deed: "Bedriegt u niet; God laat zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, zal hij ook maaien".

Ik was zo ontsteld en verward, dat ik niet wist, wat ik deed, en kon met geen mogelijkheid meer zeggen, welke kaart ik leggen moest, alsof ik in mijn gehele leven nooit een kaart gezien had. Kortom ik verloor het spel volkomen, wat mijn tegenpartij zó boos maakte, dat hij mij de grootste gek noemde, die hij ooit gezien had en de anderen lachten er hartelijk om.

Ik maakte er mij zo goed mogelijk af en om te voorkomen, dat ze het ware van de zaak te weten kwamen, zei ik, dat ik helemaal niet wel was en naar huis moest.

Nadat ik dit gezegd had, nam ik zonder veel complimenten mijn hoed, en daar het reeds donker was, ging ik het veld in, waar geen menselijk oog mij zien kon. Het was een zeer donkere avond en o, wat een ellendige gewaarwordingen in mijn hart! Ik dacht aan mijn geloften en dat ik ze verbroken had, aan de vreselijke majesteit van die God, Dien ik wel duizendmaal bespot had en aan de verschrikkelijke zekerheid van een naderende dood.

Toen kwamen de ontzettende woorden in mijn gemoed: "Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd, Mijn hand uitgestrekt heb en daar niemand was die opmerkte; en hebt al Mijnen raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild, zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen. Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt". Spreuken 1:24-26. Zij deden mijn haren te berge rijzen en mijn arme ziel zodanig beven, dat ik vreesde elk ogenblik in de hel te zullen nederstorten. De banden mijner lendenen werden los en wat ik moest doen of waarheen ik gaan moest, wist ik niet. Ik viel op mijn knieën en trachtte te bidden, doch deze tekst stopte in een ogenblik mijn mond: "Het offer der goddelozen is de Heere een gruwel". Spreuken 15:8. Toen riep ik: "Het is voor eeuwig verloren, want ik ben de snoodste ellendeling van degenen die in of buiten de hel zijn, en als God nu niet wil horen naar de gebeden van een arme goddeloze zondaar, dan is het voor eeuwig verloren". Daarop kwamen al mijn zonden van kindsbeen af als een heirleger tegenover mij en dat met zulk een geweld, dat zij mij daadwerkelijk met lichaam en ziel ter aarde sloegen, waar ik een tijd lang bleef liggen, daar ik niet meer kracht behield dan een pasgeboren kind om te kunnen opstaan en ik geloofde waarlijk, dat ik spoedig zou zijn ter plaatse, waar geen hoop is.

Maar o, de verbazende goedheid van een beledigde God!

Hij gaf mij een kleine bemoediging: "Zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden". Math. 7 :7.

"Wat kan dat beduiden?" riep ik uit; "het kan nooit willen zeggen dat ik zoekende ben of vinden zal". Ik stond op en keek in het rond, om te zien of er iemand in de nabijheid was, die deze woorden gesproken kon hebben; doch ik zag en hoorde niemand. En wederom werden de woorden met nog meer kracht in mijn ziel herhaald : "Zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden". Dit bemoedigde mijn arme ziel zo, dat ik wederom tot God riep om genade en Hem zeide, dat als Hij mijn zonden vergeven wilde, ik dan de gehele wereld zou zeggen, wat Hij voor mij gedaan had. Toen ging ik huiswaarts, vast besloten, dat ik nacht en dag zoeken zou naar genade en vergiffenis mijner zonden totdat ik die vond. Ik ging enigszins bemoedigd naar bed en stond vroeg in de morgen op, zegenende de Heere uit mijn ganse hart, dat Hij mij wederom een nacht had willen sparen.

Na het ontbijt ging ik naar Bolton, om Dominee Jones te horen, de Heere smekende met tranen, dat Hij mij iets wilde laten horen tot vertroosting mijner ziel.

Waarlijk dacht ik, dat dit de tijd was, dat ik Hem vinden zou. Als ik Hem zo ernstig zou gezocht hebben, verwachtte ik volkomen, dat mij mijn zonden zouden worden vergeven en ik met blijdschap huiswaarts zou keren.

Maar o! wat werd ik teleurgesteld! Ik dacht, dat Dominee Jones predikte tot niemand als tot de uitverkorenen en dezulken die wedergeboren waren!

Ik zonk daarop weder in wanhoop weg en schreeuwde met bitterheid mijner ziel uit: "O, dat ik een der uitverkorenen ware! O, dat ik een dergenen ware, die wedergeboren zijn! Wat zal ik aanvangen. Waarheen zal ik vlieden? Ik heb gebeden en ik heb gesmeekt ik behoor niet tot de uitverkorenen. O, mijn arme ziel, arme ziel! gij zijt voor eeuwig verloren, het is te laat. O, eeuwigheid, eeuwigheid! Hoe zal ik bij een eeuwige gloed kunnen wonen!"

O, de ellendige reis, die ik huiswaarts had; niets dan ongeluk en ellende, en wat dit nog verzwaarde was, dat mijn ogen een weinig ontsloten waren voor het kwaad van mijn eigen hart.

Ik zag, dat de boze gedachten, zowel als de boze daden zonden waren tegen God, en God bracht die tekst met zo'n kracht in mijn ziel, dat ik dacht dadelijk ter helle te zullen nederzinken : "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om dat te doen". Gal. 3: 10.

Er viel zulk een licht op deze woorden, dat ik zag en ook gevoelde, dat ik volkomen vervloekt was, zonder mogelijkheid van ontkoming; en deze woorden, volgens mijn eigen oordeel, voltooiden en verzegelden mijn gewisse verdoemenis met geen minder kracht dan de voorgaande: "Want wie de gehele Wet zal houden en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen".

Toen zag ik, zo klaar als de zon op de middag schijnt, de heiligheid en gerechtigheid van God in mijn verdoemenis, en dat het ten enenmale onmogelijk was, voor hetzij God of mens, om mij te redden. Nu gevoelde ik, dat het te laat was en dat er geen hoop meer kon zijn tot in eeuwigheid. Nu zag ik, dat ofschoon ik berouw mocht hebben en tranen van bloed wenen, dit niet kon vervullen "al hetgeen in het Boek der Wet geschreven was".

Nu werd ik geleid om te zien, dat deze heilige Wet vereiste zowel heilige gedachten als heilige daden, en onmiddellijk daarop viel in mijn ziel: "Gij zult liefhebben de Heere uw God met geheel uw ziel en met geheel uw hart en uw naaste als uzelven". En wederom klonk het als een verschrikkelijke donder: "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen in het Boek der Wet geschreven is, om dat te doen".

O! het "om dat te doen" sloeg mij in stukken, gelijk een pottebakkersvat en benam mij daar het laatste greintje hoop, dat God mij zou kunnen redden in een weg bestaanbaar met Zijn gerechtigheid.

Nu zag ik zo klaar als de middag Zijn heiligheid en gerechtigheid in mijn verdoemenis; en ik zeide Hem, dat wanneer ik in de hel kwam, ik alle duivelen daar zeggen zou, dat Hij mij geen onrecht gedaan had, maar dat ik alles mijzelven te wijten had. Ja, dat ik God zou rechtvaardigen in Zijn toorn uit te storten op zo'n monster, die tot zo'n hoogte van ongerechtigheid was opgeklommen, die zoveel geloften gedaan en wederom alle verbroken had, die al dieper en dieper in de zonde was ingedompeld, en een zo grote bespotter van God geweest was.

Nu echter zag ik duidelijk, dat mijn oordeel bezegeld was, want deze woorden kwamen direct op de voorgaande: "Tot de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, zal geen jota of tittel der wet voorbijgaan, totdat alles zal zijn geschied". Zo zag ik, dat God de onveranderlijke is in de deugden Zijner heiligheid en gerechtigheid en dat Hij de schuldige geenszins kan onschuldig houden.

In deze ellendige staat verkeerde ik enige maanden. Somtijds viel ik in een vlaag van wanhoop, en dacht: "O, als ik hier slechts enige troost genieten mocht, al was dan ook hierna de hel mijn deel". Want dat ik hierna in de hel zou zijn, daarvan was ik overtuigd, want "Vervloekt is een iegelijk" enz.; en dat ik er een was van degenen die niet gedaan hadden van al hetgeen in het boek der wet geschreven stond, was mij bekend.

Welaan, dacht ik, laat mij hier toch een weinig verkwikking hebben, om de ellende van mijn tegenwoordige gewaarwordingen ten onder te houden, en wat hierna betreft, ik kan maar verloren zijn.

De beste manier, om dit besluit vervuld te zien, scheen mij toe, mede te doen aan het hooi keren, want het was nu de hooioogst. Daarom ging ik naar een naburige boer en vroeg hem, of hij niet een werkman nodig had.

Hij zei "ja" en verzocht mij naar het veld te gaan. Toen ik bij de mannen kwam, werd ik door enigen bespot, door anderen werd geroepen "Warburton is Methodist geworden" en tezamen kwamen ze overeen, om mij uit te lachen. Zij kenden mij en hadden gehoord, dat ik Methodist geworden was.

Ik trachtte dit alles met een lach goed te maken, doch was in mijn binnenste zeer kwaad. Toen toch dacht ik, deze lieden gaan allen naar de hel, zowel als ik, en zie eens hoe genoegelijk zij zijn! En wederom besloot ik even genoegelijk te zijn als zij, want zei ik, als ik naar de hel ga, zij eveneens en ik zal er toch niet alleen zijn.

In de namiddag van dezelfde dag zou er een hooifeest zijn, zo men dit noemt, en dit zou gehouden worden op en plaats, een mijl of vier van ons verwijderd. Mijn medearbeiders verzochten mij, met hun mee te gaan. Maar o, welke gewaarwordingen had ik bij tijden op de weg daarheen.

Toen wij daar aankwamen, was het allereerste natuurlijk het bierhuis, en ik was besloten mij dronken te drinken, om mijn ellende te smoren, en mij zo goed als anderen te vermaken. Ik was daar echter nog maar enige minuten geweest, of die tekst der Schrift klonk als een donderslag in mijn arme ziel: "Daarom, dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen door een man, die Hij daartoe geordineerd heeft". Hand. 17 :31. En de andere tekst die als een bliksemstraal daarop volgde, was: "Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel". Hebr. 9:27.

Mijn arme knieën sloegen tegen elkaar, mijn haar bewoog zich op mijn hoofd, en ik stond op en ik ging naar buiten met al de verschrikkingen der verdoemden in mijn ziel. Ik haastte mij weg van die plaats, zo snel ik maar kon, vrezende somtijds, dat de duivel mij grijpen zou, aleer ik mijn huis zou bereikt hebben, en somtijds viel ik op mijn knieën, met de uitroep: "O God, wees mij zondaar genadig!" Doch mijn mond werd gestopt door dit woord: "Het gebed der goddelozen is de Heere een gruwel". Spreuken 15:8. Ik was overtuigd, dat een zo goddeloze ellendeling als ik was, nog nooit op aarde had geleefd, en o, de kwellingen, de gramschap, de gevangenschap, de ellende, die ik doormaakte! Welke vreselijke en oproerige gedachten rezen er in mijn hart op tegen God, dat Hij mij een menselijk wezen gemaakt had, die een onsterfelijke ziel had, die al de kwellingen van Zijn toorn in de hel zou moeten dragen, waar geen drupje water is om de tong der verdoemden te verkoelen, en waar zij tot in alle eeuwigheid zullen uitroepen : "Want Zijn toorn is gekomen, want Zijn toorn is gekomen!"

Hoezeer benijdde ik de dieren des velds. "Deze arme schepselen", zei ik, "hebben geen zielen om geoordeeld te worden", en o, de toorn en gramschap, die in mijn hart kookte tegen God, dat Hij mij geen hond gemaakt had, of een wezen, dat geen ziel had, die moest geoordeeld worden voor Zijn rechtvaardig gericht.

Vóór dezen had ik menigmaal krachtige verzoekingen gehad, om een eind te maken aan mijn ellendig leven, maar nu was ik ten volle besloten, om het ten uitvoer te brengen, want één gedachte kon ik niet opzij zetten en wel deze, dat hoe langer ik op de wereld leefde, hoe meer ik zondigen zou, en hoe meer ik zondigde, des te zwaarder zou mijn verdoemenis zijn.

Zodat ik het tot een besluit bracht, hoe spoediger ik mijn voornemen ten uitvoer bracht, hoe minder ik zou te verantwoorden hebben. Verschillende keren ging ik in mijn slaapkamer met mijn scheermes, vast besloten mij de keel af te snijden, maar in plaats dat ik daartoe kwam, werd ik altijd genoopt op mijn knieën te vallen en de Heere te smeken, dat, indien zulks mogelijk was, Hij mij barmhartigheid wilde bewijzen.

Doch een vernieuwd gezicht van Gods recht in een rechtvaardige Wet, bracht mij er telkens toe te geloven, dat het voor God onmogelijk was, om mij genade te bewijzen, zowel als het voor Hem onmogelijk was op te houden te bestaan.

Mij dunkt, ik zal nooit vergeten, de nacht voor God mijn ziel verloste. Ten volle besloten mijzelven kwaad te doen, ging ik op zaterdag omstreeks middernacht naar een waterput en daarhenen gaande, deed ik een plechtige belofte, dat niets mij zou verhinderen om mijn voornemen uit te voeren. Als ik tot de put genaderd was, o wat kreeg ik een vreselijk gezicht van de majesteit, rechtvaardigheid en heiligheid van God geopenbaard in een rechtvaardige Wet.

Ik zag zo klaar als de zon op de middag, dat de Wet heilig was, recht en goed; en dat God mij geen onrecht gedaan had, doch dat de ganse oorzaak van mijn verdoemenis bij mijzelven lag.

Ik had zo'n gezicht van Gods dierbare volmaaktheden Zijner heiligheid, dat ik voor Hem nederknielde en Hem zeide, dat ik Hem kon rechtvaardigen voor mensen en duivelen. Ik zeide plechtig "Amen" op mijn eigen verdoemenis, en inderdaad wilde ik geen zaligheid, die tot oneer zou zijn van een zo heilig en rechtvaardig God.

Nadat ik enige tijd met deze overdenkingen was bezig geweest, stond ik op om in de put te springen, maar deze woorden klonken mij in de oren, naar mijn gedachten alsof een mens ze mij toeriep : "Wie weet?" Ik bleef staan en zei : "Wie kan dat zijn?" "Wie weet?"

De woorden klonken weder en wederom in mijn ziel en er scheen iets in mijn hart te ontspringen, wat mij de woorden aldus uitlegde: "Wie weet, God mocht nog genade hebben voor uw arme ziel? Manasse, de moordenaar aan het kruis, Saulus van Tarsen, Maria Magdalena en vele anderen hebben Zijn vergevende genade ontvangen; en wie weet of die arme ellendeling, John Warburton, nog genade vinden moge?"

Dit belette mij, mijzelf te verdrinken. Ik gevoelde mijn hart een weinigje lichter en als ooit mijn ziel in het gebed uitging, geloof ik, dat het toen was.

Een hoopje ontsprong in mijn hart.

"Wie weet", dacht ik, "of niet God ten laatste mijn geroep zal willen horen?"

Daar het de volgende dag Zondag was, besloot ik, des morgens naar Manchester te gaan en nog eens te trachten enige vertroosting te bekomen. Vele malen was ik reeds naar Manchester en andere plaatsen, ver en nabij gegaan, om een weinigje verlichting voor mijn hart, doch alles tevergeefs.

Dit zou, naar ik meende, de laatste dag zijn, om nog eens één poging te wagen.

Na het ontbijt ging ik op reis naar Manchester, maar o, de overwegingen van mijn gemoed, die ik op de weg had! Ik stond stil en dacht terug te keren, want ik overlegde, dat het voor God onmogelijk was, om met behoud van Zijn rechtvaardigheid, aan mij genade te bewijzen. Wederom besloot ik terug te keren; maar de woorden: "Wie weet?" kwamen weer in mijn overdenking en een hoopje scheen in mijn hart op te gaan, met een : "Mocht de Heere mij arme zondaar genade bewijzen".

Voor enige ogenblikken was de tekst mij zeer zoet : "Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben". 1 Timoth. 1: 15.

O, wat riep mijn ziel tot God uit of Hij mij de genade schenken wilde, mij, de voornaamste, de snoodste onder de snoden!

Daarop kwamen deze woorden met buitengewone zoetheid en dierbaarheid in mijn gemoed: "Want het zal nog voor een kleine tijd zijn, dan zal Hij het op 't einde voortbrengen en niet liegen: zo Hij vertoeft, verbeid Hem; want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven". Hab. 2 : 3. O, hoe versterkt en bemoedigd was mijn arme ziel! en ik ging voort, hopende en biddende, dat de Heere mij in genade ontmoeten zou.

Des morgens ging ik naar de Mosley Straat Kapel en spoedig nadat ik neergezeten was, beklom een eerwaardig oud man de preekstoel. O, wat beefde mijn ziel uit vrees, dat hij mij een boodschap van God brengen zou van toorn en verwerping. Wat gevoelde ik een benauwdheid en zwaarmoedigheid, toen hij bij het lezen van het hoofdstuk tot deze woorden kwam : "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om dat te doen". Gal. 3 : 10. Nooit kan ik een duizendste deel uitdrukken van de ellende en het gevoel der schuld, waaronder ik geraakte.

Ik zag dat mijn ziel veroordeeld was tot een gewis verderf, en dat tot in alle eeuwigheid.

Wat de oude man gepredikt heeft, zou ik niet kunnen zeggen; maar dit weet ik, dat ik verdoemd was en bij tijden dacht, dat ik in de hel zou nederstorten, terwijl ik nog in de Kapel was.

Nadat de dienst geëindigd was, zwierf ik straat in straat uit, tot, dat ik inderdaad geloofde, dat ik van mijn verstand beroofd was.

Ik keek om en bemerkte, dat twee mannen mij volgden, die mij kwamen halen, naar ik vreesde, om mij in het krankzinnigengesticht te brengen.

De eerste plaats, waar ik kon nederzitten en mijn smart lucht geven, was de St. Georgekerk, en daar ik geen mens in mijn nabijheid zag, zette ik mij neder op de trappen en weende daar, totdat ik geen kracht behield om te kunnen wenen. Na enige tijd stond ik op en dacht ik huiswaarts te gaan, om een eind te maken aan mijn ellendig leven.

"Ja", zei ik, "ik zal er een eind aan maken, en het ergste dan te weten komen".

Op mijn weg daarheen geraakte ik, zo ik dacht, in de Cannonstraat, en bemerkte daarin een kapel, waarin mensen binnengingen. Het schoot mij te binnen dat het de kapel was van Ds. Roby, die ik in gezelschap van mijn moeder één of tweemalen had bezocht. Ik stond stil en zei : "Zal ik er in gaan?"

"Neen", dacht ik, "dat doe ik niet. De dominee zal de tekst nemen : "Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgene dat geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen".

Ik liep een eindje de straat in en stond weer stil. "Wie weet?" kwam dadelijk in mijn gemoed.

"Welaan", sprak ik, "ik kan maar verdoemd zijn"; en besloot in de kapel in te gaan, zeggende bij mijzelf: "Kom ik om, dan kom ik om".

Zo ik ooit een plaats der aanbidding binnentrad met een kreet uit het diepst mijner ziel dat God, indien het mogelijk was, genade wilde bewijzen aan een mens in een zo wanhopig geval, ik geloof, dat het toen was. Toen ik in de kapel nederzat, schenen al de verschrikkingen der hel op mij te komen.

Ik beefde van het hoofd tot de voeten en wenste, dat ik er nooit binnengegaan was.

Nadat het eerste vers geëindigd was, ging Ds. Roby voor in gebed, aan het eind waarvan hij zich enige woorden liet ontvallen, die ik vast geloof, dat uitsluitend voor mij waren. Hij smeekte God dat, indien hier iemand was, die een laatste poging deed op Zijn Genade, Hij zich dan aan de zodanige wilde betonen als zijn God.

Ik deed mijn uiterste best om mij in te houden, dat ik niet uitriep : "Ja, hier is een arme verloren John Warburton. Hier ben ik om de laatste poging te doen". O, hoe ging mijn ziel uit tot God in het gebed, of Hij zich wilde openbaren.

Nadat het gebed geëindigd was, werd er nog een vers gezongen vóór de predikatie. Geheel mijn hoop scheen vernietigd te zullen worden, toen ik de dominee de bijbel van het kussen zag nemen om zijn tekst te zoeken.

"O", dacht ik, "hij zoekt zeker naar de vreselijke tekst die mijn hart gedurende deze maanden vaneen gescheurd heeft". Hoe zal ik het maken als hij die tekst neemt: "Vervloekt is een iegelijk"? O, wat zal er van mij worden? "Ik moet in de hel verzinken als hij die neemt". O, de gewaarwordingen, die ik gevoelde! Ik kon er maar geen denkbeeld van vormen, waarom hij zolang talmde om de bijbel weer op het kussen te leggen. Tenslotte deed hij het, en ik zag, dat hij hem midden opensloeg.

"Geloofd zij God", fluisterde mijn ziel, "de tekst is niet: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen"

O, de verwachting die binnen in mij ontsprong! "Heere, vergeef mijn zonden, als het U belieft Heere, wees mijn arme verloren ziel genadig", barstte mij uit het hart, en toen Ds. Roby zijn tekst las, o de verwondering en de heerlijkheid die in mijn ziel kwam! De dierbare tekst was : "Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevangen gevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorige om bij U te wonen, o Heere God!" Ps. 68: 19. O, de liefde, vrede en blijdschap die in mijn hart vloeide toen de woorden uit zijn mond kwamen! Zij waren waarlijk mijn ziel zoeter dan duizenden van goud of zilver. Ik was enkel verwondering, en zei in mijn hart: "Wat mag dit beduiden? Waar zijn mijn zonden? Wat kan toch de bedoeling van dit alles zijn? Waar is mijn last en de toorn en verschrikking, die ik zoveel maanden achtereen gedragen heb?" En wederom vloeide de tekst in mijn ziel: "Gij hebt de gevangenis gevangen gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorige om bij U te wonen, o Heere God!" O, ik wist niet, waar mijn aangezicht te verbergen! Mijn ziel fluisterde aldoor: "Waarlijk het kan niet voor u bedoeld zijn; is het een droom? is het een droom?" Ik zocht naar mijn zonden, naar mijn last, naar de toorn en de ellende, die ik zo lang in mijn arme verwarde ziel had omgedragen, en kon noch schuld noch zonde, toorn noch gevangenschap vinden, want de Zaligmaker mijner ziel had ze allen weggenomen.

Een klaar gezicht van Zijn lijden en dood werd mij gegeven en dit brak mijn hart in stukken. O, hoe zag ik op Hem en rouwklaagde!

"Wat heb ik gedaan?" riep ik uit; "ik heb de Heere gekruisigd. O, mijn vervloekte zonden, waardoor ik de nagelen in Zijn handen en voeten, en de speer in Zijn hart gestoken heb. O goddeloze, goddeloze die ik ben! En kunt Gij, wilt Gij mij verlossen en vergiffenis schenken, niettegenstaande al mijn vervloekte zonden?"

Hoe wonderlijk werd mijn ziel ingeleid om te zien, dat de dierbare Zaligmaker had vervuld en gehoorzaamd, die heilige Wet, die ik verbroken had in duizenderlei opzichten, dat al mijn vervloekte zonden op Hem gelegd waren geweest en dat Hij geleden had in mijn plaats. Ik had zulk een gezegend gezicht door het geloof van Zijn doornagelde voeten en handen aan het kruis, van de doornenkroon op Zijn hoofd, en van de speer, die in Zijn hart ging; en Zijn verzoenend bloed vloeide met zulk een vrede, liefde, blijdschap en vrijheid in mijn ziel, dat ik nauwelijks wist, wat of waar ik was. De arme mensen, die in dezelfde bank met mij zaten, bleven mij met hun ellebogen maar aanstoten, opdat ik stilzitten zou; maar het was mij onmogelijk om stil te zitten of te liggen. O de liefde, die ik gevoelde tot mijn dierbare Zaligmaker, voor zo'n onverdiende vriendelijkheid aan zo'n snode, ja de snoodste schelm, die ooit de aarde droeg! Nooit kan ik uitdrukken een duizendste deel van de haat die ik gevoelde tegenover mijn snode zonden, waarmee ik de Heere der heerlijkheid doorstak.

Toen de dienst afgelopen was, ging ik de straat in, de God van mijn zaligheid zegenende, dankende, bewonderende, prijzende en aanbiddende; want tekst op tekst vloeide in mijn ziel en dat met zulk een kracht, dat ik somtijds verplicht was de hand op de mond te leggen om te beletten, dat ik het niet luid uitroepen zou op straat.

Op mijn weg naar huis ging ik zo spoedig mogelijk het veld in en toen ik buiten het gezicht en het gehoor van de mensen was, juichte en huppelde ik. Ik dankte en prees mijn dierbare Jezus uit alle macht, totdat mijn lichaamskrachten zo uitgeput waren, dat ik op de grond viel, en daar lag vast gelovende dat ik de hemel zou ingaan, om met mijn dierbare Heere en Zaligmaker te zijn. O, wat een oorzaak van heilige verwondering zag ik in het Wezen Gods, als een rechtvaardig God en toch een Zaligmaker. Nu zag ik de Heilige Wet volmaakt gehoorzaamd en rechtvaardig vervuld in Christus; die Wet die maanden achtereen mij tot verschrikking geweest was, die mij vervloekt had voor iedere gedachte, woord en daad.

En hoe dierbaar waren mij deze woorden: "Want het einde der Wet is Christus tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft", Rom. 10 : 14. Terwijl een andere tekst deze volgde met zoveel kracht, zoetheid, majesteit en heerlijkheid, dat hij mij overstelpte met aanbidding, lof en dankzegging : "Christus heeft ons verlost van de vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want daar is geschreven, vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt". Gal. 3 :13.

Ik zag en geloofde en gevoelde, dat Christus had gestaan in mijn plaats voor de Wet; en dat de gehele toorn en vervloeking, die ik uit de handen van de rechtvaardige God verdiend had, op Jezus was gelegd geworden. Ik zag, dat Hij gestaan had als mijn voorspraak en borg, voor al mijn zonden had geboet, de Wet verheerlijkt in een zo heilige weg, dat er geen vervloeking meer zijn kon noch van hemel, aarde of hel. Mijn arme ziel was zo opgetogen van blijdschap, dat als iemand mij gezien had hij zou hebben gedacht, dat ik juist uit Bedlam (gekkenhuis) ontsnapt was, want ik riep uit, huppelde en klapte in mijn handen, met een zoet vermaak. Het was inderdaad een hemel op aarde. Deze woorden van David waren de uitademingen van mijn ziel te dier tijde: "Loof de Heere mijn ziel; en al wat binnen in mij is Zijn heilige naam. Loof de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden. Die al uw ongerechtigheden vergeeft, Die al uw krankheden geneest, Die uw leven verlost van het verderf; Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden". Ps. 103 :1-4. Ik loofde en prees God de gehele weg huiswaarts. Mijn arme vrouw was om mijnentwil zeer ongerust, want het was al zeer laat, toen ik thuis kwam.

Maar geen wonder, want iedere boom des velds, iedere vogel in de lucht, ieder beest en insect, zelfs tot de kruipende worm toe, verschafte mij stof van gezang, verwondering en lof. Zij allen waren nieuw voor mij. In die allen zag ik de hand van mijn Vader en God. Ik moest mijn vrouw vertellen van de troost, die ik ontvangen had.

"God", zei ik tegen haar, "heeft al mijn zonden vergeven. Ik ben verzekerd, dat ik naar de hemel ga, want Christus heeft geleden en is gestorven voor mij aan het kruis".

Arm mens! op die tijd kon zij niet dulden iets dat op godsdienst geleek en toch kon ik de zegen, die ik ontvangen had, niet verbergen. Ik sprak met haar over de verschrikkelijke staat, waarin zij was en hoe vreselijk het voor haar zou zijn, daarin te sterven. Toen vertelde ik haar, hoe de Heere mij verschenen was, wat Hij voor mijn arme ziel gedaan had en willen lijden en hoe Hij nu al mijn zonden vergeven had.

Het arme mens dacht, dat ik buiten zinnen was, doch ik zei haar, dat ik niets zei dan de waarheid, dat al mijn zonden in werkelijkheid door mijn Zaligmaker Jezus Christus waren weggenomen en verzoend en dat ik van nu voortaan wenste te leven en te sterven, door Hem te loven en te aanbidden voor Zijn wonderlijke goedheid aan zo'n onwaardige bewezen.

In deze gelukkige stand van vrijheid, vrede en lofzegging, leefde ik maanden achtereen. In elk hoofdstuk van de Bijbel dat ik las, zag ik iets nieuws, en buitengewoon zoet en dierbaar was deze tekst aan mijn ziel : "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten; en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten". Jerem. 15 : 16.

In de hemel boven of op de aarde beneden, kon ik niets zien dan liefde, macht, barmhartigheid, genade en getrouwheid. Ik predikte Jezus Christus en Zijn dierbaarheid aan iedereen tot wie ik sprak, en onkundig als ik daarvan was, dacht ik, dat allen die naar de kerk gingen, zich met mij daarin wilden verheugen.

Maar helaas! ik was wonderlijk bedrogen; want op de eerste bidstond, die ik bezocht, wisten ze niet, wat ze van mij denken moesten. Ik vertelde hun, welke grote dingen de Heere voor mijn ziel gedaan had, hoe Hij mij bevrijd had van de vloek der Wet en een vloek voor mij geworden was, gestorven in mijn plaats; hoe Hij mijn overtredingen had verzoend, en mijn zonden weggenomen.

Toen ik hun deze zaken mededeelde en hoe God ze aan mijn ziel had bekend gemaakt, mij overtuigende, dat er nu geen verdoemenis meer voor mij was, en ik derhalve zo zeker was, dat ik naar de hemel ging, als dat Christus daar zelve was, toen wisten die arme schepselen niet, wat ze daarvan maken moesten. Er waren er, die er om lachten, anderen hadden medelijden met mij, weer anderen noemden het niets dan vreemd vuur, en sommigen waarschuwden mij, maar niet al te verzekerd te zijn. Ik hield ze bezig zo lang als zij wilden blijven en naar mij luisterden en verhaalde ze iedere bijzonderheid, hoe ik gesteld was en waar gelegerd, en hoe ik er aan gekomen was, en hoe gelukkig ik nu was. Ik kon de gehele avond wel daar gebleven zijn, want het was mijn spijs en drank om te vertellen, wat grote dingen de Heere aan mijn ziel gedaan had.

Nadat ik de kapel verlaten had en in het veld gegaan was, begon ik te overdenken, wat zij gezegd hadden en mijzelf de vraag te stellen of ze niet wel gelijk en de waarheid gezegd konden hebben.

Onder hen, dacht ik, zijn oude Christenen, die reeds vele jaren op de weg Gods geweest zijn. Zij moeten het gewis beter weten dan zo'n jonge dwaas als ik ben.

En voorzeker, het kan ook niet alles bedrog zijn. Kan ik bedrogen zijn in het gevoel van mijn last te zijn kwijt geraakt, en de vergiffenis van al mijn zonden verkregen te hebben? "Heere, heb ik mij bedrogen?" Ik viel op mijn knieën onder een heg en riep uit tot God: "Heb ik mij bedrogen, Heere? Ben ik te verzekerd? Is het vreemd vuur, Heere?"

Daarop daalde de Heere met zulk een goddelijke heerlijkheid in mijn ziel af in het schenken van opeenvolgende beloften, dat de Bijbel mij toescheen niets dan beloften te bevatten van het begin tot het einde toe, en die allen voor mij; zij schenen in het bijzonder voor mij gegeven en voor niemand anders. Ik had ook zulk een gezicht van de getrouwheid en heerlijkheid van God in de vervulling van Zijn beloften aan mijn ziel, en dat van eerst tot laatst, dat ik geheel overstelpt werd door de invloeden van hemelse blijdschap, en voor enige tijd nauwelijks wist of ik in of buiten het lichaam was.

Toen ik van de grond opstond, trof het mijn aandacht, dat het dezelfde plaats was, waar de duivel mij zo menigmaal verzocht had, een eind aan mijn leven te maken; en o, wat huppelde en zong ik en spotte met de liegende duivel, ja daagde hem uit, uit zijn hol te komen. Ik tartte hem in zijn aangezicht, hem zeggende, als hij niet uit zijn hol kwam, hij dan niet durfde. Ik schold hem met allerlei min-liefelijke namen. Ik was zo gelukkig en op mijn gemak, dat ik mij gevoelde als kon ik door een troep van duivelen gaan, uitroepende: "In de naam des Heeren zal ik ze vernielen". Ps. 118: 10. (Eng.vert.) O, hoe bewonderde ik des Heeren goedheid, bewezen aan zo een, die onwaardig was de minste Zijner goedertierenheden! "Als dit nu vreemd vuur is", riep ik uit, "laat mij er dan nog meer van mogen hebben. Als dit al te verzekerd is, laat mij er dan in leven en sterven. Mijn God en mijn Zaligmaker, Gij zijt mijn deel, mijn rotssteen, mijn schuilplaats, mijn Vriend, mijn Verlosser. O, mijn lieve, lieve, lieve Jezus, Gij zijt de schoonste onder tienduizend en al wat aan U is, is gans begeerlijk". Hoogl. 5 : 16. Hoe ik thuis gekomen ben, weet ik niet, want door het juichen, loven, danken en prijzen van de Heere, was het morgen geworden eer ik aankwam.

De volgende keer, dat ik met dezelfde mensen samenkwam, begon ik na afloop van de bidstond hun mijn ontmoetingen te vertellen, die ik de avond van de vorige bidstond gehad had op mijn weg naar huis toe.

Ik zei, dat ik op het veld was nedergeknield en de Heere gevraagd had, of ik mij valselijk verzekerd en mijzelf bedrogen had, en of alles vreemd vuur was geweest. Verder hoe de Heere mijn gebeden beantwoord had en met zulk een heerlijkheid in mijn ziel was afgedaald, waarbij Hij mij toonde, dat al de beloften van de Bijbel voor mij waren; ja, dat ik toen zo verzekerd en overtuigd was, dat ik een kind van God was, en dat al mijn zonden vergeven waren, als dat er een God is.

Ik bleef er bij, dat Hijzelf het mij gezegd had, en met tranen van blijdschap in mijn ogen, verzekerde ik hun, dat zelfs op het ogenblik, dat ik tot hen sprak, ik het verzoenend bloed van Christus in mijn ziel gevoelde, en overtuigd was, dat ik verlost was geworden van de vloek der Wet; ja, dat de Wet nu niets meer met mij te doen had, daar Christus al haar geboden voor mij had gehoorzaamd.

Ik zei hun, dat ik in mijn ziel gevoelde, dat de Wet, die mij vervloekt had in mijn in-, en uitgaan, in mijn nederliggen en in mijn opstaan, dit mijn arme ziel zo tot verschrikking geweest was, dat ik vreesde, dat God mijn ergste vijand was, nu van tegenover mij was weggenomen; want nu kon ik God beminnen, Zijn Wet beminnen, daarin mijn vermaak hebben en mij verheugen in het gezicht, dat zij in mijn lieve Jezus verheerlijkt werd. .

Ik zei, dat ik de Wet gevraagd had, of zij iets tegen mij had, waarop zij zeer vergenoegd geantwoord had: "Verlos dezen, dat hij in verderf niet nederdale, want ik heb verzoening gevonden", Job 33 :24, en zeide ik: "van deze zaken ben ik een levend getuige".

Een van hen, die beweerde mijn vriend te zijn, zeide mij, bang te zijn, dat ik Antinomiaan worden zou.

"Antinomianen", zei ik, "wat zijn dat voor mensen? Ik heb de naam nooit gehoord".

"Het zijn zulken", antwoordde hij, "die loochenen, dat de zedelijke Wet een regel des levens is voor de gelovige, en dit is een vreselijke leerstelling, die de deur opent voor allerlei zonden".

"Zedelijke Wet", zei ik, "wat wil dit zeggen?"

"Het is de heilige en rechtvaardige Wet van God", antwoordde hij, "waarin Hij ons beveelt Hem lief te hebben en te gehoorzamen".

"Wat", vroeg ik, "bedoelt gij de Wet, waarvan Paulus zegt : "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen"? Neemt gij die Wet als uw regel des levens?"

Ja zeker doe ik dat", zei hij, "en die dat niet doen, zijn Antinomianen".

"Dan ben ik een van die Antinomianen", zei ik, "maar geloofd zij God, Hij heeft mij van die Wet verlost. Christus heeft ze voor mij gehoorzaamd, een vloek voor mij geworden zijnde, en alles volbracht voor mijn arme ziel".

Ik vroeg hem, hoe hij de Wet bevond te zijn, welke uitwerking zij in zijn gemoed teweegbracht en hoe hij daarvan verlost was geworden. Hierop wist hij niet te antwoorden, maar hij hield vol, dat de gelovigen aan de Wet gehoorzaamheid verschuldigd waren, zowel als te geloven in Christus.

Ik bleef er bij, dat er een gehoorzaamheid was en een gezegende gehoorzaamheid ook, maar in Christus; een gehoorzaamheid, die mijn ziel goed deed, God behaagde en de Wet zelf eer aandeed. Door deze zijn al mijn zonden vergeven, de duivel te niet gedaan en zij doet mijn ziel huppelen van blijdschap.

Verder zei ik, dat ik voor geen duizend werelden één enkele zonde zou willen doen, als ik het kon voorkomen, want het was mijn spijs en drank de wil te doen van mijn God en Zaligmaker, die zulke grote dingen voor mij gedaan had.

"Toen ik onder de Wet was, had ik geen gehoorzaamheid, doch was vol toorn, oproer en ellende; en somtijds gevoelde ik zulk een woede in mijn hart, dat ik de Almachtige van Zijn troon zou hebben kunnen rukken, omdat Hij mij geen onredelijk schepsel geformeerd had, dat niet moest verschijnen voor een zo heilige God, Die de schuldigen geenszins onschuldig houdt. Doch nu verlost van de vloek der Wet, en hebbende de liefde van de Heere Jezus Christus uitgestort in mijn hart, kan ik in Hem geloven, Hem gehoorzamen, Hem loven, danken en aanbidden nacht en dag".

En ik stond er op, dat ik nooit wist, wat het zeggen wilde, de zonden te haten, God lief te hebben, en een vermaak te hebben in Zijn wegen, totdat Zijn vergevende liefde en de toepassing van Zijn bloed in mijn hart genoten werd; en dat ik overtuigd was, dat dit niet de Wet zelf was, maar Christus Jezus, mijn God en mijn Zaligmaker, die de Wet gehoorzaamd had in mijn plaats. Doch van deze dingen wist hij niets af; en inderdaad ontmoette ik niemand, die veel kennis had van de weg, door welke ik geleid was geworden, alsook van de heerlijke vrijheid, die ik genoot.

En waarlijk, hoe kan ook iemand ingaan in dingen, die hij niet gezien heeft?

"Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid". 2 Cor. 3: 17.

Het verwonderde mij, dat zij, die zo lang Christenen waren, niet zagen, wat ik zag en gevoelde; en toch wat ik hen ook zeide van de weg, waarin God mij geleid had, de gevangenschap waarvan Hij mij bevrijd had, en van de liefde en het vermaak in Zijn wegen, die ik ondervond, het had geen uitwerking op hen, dan alleen, dat het hen deed toornen en razen tegen mij, en dat zij de mensen waarschuwden niets met mij te doen te hebben. Op al hun bidstonden en bij al hun predikaties was ik tegenwoordig, met ongeduld de tijd wachtende, om de kinderen Gods te kunnen ontmoeten en hen te vertellen, welke grote dingen God aan mijn ziel gedaan had. Ik stond er verbaasd over, hoe zij zich op een afstand van mij konden houden, terwijl ik hun gemeenschap zocht. Enigen van hen konden zelfs niet verdragen, dat ik daar kwam, ja, een er van zei mij op zekere avond, dat hij wenste, dat ik maar weg bleef, daar ik niets dan verwarring stichtte, en hun vrede verstoorde; derhalve hoopte hij, dat ik niet meer komen zou. Ik zei hem, dat het niet mijn bedoeling was, hen lastig te zijn of in verwarring te brengen, maar dat het mijn begeerte was, Jezus groot te maken en te verhalen welke grote dingen Hij voor mijn ziel gedaan had, door in mijn plaats te lijden en de Wet te gehoorzamen. En hoe dierbaar mij nu Zijn bloed was, en hoe ik nu gevoelde de blijdschap, en Hem lof en dankzegging waardig keurde, voor Zijn genade aan mijn ziel bewezen, die lag onder de vloek der Wet, en niets verwachtte, dan verdoemenis.

"En is dit niet wonderlijk", sprak ik, "dat de lieve en dierbare Jezus, gezegend zij Zijn Naam, tot mijn arme ziel is gekomen, al mijn zonden vergeven en in mijn plaats de Wet gehoorzaamd heeft.

Zij zeiden daarop, dat zij dachten, dat ik bedrogen was.

"Hoe kan zulks zijn?" sprak ik. "Ik heb Zijn vergiffenis in mijn hart".

Ik verzekerde hen voorts, dat ik getracht had, mijn zonden terug te roepen en mij weder te brengen onder de schuld en last daarvan, doch tevergeefs. "Want", zei ik, "zulke zoete woorden als deze vloeiden daarop in mijn ziel: "Uw zonden zijn u vergeven". Luc. 7 : 48. "Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Jes. 1 : 15. "Ik heb al uw zonden achter Mijn rug geworpen". Jes. 3 : 17. "Uw geloof heeft u behouden, gaat heen in vrede". Luc. 7 :50. Ik verzekerde hun, dat ik de helft van de dierbare teksten der Schrift niet kon opnoemen, die mijn dierbare en beminnelijke Jezus, de gehele dag door, tot mijn ziel sprak.

"En hoe kan ik daar van zwijgen?" zei ik. "Indien ik zweeg, de stenen zelfs zouden haast roepen".

Hoe meer ik echter van de dierbare Heere Jezus en van de heerlijke dingen, die Hij voor mij gedaan had, sprak, hoe meer zij mij haatten en schuwden, ja ik geloof waarlijk, dat sommigen van hen mij wel duizend maal meer haatten dan de duivel. Zij vertelden aan enige predikanten, die ik gewoon was met hen te horen, dat ik Antinomiaan geworden was, en de zedelijke Wet als de regel mijns levens loochende. Dit werkte uit, dat alle belijders, aan wie ik destijds kennis droeg, het oog op mij hielden, ja mij als een zeer gevaarlijk mens beschouwden, omdat ik zulk een gevoelen omhelsde. Ik herinner mij een predikant, een dominee Ely, van Bury, die als de gelegenheid zich voordeed, een van hun huizen te Radcliffe Bridge wel eens bezocht.

Op zekere tijd, toen hij daar gepredikt had, kwam hij naar mij toe, om mij te overtuigen van mijn dwaling. Hij sprak zeer lang met mij, maar van wat hij voortbracht, begreep ik helemaal niets. Doch ik vertelde hem, dat ik gedurende maanden onder de Wet geweest was en haar vloeken en verschrikkingen in mijn ziel ondergaan had, op zodanige wijze, dat ik nacht én dag niets anders ver, wachtte dan verdoemenis, totdat ik dominee Roby, deze woorden hoorde lezen: "Hij heeft de gevangenis gevangen gevoerd, enz." Ik vertelde hem voorts van de vergiffenis, blijdschap en vrede die in mijn ziel kwam, en van de talrijke plaatsen der Schrift, die met kracht werden toegepast en dat ik sedert die tijd niet meer onder de Wet was. Voorts vroeg ik hem, wat zijn bevinding geweest was, toen hij onder de Wet was en hoe hij daarvan verlost geworden was. Ik zei hem verder, dat als hij een dienaar van Jezus Christus was, hij deze zaken toch moet gekend hebben.

Hij werd echter boos en zei dat ik een leermeester wilde wezen, één die te wijs was om door mijn leraars onderricht te worden. Maar ik antwoordde hem, dat de lieve Jezus mijn leermeester was, Die mij gezegd had, dat al mijn zonden vergeven waren, Die voor mij aan het kruis gestorven was, mij Zijn handen en voeten getoond had, en dat ik wist, dat Hij was mijn Heere en mijn God.

"Ik heb Hem in mijn hart", zei ik, "zelfs op dit ogenblik en Hij is mijn ziel dierbaar".

Daarop zei dominee Ely, dat hij medelijden met mij had, en dat het hem speet, om mijnentwille, en dat hij voor mij wilde bidden, daar hij vreesde, dat ik vreselijk misleid geworden was.

Nadat hij was heengegaan, begon ik mijzelf voor enige ogenblikken af te vragen: "Ben ik verkeerd?" Al deze goede mensen, die zo lang op de weg geweest zijn, zelfs ook godzalige leraren, zij allen geloven, dat ik dwaal. Zij allen zijn vast besloten, niets met mij te doen te hebben! Waarlijk, ik moet ongelijk hebben.

"O, Heere", riep ik uit, "heb ik het inderdaad mis? Ben ik inderdaad op een dwaalspoor? Is het van U geweest? Ben ik Uw kind? Zijt Gij mijn Heere en mijn God? Hebt Gij geleden en zijt Gij gestorven en hebt Gij de Wet gehoorzaamd voor mij en in mijn plaats?"

En o, hoe zoet verscheen de Heere wederom aan mijn ziel! Ik kreeg zulk een gezicht van Zijn persoon, van Zijn beloften, van Zijn lijden en heerlijkheid, dat er geen plaats voor twijfel of vrees overbleef. Inderdaad, gedurende twaalf maanden was het voor mijn ziel bijna niet anders dan blijdschap en vrede, verwachtende, hopende en wensende, dat de tijd spoedig daar zou zijn, dat ik sterven zou, om voor altijd bij mijn lieve Zaligmaker te zijn. Gedurende deze twaalf maanden zijn er drie bijzondere stonden geweest, dat de liefde Gods zo krachtdadig in mijn hart was uitgestort, dat ik waarlijk niet wist, of ik in of buiten het lichaam was. Eén van deze stonden herinner ik me zeer juist, was op de dag des Heeren, toen ik na kerktijd van Manchester terugkeerde. Ik gevoelde mij zeer gelukkig en opgeruimd in mijn ziel, maar zwak en uitgeput naar het lichaam en daarbij buitengewoon hongerig.

Toen kwam er zeer krachtig in mijn gemoed: "Ja, en gij weet dat gij niets te eten hebt, als ge thuiskomt, en geen duit zult ge hebben om wat te kopen, vóór gij morgen uw werk hebt thuisgebracht".

Dit deed mij voor een ogenblik stilstaan. "Wat zal ik doen?" dacht ik, maar de Heere kwam met enige dierbare gedeelten uit Zijn Heilig Woord en deed ze in mijn ziel druipen als honing uit de honingraat; ja zij waren zoeter dan honingzeem en wel duizend maal schoner dan gouden appelen in zilveren gebeelde schalen! "De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door de mond Gods uitgaat". Matth. 4:4. "Zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis". Jes. 33 : 16. "Het vee op de duizend bergen is mijne en al het goud en het zilver". Ps. 50: 10. Het scheen alsof de gehele Bijbel geopend werd van het begin tot aan het einde en dat God mijn God was en dat er geen zegening was die ik nodig had, hetzij voor lichaam of ziel of ik had ze allen in de belofte en zou ook in het bezit daarvan gesteld worden, als het nodig bleek. Hij die het beloofd had, was God, en Zijn beloften faalden niet. Ik werd ook geleid om te zien dat alle deze gezegende beloften voortsproten uit Zijn liefde; en ik had zulk een indruk van Zijn eeuwigdurende liefde, genade en vriendelijkheid, dat ik niet kon blijven staan, maar genoodzaakt was op de grond te gaan liggen. Hoe lang ik hier nederlag weet ik niet, maar dit weet ik, dat de barmhartigheid, liefde, genade en heerlijkheid Gods zeer heerlijk in mijn ziel scheen en ik God ernstig smeekte mij tot Hem te nemen of Zijn hand wat terug te houden, daar de heerlijkheid voor mijn lichaam te veel om te verdragen was. Toen de heerlijkheid een weinig geweken was, stond ik op en ging op weg huiswaarts, Zijn dierbare Naam zingende, lovende, aanbiddende, en zegenende voor zulke onvergelijkelijke en onderscheidene liefde aan een zo onwaardige als ik was. O, dacht ik, wat plaats moet wel de hemel zijn? O, zijn dit maar druppels, wat moet de fontein zelve zijn?

Ik riep: "O, tijd, vaar heen, talm niet, maar breng mij spoedig tot die Jordaan des doods, waar mijn ziel deze arme lemen hut ontvlieden zal, die nu te zwak is om zelfs de druppelen van mijns Zaligmakers heerlijkheid te kunnen verdragen".

"O dood, o dood! wanneer zult gij komen? Welkom zij uw tegenwoordigheid! O gelukkige boodschapper, verhaast uw spoed, en ontbind mijn ziel, opdat ik vliede tot mijn God en mijn Zaligmaker en daar drinke onsterfelijke genietingen!"

O, dacht ik, welk een heerlijkheid zal ik daar verkrijgen, wanneer ik zal ontdaan zijn van dit lichaam van vlees en bloed! Ik zal voor eeuwig bij de Heere wonen en nooit meer zondigen tot in alle eeuwigheid. O, wat had ik een hemelse reis naar huis toe. Toen ik thuis kwam, bemerkte ik, dat mijn vrouw verschillende benodigdheden geleend had, zodat we een kop thee hadden en nog genoeg voor het ontbijt van de volgende dag. Dit stelde mij in staat des morgens vroeg op te staan, mijn stuk werk af te maken en thuis te bezorgen, alles wat ik doen moest, aleer wij een middagmaal zouden kunnen krijgen.

"O, loof de Heere", riep mijn ziel uit, "hier is mijn brood en water volgens Zijn belofte".

Spoedig daarop begon de Heere Zijn vertroostingen, beetjes bij beetjes, in te houden en ik begon te ontdekken, dat ik niet meer zulke vertederingen des harten, noch zulk een vrije toegang tot Hem had als voorheen. Het woord van God was mij niet zo dierbaar en donkerheid begon zich over mijn geest te verspreiden. Ik las de zoete gedeelten van Gods Woord, die tot hiertoe zo dierbaar voor mijn ziel geweest waren, doch zij waren mij niet meer zo zoet. Wat dit alles te beduiden had, kon ik niet zeggen; en zulke boze gedachten begonnen in mijn hart te werken, dat ik geheel verbaasd was.

"O", riep ik uit, "wat kan er schelen? Voorzeker, werden mij al mijn zonden vergeven, zij werden weggenomen door de dood van Christus. Wat beduidt dit?"

Ik liep tot de Bijbel en wederom las ik de oude beloften, die mij voorheen zo zoet geweest waren, ik las ze met al de ernst en gebed, die mij mogelijk was; maar helaas; geen enkele vertroosting kon ik uit die allen halen.

"Wat mag de oorzaak zijn?" dacht ik, "gewisselijk moet ik mijn plicht verzaakt hebben, anders kon ik niet in deze staat zijn".

Toen besloot ik mijn werk van het gebed te maken, totdat ik weer dezelfde vertroostingen als voorheen genieten zou, maar helaas! hiertoe kon ik niet komen, want verschrikkelijke gruwelen rezen op in mijn hart en deden mij vrezen. En hoe meer ik besloot ze te onderdrukken, des te meer kwamen ze te voorschijn. De vrees begon mij aan te komen of ik mij niet bedrogen had, of ik niet te verzekerd was geweest en of alles geen vreemd vuur geweest was. Over deze dingen was ik bezig dag bij dag en het scheen al erger en erger te worden.

"O", dacht ik, "die waarde Christenen zeiden mij dat ik bedrogen was en dat het zou uitkomen wie ik was en zij waarschuwden de mensen zich niet met mij in te laten, ja, die waarde leraar Ely zei mij, dat ik in een verschrikkelijke dwaling stak, en al wat zij zeiden en geloofden, overkomt mij nu. O, dat ik nooit één woord daarvan tot iemand gezegd had! O, dat ik nooit mijn mond had opengedaan, dan zou niemand iets van mij geweten hebben en alles zou vrede geweest zijn! Maar de gehele parochie weet, wat ik van mijn godsdienst gezegd heb".

Ik geloof waarlijk, dat er nooit zo'n dwaas geweest is, met zijn vertroostingen als ik was, "want ik kon bijna in geen huis ingaan of ik vroeg hun of zij wedergeboren waren, en zei hun, als zij dit niet leerden kennen, zij dan gewis verloren waren. Ik kon niet anders dan iedereen, die met mij spreken wilde, vertellen, dat ik wedergeboren was, en wat God voor mij gedaan had, en dat ik er zeker van was, dat ik naar de hemel ging".

Behalve dat, was ik gewoon te spreken over mijn verdrukkingen en beproevingen in de weg der voorzienigheid, kortom, het een op het ander, totdat ik bijna ten einde raad door allen rondom mij, gehaat werd, hetzij belijders of ongelovigen, erger nog dan de duivel.

Maar mijn grootste smart was, dat ik Gods toelachingen missen moest. Ik behield niets dan zuchten en kermen, dagen en nachten door, totdat ik werkelijk begon te geloven, dat ik bedrogen was en dat ik alles opgeven moest. O, hoe schreeuwde mijn arme ziel tot God: "Heere, indien ik waarlijk de Uwe ben, verschijn dan eens weder aan mijn arme ziel en zeg tot haar: Ik ben uw heil".

Ten laatste sprak de Heere weer zegenend met veel kracht en zoetheid der woorden : Ja, Ik heb u lief gehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid". Jeremia 31 : 3.

Toen was alles in één ogenblik weer goed; vreugde en blijdschap kwamen in mijn arm en bedroefd hart en met vrolijkheid kon ik toen zingen : "Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukkingen des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen, maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep". Ps. 22 :2,5.

O, hoe werd mijn ziel ingeleid om een weinigje te zien van Zijn onveranderlijke liefde en getrouwheid. Ik zag, dat welke verandering ik ook ondervinden mocht, Zijn liefde en getrouwheid dezelfde bleven.

Waarlijk, dacht ik, ik zal nooit meer wantrouwen Hem, Die weer aan mij verschenen is.

Maar helaas! deze gestalte duurde niet lang, want spoedig had ik nieuwe oefeningen zowel in voorzienigheid als in genade.

Op die tijd had ik twee kleine kinderen, terwijl het derde stond geboren te worden. De handel ging zeer slecht, en de levensmiddelen waren duur; meelbloem kostte vijf à zes stuivers per pond en andere zaken naar verhouding. Het waren wat wij noemden "gersttijden", want voor de armen was er nauwelijks iets anders te krijgen dan gerst; zodat onze tafel vrij schaars voorzien was. Toen mijn vrouw in arbeid was, hadden wij geen dertig cent in kas en geen twee schellingen waarde aan levensmiddelen in huis. Ik was verplicht om een dokter te halen; maar hoe ik enig geld moest krijgen of waar ik het zou moeten lenen, wist ik niet. Terwijl ik naar de dokter ging, deed ik niets dan uitroepen: "O, Heere, wat zal ik aanvangen? Gij, o Heere, weet hoe het met ons gesteld is. Als het U belieft, lieve Heere, wijs mij wat ik doen en waarheen ik gaan moet".

Zodra ik mijn boodschap bij de dokter gedaan had, kwam mij plotseling in de gedachte, dat ik zou gaan naar de meester voor wie ik werkte, en hem vragen of hij mij zes gulden lenen wilde.

Hij woonde te Manchester, en voor dat doel ging ik er naar toe, de gehele weg tot de Heere biddende, of Hij des mans hart openen wilde om het mij te lenen, daar toch het hart van alle mensen in Zijn hand was. Toen ik bij mijn meester kwam en hem vroeg, mij die gunst te willen verlenen, haalde hij zonder enige ontevreden of knorrige blik zes gulden te voorschijn, en ik zag, dat hij dit zelfs met genoegen deed, want ik bespiedde hem nauwkeurig. Toen bemerkte ik, dat de Heere mij vóór geweest was, want het was zijn gewoonte niet aan zijn wevers geld te lenen. Ik zag, dat dit alles des Heeren werk was en o, wat een dankbaarheid gevoelde ik tot Hem, dat Hij des mans hart geopend had!

Als ik van de winkel de straat inging naar huis toe, en de Heere prees en loofde voor Zijn onverdiende goedheid aan mij, die de minste aandacht van God of mensen ten uiterste onwaardig was, ontmoette ik plotseling bij het oversteken van de weg een man, die ik van aanzien kende, omdat ik hem dikwijls gezien had in de Kapel in de Mosleystraat, waar ik veel ter kerk ging. Zijn naam was mij onbekend, maar toen hij tegenover mij kwam, zegende hij mij in de naam des Heeren en gaf mij de hand.

"God zegene u", zei hij, en ging ijlings voort, terwijl hij mij midden op straat zeer verbaasd achterliet, omdat ik bemerkte dat hij mij zes gulden in de hand gestopt had. Ik stond daar een hele poos, God bewonderende, prijzende en lovende, en ongetwijfeld had ik daar nog langer gestaan, had niet een koetsier, in een rijtuig zittende, mij een dwaas genoemd en mij gezegd, uit de weg te gaan.

Toen ik om mij heen keek, bemerkte ik voor het eerst, dat er een aantal mensen bij elkaar geschoold mij aanstaarden, in twijfel naar ik veronderstel, of ik niet ontvlucht kon zijn uit een krankzinnigengesticht. Toen ik naar huis ging, zag ik zo spoedig mogelijk uit de stad te komen, en wat had ik een gezegende reis! De bomen zelfs schenen de handen samen te klappen!

"O", riep ik uit, "kan ik wel ophouden met mijn lieve Zaligmaker te zegenen, loven, danken, verhogen, vertrouwen en te beminnen! O, Gij hebt grote dingen voor mij gedaan, daarom ben ik verblijd".

Toen ik thuis kwam, bevond ik, dat mijn vrouw gelukkig verlost was en dat het wel met haar ging. Ik had nu genoeg geloof, om op God te vertrouwen voor nog meer, indien wij het nodig hadden; want ik geloofde waarlijk, dat het mij onmogelijk zou zijn om God bij vernieuwing te wantrouwen, ziende welke grote dingen Hij voor mij gedaan had, en dat op zo wonderlijke wijze. Spoedig daarop had ik echter werk genoeg voor mijn geloofsvoorraad. Mijn huisbaas stond er op, dat ik het huis zou verlaten, omdat hij de vertrekken waarin wij woonden, naar hij zei, voor zichzelf nodig had; ik zou dan in de kelder gaan wonen, waar ik toen mijn weefgetouw had en gewoon was te weven. Daar ik hem enig geld voor huur schuldig was, voldeed ik daaraan, maar mijn vrouw, nog maar pas bevallen, had zoveel te lijden van de vochtigheid van die plaats, want het was inderdaad een treurige plaats om in te slapen, dat zij bijna het gebruik van haar handen verloor, zodat zij slechts zelden in staat was, zichzelf of het kind aan te kleden. Met de werkzaamheden ging het nu zeer slecht en de levensmiddelen waren ontzaggelijk duur. Wij hadden drie kinderen en hadden er een maand of zes geleden eentje verloren.

Eén gebeurtenis, die omstreeks deze tijd plaats had, zal ik wel nooit vergeten. Eén week hadden we een zeer schrale portie voedsel, niet voldoende om ons door die week heen te helpen. In de hoop, om, indien mogelijk, op Zaterdag mijn stuk af te krijgen, werkte ik zeer hard; maar dit harde werken en dan bij gebrek aan voedsel, wat in hoofdzaak gerst was, putte mijn krachten zo uit, dat ik door zwakte verplicht was om vrijdags mijn werk neer te leggen; en toen hadden we geen stukje voedsel meer in huis. Het was een somber tafereel, geen stukje brood noch voor man, vrouw of kind; en mijn vrouw nog met een kind aan de borst. Heb ik ooit van mijn leven gebeden, ik deed het die avond, dat de Heere onze honger wilde wegnemen en ons voldaan ter ruste doen gaan. En ik geloofde, dat de Heere mijn gebed verhoorde, want de arme kinderen verzochten naar bed te mogen gaan en spraken met geen enkel woord over iets te eten; en hiervoor was ik zeer dankbaar. Doch mijn bekommering ging over de volgende morgen, wat mijn huisgenoten betrof.

De volgende morgen stond ik zeer vroeg op en werkte zo lang, totdat ik verplicht was mijn weefgetouw te verlaten. Ik kon nauwelijks gaan of staan, zo uitgeput en zwak was ik. Mijn arme vrouw, even zwak en ziekelijk als ik, barstte in tranen uit en riep: "O, wat zullen wij beginnen? Ik kan niet langer leven; ik zal gewis van gebrek sterven!" En ik zelf was zo gedrukt, beide in lichaam en ziel, dat ik waarlijk geloofde, dat dit ons lot zou zijn. Maar wat mij het meeste trof, was dat mijn oudste kind, ongeveer vijf jaar oud, met tranen langs zijn wangen biggelend, mij aanzag en uitriep : "Vader, geef mij wat brood, o mijn vader toe, geef mij wat brood".

Ik dacht dat ik zou hebben gebarsten van smart.

"O", schreeuwde ik uit, "moeten mijn kinderen voor mijn aangezicht sterven van gebrek en kan ik ze niet helpen?"

Ik vluchtte in een plaatsje onder de keldertrap, viel voor God op mijn knieën en smeekte de Heere, met alle krachten mijner ziel, om mijn leven weg te nemen.

"O Heere, neem mijn leven van mij; laat mij sterven; want hoe zal ik aanzien de dood van vrouw en kinderen?"

Terwijl ik op mijn knieën lag, God aanroepende om mijn leven weg te nemen, kwamen deze woorden met grote kracht en nadruk in mijn ziel: "En zij aten allen en werden verzadigd; en zij namen op, het overschot der brokken twaalf volle korven". Matth. 14: 20. En wederom werd het herhaald: "En zij namen op het overschot der brokken, twaalf volle korven".

Ik deed alle moeite om het uit mijn gedachten weg te krijgen.

"Wat", zei ik, "kan dit woord op mij betrekking hebben, in onze aangelegenheid? Het kan niets met mij uitstaande hebben".

Ik bleef enige tijd hierover nadenken, maar het gehele verband van die woorden kwam mij krachtig voor de geest, hoe de Heere vijf duizend in de woestijn gespijzigd had met vijf broden en twee visjes, en zij allen verzadigd werden. Voorzeker, dacht ik, is Hij nog de machtige om ons met vis en brood te voeden, zowel nu als toen. En die dierbare tekst vloeide in mijn ziel met zulk een licht, leven, vrijheid, kracht en heerlijkheid: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid". Hebr. 13:8. Dit verkwikte mijn ziel en versterkte mijn geloof dermate, dat ik er zo zeker van was, dat onze behoeften vervuld zouden worden, als er een God was. Ik stond van mijn knieën op, zo sterk in ziel en lichaam als een reus, en vertelde aan mijn vrouw, dat de Heere zekerlijk ons iets zou zenden om te eten, en wel zeer spoedig ook. Zij wilde nu weten, op welke wijze en wanneer.

"Het doet niets ter zake", zei ik, "op welke wijze en wanneer; ik weet, dat het geschieden zal en mijn ziel kan God loven nog eer het vervuld wordt".

Even daarna klopte er een man aan de deur en ik ging opendoen. Het was een herenknecht. "Jan", sprak hij, "mijn meester heeft wat haringen gekocht om uit te delen onder zijn fabrieksvolk. Ik heb geen opdracht om u er enige te brengen, maar toen ik hier langs kwam, dacht ik er twaalf bij u te laten, als gij ze wilt aannemen".

Ik was zo overweldigd, dat ik nauwelijks tot de man spreken kon. De goedheid, barmhartigheid en vriendelijkheid van mijn lieve Heere scheen zo helder hierin, dat ik in het wonder mijzelf geheel verloor. Terwijl ik hierover nog verbaasd stond en de goedheid van God tegenover zo'n onwaardige worm bewonderde, liet een buurman twee broodkoeken brengen. Ik dacht, dat mijn ziel uit mijn lichaam haar vlucht zou genomen hebben in de heerlijkheid tot mijn dierbare Jezus. Ik onttrok mij in het kleine paleis onder de keldertrap, dezelfde plaats, waar ik enige uren te voren God gesmeekt had, mijn leven van mij te nemen. En o, wat was dit een hemelse plaats! Nadat ik God gedankt had, waren enige van de vissen spoedig gereed, en namen wij aan tafel plaats, terwijl wij allen weenden.

"Komt mijn geliefden", sprak ik, "wij houden nu een middagmaal van hetzelfde voedsel, als Jezus en de vijfduizend in de woestijn". En ik geloof, dat Jezus met ons aan tafel was. O, de aangenaamheid van die vis en dat brood! En o, hoe wonderlijk scheen de goedheid en barmhartigheid des Heeren mij toe, door vis en brood als het voedsel der ziel te schenken in de belofte, en dat het eerste voedsel voor het lichaam ook vis en brood moest zijn. De vis was zo aangenaam en lekker, dat we al gauw een heel gat in de twaalf gemaakt hadden. O, hoe was mijn arme ziel aangedaan onder de goedertierenheden des Heeren! Het overige van de dag werd doorgebracht met niets anders dan lofzegging, aanbidding en verheerlijking van God voor Zijn wonderlijke uitredding.

Toen de avond kwam trachtte de duivel mij in de ellende te brengen, door mij in te werpen, dat de vis en het brood bijna op waren, en wat dan te doen voor morgen? Doch het geloof was op die tijd hem te sterk. Ik werd in staat gesteld hem met blijdschap en bemoediging te zeggen, dat Jezus Christus Dezelfde was, en gisteren en heden en morgen, ja tot in eeuwigheid. Ja, dat Jezus als het Hem behaagde ons een overvloed schenken kon voor de morgen en dat ik geloofde, dat Hij het ook doen zou.

De volgende morgen, zijnde de dag des Heeren, was ik zeer vroeg op. Ik deed een wandeling in het veld, terwijl mijn ziel zoetelijk vernederd was onder de goedheid van God, en de gezegende bewustheid omdroeg, dat Hij met mij zijn zou en mij verzorgen. O, wat had ik een zoet gezicht van mijn Verbonds-God, in al de werken Zijner schepping, voorzienigheid en genade. Ik zag, dat het ten enenmale onmogelijk was, dat mij enig ding, dat werkelijk noodzakelijk voor mij was, zou onthouden worden, als het voor God was, hem zelf te verloochenen. O, hoe staarde ik de hemel aan in zijn heerlijkheid en de aarde in haar versiering!

"Wel", sprak mijn ziel, "deze God die de hemelen heeft uit, gebreid en deze aarde wonderlijk geformeerd, met al wat daarop leeft! wel! deze God mijn Vader? Kan het mogelijk zijn, Heere, dat de arme Jan Warburton Uw kind zij, en dat ik U noemen moet mijn Vader?"

O, wat ging mijn ziel in liefde tot Hem uit! Ik zei Hem in mijn onnozelheid precies zoals het bij mij lag, dat, als ik Hem door Vader te noemen, beledigde, ik zou trachten het niet te doen. Doch hoe mij onder deze gewaarwordingen daarvan te onthouden, wist ik niet. Maar gezegend zij Zijn dierbare naam, Hij was door mij niet beledigd, want Hij toonde mij, dat Hij mijn God was van eeuwigheid en dat Hij mij verkoren had van voor de grondlegging der wereld. O, wat had ik een zoet gezicht, dat Christus mijn natuur in vereniging met Zichzelf had aangenomen en geworden was vlees van mijn vlees en been van mijn benen.

"Welaan", zei ik, "dan kan ik U ook broeder noemen".

Ja, ik had zulke heerlijke inleidingen in Zijn naam, ambten en bloedverwantschap, dat ik in heilige verwondering was opgetogen en de tijd geheel vergat.

Toen ik thuis kwam, vond ik daar twee of drie personen, die ons dikwijls op zondag kwamen bezoeken. Zij hadden deze morgen enige benodigdheden meegebracht, de een dit, de ander wat anders, zodat we wel voorzien waren voor de gehele dag. God opent de vensters des hemels en laat de barmhartigheden over mij regenen, dacht ik, zo rijkelijk vervult Hij al onze behoeften.

O, wat werd mijn arme ziel weggerukt met lof, en dankzegging aan God voor Zijn wonderlijke vriendelijkheid aan mij, de onwaardigste en minste van al Zijn heiligen, de grootste der zondaren, bewezen!

En wat was het mij wonderlijk, dat de predikanten, die ik gewoonlijk hoorde, nooit spraken van deze heerlijke en wonderlijke uitreddingen, die God beide in de voorzienigheid en in de genade, aan Zijn volk bewijst.

Maar ik werd spoedig gebracht om de reden daarvan te verstaan - namelijk, dat ze ten enenmale vreemd waren aan deze uitreddingen. En hoe konden ze ingaan in dingen, die ze niet kenden, die hun ogen niet gezien, hun handen niet getast, hun oren niet gehoord hadden, en waarop hun zielen nooit onthaald waren geworden? Hadden zij deze dingen ondervindelijk in hun zielen gekend, zij hadden daarvan moeten spreken. Zodra ik tot de ontdekking kwam, dat zij van deze dingen niets afwisten in hun eigen zielen, verklaarde ik niet te kunnen geloven, dat God ze gezonden had om te prediken en dat zij derhalve blinde leidslieden waren, wolven in schaapsklederen. Dit verbitterde hen en hun aanhangers zozeer tegen mij, dat zij zelfs het gezicht van mij niet verdragen konden of mijn naam horen noemen.

"O, ijselijk!" zeiden enigen van hen, "hebt gij gehoord wat Jan Warburton van onze waarde leraar zegt? Hij zegt, dat God hem nooit heeft uitgezonden om te prediken, en dat bijna alle leraren, die in onze kerk komen prediken, blind en doof zijn".

"O", riep een van de vroomsten uit, "ik wilde, dat hij dood was, want er is geen vrede waar hij komt".

"Ja", zei weer een ander, "ik wou dat hij uit het land was".

Maar toch bleef ik bij mijn bewering, dat als God ze gezonden had, zij moesten komen met de boodschap van God, de voetstappen der schapen opsporen, de stenen des aanstoots uit de weg doen, de gebaande weg aanwijzen en de banier voor het volk opheffen. Een of twee van het volk begonnen te zien, wat ik zag en te geloven, dat hun leraars de weg niet kenden. Dit verbitterde hen des te meer.

"Wel", zeiden ze, "hij heeft het hoofd van hen vergiftigd. Er zal nooit vrede kunnen zijn, waar hij komt".

Toen poogden zij zich in woede tegen mij te stellen, maar dit hinderde mij niet zeer. God gaf mij zulk een moed en vrijheid om van tijd tot tijd mijn consciëntie voor hen allen vrij te maken met een "Alzo zegt de Heere", dat ze mij niet konden weerstaan, noch leraar noch leden. Somtijds dacht ik, laat ik er toch geen notitie van nemen, wat de leraars zeggen en trachten te zijn net als de rest; en zijn er dan dingen, die mij niet aanstaan, wel, laat ik die voor hen laten en tenminste mijn tijd wat vrediger doorbrengen. Volg ik dit op, zo redeneerde ik, dan zal ik meer vrienden hebben, en dit zal mij ten goede komen, aangezien ik zeer arm en dikwijls in moeilijke omstandigheden ben. Maar als ik de leraar weder ging beluisteren en ik hoorde hem dan met zijn "behoren te doen", zijn "moesten doen", "konden doen" en zijn "plicht te doen", dan rees mijn hart tegen zulk een leerstelling op. Niet zo spoedig was ik dan uit de kerk of ik gevoelde het mijn plicht er op in te slaan en het in stukken te trekken. Daarmede zette ik alles in vlam en werd er dan ook geloofd, dat het een onvergeeflijk iets was, de leraar te weerstaan. En dan ik, die zo arm was en in een kelder woonde! Die niet half zijn buik vol eten kreeg en nauwelijks kleren had om zich te bedekken! En dan ik alleen van al het volk, zou het ondervinden om te zeggen dat de leraar het mis had, dát was niet te verdragen! Doch het grootste verdriet voor hen was, dat zij mij niet uit het veld konden slaan met het woord van God.

O, wat bespiedden zij mijn uit- en ingaan; wensende met hun ganse hart, dat zij eerlang in staat mochten zijn te zeggen: "Aha, zo wilden wij het hebben".

Maar God gaf mij een tedere consciëntie, zodat ik in staat gesteld werd, zij het in een geringe mate, naar het Evangelie te leven, daarmee voor de dag te komen en dit te verdedigen. Wat schold ook hun vrome leraar mij menigmaal op de preekstoel als een blind ijverend Antinomiaan, wat woedde en raasde hij tegen mij! Kort daarop echter kwam het uit dat deze vrome leraar zich wat al te vrij had ingelaten met een vrouw, om welke reden hij uit zijn bediening ontslagen werd. De onbetekenende Antinomiaan doorstond de storm, zonder dat hem iets deerde, en werd vriendelijk bewaard van een smaad te leggen op de waarheid.

Maar ik moet terugkeren tot de blijdschap die ik had in het beschouwen van de goedheid Gods, door het hart van deze mensen te bewerken dat ze ons in zulk een tijd van nood zo milddadig wilden gedenken. De een bracht wat boter en suiker, een ander een stuk brood, weer een ander wat aardappelen en varkensvlees. O, wat werd mijn tong losgemaakt om God te loven! Want we werden zo rijkelijk voorzien als koningen en prinsen. Wat meer is, ik benijdde niemands positie op aarde, want ik had alles wat mijn ziel en lichaam wenste, - genoeg levensmiddelen in huis en liefde Gods in mijn hart en dat maakt inderdaad rijk en voegt er geen smart bij. De volgende dag kreeg ik mijn werk af en kon weer andere levensmiddelen kopen.

Waarlijk, dacht ik, ik kan nooit zo'n genadig, barmhartig, lankmoedig en getrouw God, Die mij zo vriendelijk tot op deze dag geleid heeft, meer wantrouwen. Maar ik heb altijd in dit tranendal ondervonden, en ik geloof, dat dit mijn ervaring zal zijn zo lang ik leef, dat als ik een zoete dag van voorspoed beleefd had, een dag van tegenspoed daarop volgde.

De volgende beproeving die mij overkwam, was inderdaad een zeer scherpe. Mijn huisbaas wilde mij uit zijn kelder hebben, naar ik veronderstelde, omdat hij vreesde, dat ik nooit de huur betalen zou. En zeer zeker was er op die tijd ook weinig uitzicht om dat te kunnen doen, want mijn vrouw, die een vruchtbaar schepsel was - veel te vruchtbaar naar het oordeel van sommigen als de tijdsomstandigheden en onze positie wel toelieten - was weder in blijde verwachting. Mijn huisbaas liet mij ontbieden, en zei mij, dat hij gaarne had dat ik zijn huis verliet en dus een ander huis zag te krijgen, want dat hij de kelder nodig had als werkplaats voor zijn weefgetouw.

Ik zei hem, dat ik trachten zou zo spoedig mogelijk een andere plaats te krijgen, en inderdaad deed ik ook lange tijd mijn uiterste best daartoe. Het scheen echter, of er niemand was die er een wilde verhuren. Tenslotte verloor mijn huisbaas al zijn geduld en zei mij, dat hij de werkplaats nodig had, en hij er inderdaad bezit van nemen wilde, of ik een huis had om er in te gaan, ja dan neen. Daar ik hem vier pond voor de huishuur schuldig was, riep hij de gerechtsdienaar in om een inventarisstaat van mijn weinige huisraad te maken. Dit was inderdaad zeer weinig, zodat, al was het verkocht geworden, toch weinig zou hebben opgebracht.

Toen begon de duivel, het ongeloof en vleselijke redenering hun werk te doen. Ik dacht: nu is het met mij gedaan. Ik moet vier pond huur betalen en ik bezit geen vier stuivers om af te kunnen doen. Binnen enige dagen zal mijn bed, mijn weefgetouw, zelfs borden en lepels worden verkocht. Ik kende ook niet één vriend, die mij aan tien schellingen zou kunnen helpen.

"Wat moet ik doen", riep ik uit; "waarheen zal ik mij wenden? Wat zullen mijn vijanden van vreugde opspringen, die op mijn hinken wachten! Nu zullen zij zeggen: Zo wilden wij het hebben".

Doch de grootste beproeving voor mij was, dat God Zijn aangezicht verborg. Ik beproefde in elke weg geld te krijgen, doch alles tevergeefs. Ten laatste ging ik naar de armenverzorger van de parochie, maar hij deelde mij mede, dat ik niet tot zijn parochie behoorde doch tot de naastbij gelegene. Hij gaf mij een schelling en zei dat hij mij en mijn huisgezin de volgende dag naar mijn eigen parochie brengen zou. Hierin had ik helemaal geen zin, maar ik was verplicht hieraan toe te geven. O, wat bracht ik een nacht door! En hoe was mijn hart als vaneen gescheurd! O, dacht ik, wat zullen belijders en goddelozen zich verheugen, als ik in de werkinrichting ben opgenomen! Toch had ik nog een klein hoopje, dat misschien de armenverzorger mijn huur betalen zou, liever dan dat ik in het armhuis terecht kwam. De volgende dag kwam de armenverzorger en ik, mijn vrouw en drie kinderen, gingen met hem. Het was een reis van drie mijlen, die wij al wenende aflegden.

Toen wij daar aankwamen, vonden wij de armenverzorger niet thuis en moesten wij dus wachten, tot hij kwam. Zijn vrouw was zeer knorrig tegen ons, doch mijn ziel was zo in de laagte, dat zij haar schoenen aan mij kon hebben afgeveegd, en ik zou het niet belet hebben.

Ten laatste zei ik haar, dat het zeer jammer was, dat wij in de noodzakélijkheid geplaatst waren geworden om haar lastig te vallen, doch dat het de wens van mijn hart was, indien het de wil van God mocht zijn, zij nooit komen mocht in de toestand, waarin wij nu waren.

Daarop werd zij zelfs aangenaam, en haalde voedsel voor ons, ja zo gedienstig betoonde zij zich, dat het mij geheel deed opleven, want ik bemerkte daaruit, dat de Heere het hart in één ogenblik vermurwen kan, en zelfs vijanden medelijden kan doen hebben met Zijn volk in gevangenschap.

Des avonds kwam de man thuis en als ik hem mijn jammerlijke toestand vertelde, hoorde hij mij met veel geduld aan, en zeide, dat het hem zeer leed deed. Voorts zei hij, dat hij mijn huur niet kon betalen, en dat het het beste zou zijn weer te keren en, zo mijn goederen zouden verkocht worden, ik maar naar hem komen moest, dan zou hij mij opnemen in het werkhuis. Hij gaf mij twee en een halve schelling en zo kwamen we thuis. Het verwonderde mij intussen, dat de man mij twee en een halve schelling had gegeven; want we hadden geen leeftocht in huis. Wat maakte ik daarop weer een nacht door! Bij tijden kon ik niet anders denken, dan in zwarte wanhoop weg te zinken. Wat zal het de kerk waartoe ik behoor, dacht ik, toch smarten te horen, dat ik gedwongen ben in het werkhuis te gaan!

De kerk waartoe ik behoorde, was een van de "lndependenten" (afgescheiden) richting, in de Mosleystraat te Manchester. Soms kreeg ik een weinig hoop, dat God nog een weg voor mij ontsluiten zou; en o, hoe dierbaar kwamen deze woorden in mijn gemoed: "Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten lichte maken, en het kromme tot recht". Jer. 42:16. En wederom: "Zijn brood wordt hem gegeven, Zijn wateren zijn gewis". Jes. 33 : 16.

Een paar dagen nadat ik het werk op mijn weefgetouw geëindigd had, bracht ik het naar mijn baas, die te Manchester woonde. Toen ik daar uit de winkel ging, viel mij plotseling in, dat ik een bezoek brengen zou aan een der diakenen van de kerk, die Ramsay heette, een kleermaker die te Shudehill woonde. Ik nam me echter voor, hem niets te zeggen van de omstandigheden, waarin ik verkeerde, want, dacht ik, het zal die mensen smarten te weten, dat zij een lidmaat in hun kerk hebben, die in zo'n toestand verkeert. Ik deed moeite de deur voorbij te gaan, doch kon niet; en zeer bevend klopte ik aan. Door de oude heer werd ik zeer vriendelijk ontvangen. Toch was hij verwonderd, dat ik nu eerst een bezoek bracht en hij vroeg hoe ik en mijn huisgenoten het maakten. Ik was voor dat ogenblik sprakeloos en barstte tenslotte in een vloed van tranen uit, want inderdaad dacht ik, dat mijn hart van smart zou vaneen gescheurd hebben.

Toen vertelde ik hem, dat mijn huisraad stond verkocht te worden, wegens huurschuld, en dat wij dan naar het werkhuis zouden moeten gaan. Verder zei ik hem, dat mijn grootste smart en droefheid daarover ging, dat de vijanden der waarheid zeggen zouden: "Zo wilden wij het hebben".

De oude man lachte en zei : "Vrees niet, Jan, uw goederen zullen niet verkocht worden".

"O! mijnheer", sprak ik, "Maandag aanstaande is het koopdag, en er is geen mogelijkheid, voor zover ik het bezien kan, dat dit zou voorkomen worden".

En weer barstte ik in een vloed van tranen uit, en wenste nooit tot hun kerk behoord te hebben, daar ik bang was, dat ze om mijnentwil gelasterd zouden worden. Het gemoed van de oude man schoot vol, zowel als van mijzelf; en hij kon zich niet langer bedwingen. Tenslotte vroeg hij, of ik mijnheer Clegg gezien had, een tweede diaken, waarop ik antwoordde, hem niet gezien te hebben.

"Wel", zei hij, "de heer Clegg heeft het geld al voor u klaar liggen en hij heeft u reeds verwacht".

"Hoe", sprak ik, "kan zo iets mogelijk zijn? O, wat zal ik doen, om God te prijzen en te loven?"

Mijn gewaarwordingen waren van die aard, dat ik nauwelijks had kunnen zeggen, hoe of waar ik was. Ik ging naar mijnheer Clegg, doch ik was zo aangedaan over de wonderdoende hand van God, dat het enige tijd duurde eer ik aan zijn huis was.

Hij zelf opende de deur en vroeg mij met een vriendelijke lach, hoe het met mij ging.

Ik was zo aangedaan, dat ik maar weinig spreken kon, en had slechts behoefte hier of daar alleen te zijn, om mijn hart te kunnen luchten. Hij vertelde mij, dat hij van mijn toestand gehoord had, en dat hij een gedeelte van het geld had ingezameld en de rest er zelf had bijgedaan. Nog veel meer zei hij mij, onder meer ook, wat een genoegen het hem gaf, dat hij het middel zijn mocht om mij uit de ellende te helpen. Mijn ziel was zo vol, dat ik niets kon doen dan wenen van blijdschap.

Ik had behoefte om in het vrije veld te zijn, waar geen oog mij zien, noch een oor mij horen kon, en waar ik de lof des Heeren kon uitgalmen met lichaam en ziel.

De oude heer gaf mij het geld en wij beiden weenden van blijdschap. O, de gewaarwordingen die ik had, toen ik buiten kwam met het geld in mijn zak en de liefde, barmhartigheid en heerlijkheid van God in mijn hart. Mijn ziel was waarlijk als een vat, dat opening behoefde. De eerst verborgen plaats, die ik vinden kon, nadat ik de straat was ingegaan, kroop ik in; en o, wat een lof, dankzegging en aanbidding vloeide er uit mijn hart en van mijn lippen tot God, voor Zijn wonderlijke en ongedachte uitredding.

O! het gezang van Mozes deed mijn ziel smelten en hoe dierbaar galmde ik het uit: "Ik zal de Heere zingen, want Hij is hogelijk verheven, het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. De Heere is mijn kracht en lied, en Hij is mij tot heil geweest; Hij is mijn God, dies zal ik Hem verheffen. O, Heere, Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht, Uw rechterhand, o Heere, heeft de vijand verbroken". Exodus 15 : 1, 2, 6.

Ik geraakte uit de stad op de een of andere manier, doch hoe, weet ik niet, want ik had zulk een gezicht van heerlijkheid te dragen, dat ik bij tijden de hand op mijn mond houden moest, totdat ik in het vrije veld kwam, waar niemand mij bespieden kon. Daar gaf ik lucht aan lichaam en ziel, somtijds huppelend en Zijn lof uitgalmend, somtijds op mijn knieën Hem zegenende en dankende. Ik noemde Hem bij al de kostelijke namen, die mijn ziel kon bedenken of mijn tong uitspreken en ik had zulk een overklimmend gezicht van de heerlijkheid Gods, beide in de voorzienigheid en in de genade, dat ik bij tijden niet wist, waar ik was of waar ik ging. Ten slotte kwam het in mij op, dat ik naar huis moest gaan en mijn vrouw doen weten de wonderlijke uitredding, die God voor ons gewrocht had. Toen ging ik zo vlug als mij maar enigszins mogelijk was naar huis toe, zingende, lovende, zegenende en verheerlijkende God uit geheel mijn ziel en al mijn krachten.

Tenslotte kwam ik thuis in mijn klein paleis, want het geleek mij meer een paleis kan een kelder te zijn. Ik bemerkte dat mijn vrouw weende en bijna uitgeput was door ontbering van noodzakelijk voedsel. Ik moest al dadelijk de wonderen, die God voor ons gedaan had, aan haar vertellen.

"Schep moed, vrouw", zei ik, "waarom ween je? God heeft ons de huur toegezonden tot op de cent af, en zelfs nog over. Ik heb het geld in mijn zak".

Onder het spreken trok ik het geld uit mijn zak en legde het op de tafel. Arm mens, toen zij het geld zag, viel ze bijna flauw. Op die tijd kende zij de Heere nog niet. Ik telde het geld en bevond, dat met hetgeen ik voor het werk getrokken had en hetgeen dat mij door de heer Ramsay ter hand was gesteld, alvorens ik de heer Clegg ging bezoeken, wij de huur konden betalen, en bijna nog twintig schellingen overbleven, om levensmiddelen te kopen. Beiden weenden wij als twee kleine kinderen. Ik zei haar, dat deze God mijn God was, en dat ik waarlijk geloofde, dat ik het beleven zou, dat Hij ook haar God zou zijn.

Nadat we iets gegeten hadden, ging ik naar mijn huisbaas, om hem de huur te betalen; doch hij zei, dat hij met de zaak niets meer te maken had; dat ik gaan moest naar de gerechtsdienaars en wat zij mij oplegden, moest ik betalen. Ik ging dus naar hen toe en vereffende de zaak met veel genoegen.

Gedurende verscheidene weken na deze gebeurtenis was ik zo bevoorrecht met de tegenwoordigheid en liefde van God, en vervoerd door zulk een gezicht van Zijn macht, trouw en goedertierenheid, dat mijn ziel veelal verkeerde boven de ledige dingen van deze verdwijnende wereld, en dat niettegenstaande het een zeldzaamheid was, als ik eens genoeg te eten kreeg. Doch als God stilt, wie zal dan beroeren? Job 34 : 29.

En waarlijk, mijn ziel heeft de waarheid van deze dierbare woorden, menigmaal ondervonden : "Beter is een gerecht van groen moes, daar ook liefde is, dan een gemeste os en daarbij haat". Spreuken 15 : 17. Menig keer heb ik ondervonden, dat de mens niet leeft bij brood alleen, maar bij alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat. Matth. 4 : 4. "Zijn gehemelte is enkel zoetigheid en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk".

Met veel inspanning en moeite gelukte het mij ten slotte de toezegging voor een huis te verkrijgen, staande in wat men noemt de Narrow-lane, nabij Besses-a'th'-Barn. Uit vrees, dat de man zijn woord in zou trekken, pakte ik al mijn bagage bij elkaar op dezelfde dag dat ik het huis huurde, want ik wenste op dezelfde wijze van mijn huisbaas af te komen, als hij wenste, dat hij mij kwijt was. Op deze tijd had ik geen enkele stuiver in de wereld en voor geen dertig cent levensmiddelen in huis. Ik had toen nog voor een paar dagen werk op mijn getouw, ik durfde echter niet in het huis te blijven tot het klaar was, opdat mijn nieuwe huisbaas niet van mijn armoede horen zou en mij beletten, in zijn woning te gaan. Ik rolde dus het stuk op de weversboom, en met behulp van mijn broeder, benevens paard en wagen, vertrokken wij met ons huisraad.

Toen we daar waren aangekomen en de goederen afgeladen hadden, begonnen wij behoefte te krijgen aan wat eten en drinken. Derhalve ging ik naar de herberg en vroeg de herbergier, of hij een weinig bier wilde geven, wat ik betalen zou als ik mijn werk had thuisgebracht. Ik vertelde hem, hoe de zaken met mij stonden; en zijn antwoord was : "Ja, gij kunt krijgen wat ge wenst".

Toen ging ik naar een winkelier, aan wie ik vertelde, wie ik was en hoe mijn zaken stonden en vroeg hem mij krediet te willen geven voor wat levensmiddelen. Ik zei, dat ik hoopte spoedig in staat te zijn, hem te betalen. Zijn antwoord was : "Gij kunt alles krijgen, wat gij wilt, voor zover het in mijn winkel is".

O, wat zag mijn ziel toe, als de Engel des Heeren zo wonderlijk voor mij handelde. O, hoe kan Hij toch een pad banen voor Zijn beproefde kinderen in tijd van nood! "O", riep mijn ziel uit, "Hij is een hulp in tijden van benauwdheden". Belofte op belofte vloeide in mijn hart, zodat zij in elk hoofdstuk van de Bijbel als druiventrossen mij toeschenen, die mijn ziel kon eten en genieten. O, hoe dierbaar bevond ik de taal van de profeet : "Als Uwe woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten". Jer. 15 : 16. Ik had nu alles wat mijn hart begeerde: levensmiddelen in overvloed, een gemakkelijk huis in vergelijking met de kelder, en de liefde, toelaching en genade van God vervulden mijn hart. O, wat een vreugde en blijdschap genoot ik voor enige tijd in mijn nieuwe woning! Alles scheen gedurende een lange tijd beter te gaan.

Op zekere nacht, korte tijd daarna, had ik een zeer opmerkelijke droom.

Het kwam mij zo voor, dat ik mijn moeder ging bezoeken, en op weg daarheen moest ik voorbij een boerenwoning. Toen ik de hoek van een veld, dat in de nabijheid van deze woning lag, om moest, dacht mij, zag ik plotseling een grote zwarte stier op mij afkomen, naar zijn bewegingen te oordelen, voornemens mij aan te vallen. Ik sloeg een andere weg in, om hem te ontwijken, maar ook daar ontmoette ik hem. Toen kwam ik op een pad tussen twee muren en ook daar verscheen hij; hij stortte zich met geweld op mij en sloeg mij tegen de grond. Ik lag daar enige ogenblikken ter neder, terwijl hij enige meters van mij verwijderd stond. Weer kwam hij naderbij, met de bedoeling, naar het mij voorkwam, om een eind aan mijn leven te maken.

Nu dacht ik, dat het met mij gedaan zou zijn en ik op die plaats zou moeten sterven. Maar o, wat een geest des gebeds tot God, bemerkte ik in mijn droom, of Hij ook ditmaal met mij zijn wilde en mij kracht wilde verlenen, opdat ik als meer dan overwinnaar uit deze strijd mocht te voorschijn komen. Ik gevoelde mij in één ogenblik zo sterk en moedig als een leeuw. Toen hij uit alle macht op mij afkwam met de bedoeling mij op te nemen en in de lucht te gooien, vatte ik hem bij de horens, de een met mijn rechter- de ander met mijn linkerhand en scheurde hem vaneen, van de kop tot de staart toe, en sloeg beide stukken tegen de grond aan weerszijden van mij. Toen zette ik mijn rechtervoet op het ene en mijn linkervoet op het andere stuk en juichte in triomf : "En verblijdt u niet over mij, o mijn vijandinne; wanneer ik gevallen ben, zal ik wederom opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn". Micha 7:8.

Met deze dierbare woorden in mijn mond ontwaakte ik uit mijn droom, en gedurende enige tijd kon ik zelfs nauwelijks geloven, dat het een droom was geweest. O, de zwaarte, waarmede dit gezicht mij weken achtereen op het hart lag. Ik geloofde stellig, dat het een teken was van een op handen zijnde scherpe beproeving. Doch bij tijden en ogenblikken ontwaarde ik een weinig hoop in mijn hart, dat God mij daar doorheen zou helpen, omdat ik in mijn droom de overwinning behaald had.

En zo gebeurde het ook.

Kort na deze droom werd mijn vrouw zeer ziek, en in plaats van dat er beterschap intrad, werd het steeds erger, zodat ik ten slotte genoodzaakt werd een dokter te halen. Toen de dokter kwam en haar zag, zei hij ons, dat zij een zeer ernstige koorts had. Hij gaf ook strenge opdracht niemand in huis toe te laten, dan alléén één persoon om haar op te passen.

Toen hij mij dit gezegd had, zonk mijn ziel vademen diep. "Wat zal ik beginnen", riep ik uit, "met de arme kinderen?"

Wij hadden er destijds vier; de levensmiddelen waren zeer duur, wij hadden reeds schuld bij de winkelier en waren zonder één vriend, die mij wat zou kunnen ondersteunen.

Zag ik op het werk, dat ik op het weefgetouw had, ik kon dit niet uitvoeren, want mijn vrouw werd zo ziek, dat ze gedurende verscheidene weken ijlde.

Wij hadden dan ook niet veel meer, dan wat de een of andere buur ons bracht, want de winkelier wilde niets meer borgen, voordat wij de oude schuld hadden afgedaan.

Op zekere avond werd mijn last mij bijna te zwaar om te dragen, daar mijn arme kinderen om brood schreiden voor ze naar bed gingen en er geen kruimel in huis was, om ze te geven. Zij waren dus genoodzaakt, het zonder te doen.

O, wat hitste de vijand mijn arme ziel op, dat God mij verlaten had.

"Gij hebt geen vijf cent in huis", zei hij, "uw vrouw zal er waarschijnlijk niet doorkomen, en uw kinderen sterven door gebrek aan voedsel, daarbij is de winkel voor u gesloten, want daar kunt ge voor geen duit waarde meer krijgen".

Wat zonk ik laag weg voor een ogenblik! O, wat kermde, zuchtte en worstelde ik, dat God borg voor mij wilde zijn!

"O, Heere", riep ik uit, "verschijn tot mijn hulpe! Laat mij nog eens wederom zien, Uw arm ontbloot voor mij, als de God der voorzienigheid".

En o, hoe dierbaar kwamen deze woorden in mijn hart, die alles in één ogenblik opruimden: "De raven brachten hem brood en vlees des morgens". 1 Kon. 17:6. O, welk een verrukking van blijdschap had ik op het ontvangen van deze woorden!

"Wel", sprak ik, "de profeet van God was in hetzelfde geval, waarin ik nu verkeer, en God zond hem door de raven vlees en brood?"

En ik geloofde vast, dat God evenzeer voor mij zou verschijnen als Hij verschenen was voor de profeet. O, welk een gezegende onderwerping en tevredenheid bracht dit in mijn arme ziel teweeg! Ik was hartelijk verenigd met mijn toestand en kon God loven voor mijn tegenwoordige verdrukkingen. Hoe zoet was mij dit woord: "De zegen des Heeren maakt rijk en Hij voegt er geen smart bij". Spreuken 10: 22. O, wat bevond ik de liefde en getrouwheid van een God des Verbonds een vaste grondslag om mij op te verlaten.

Vroeg des morgens werd er op de deur geklopt. Ik deed open en zag iemand tegenover mij die mij verzocht naar buiten te komen. Ik voldeed hieraan en toen vroeg hij mij, hoe het met mijn vrouw ging, en of wij wel levensmiddelen in huis hadden. Ik zei hem de waarheid en hoe het met ons gelegen was.

Hij vertelde voorts, dat hij de gehele nacht niet had geslapen, doordat hij voortdurende aan mij gedacht had, ook, dat hij mij nu zes gulden wilde geven, ofschoon hij van mijn godsdienst niet hield.

Ik zei hem, dat de Heere mijn omstandigheden kende en dat ik niet twijfelde of God had hem gestuurd. Voorts, dat ik hem dankte als het instrument waarvan God zich bediende, en zo ging hij weg. Toen hij was weggegaan verscheen God in Zijn dierbaarheid, heerlijkheid, hemelse grootheden, heerlijke Majesteit aan mijn ziel.

"O!" riep ik uit, "wie is een God, gelijk mijn God, die de raven gezonden heeft, om mij te voeden!"

Ik kon inderdaad niet anders zien dan de goedheid, barmhartigheid en vriendelijkheid van mijn God en Zaligmaker ter rechter-, en ter linkerzijde. O, de dierbaarheid van een wonderdoend God in zulke voorvallen als deze! Dit is waarlijk de duisternis ten lichte maken en het kromme tot recht: "Gij zijt Mijne getuigen, spreekt de Heere, dat Ik God ben". Jes. 43 : 12.

De tong kan Zijn heerlijkheid en eer niet uitdrukken, ja, des mensen taal is te arm om één duizendste deel van Zijn waardigheid en heerlijkheid te noemen:

"De woorden zijn slechts adem,
De tong is enkel stof.
Uw godd'lijk mededogen
Is boven alle lof".

Maar nu kom ik tot de opheldering van wat mij door de droom getoond werd.

Iemand van wie wij reeds geruime tijd onze levensmiddelen betrokken hadden, liet mij op zekere dag ontbieden en deelde mij toen mede, dat ik hem het geld, dat ik schuldig was, dit was bijna zeven pond, moest betalen, want hij moest het gebruiken.

Ik vertelde hem, hoe het met mijn zaken stond en reeds geruime tijd gestaan had, en verzocht derhalve een weinig geduld te willen oefenen, daar ik hoopte spoedig in staat te zullen zijn, hem het verschuldigde terug te geven.

Hij was zeer scherp tegen mij en zei, dat hij het geld door een of ander middel wel zou krijgen.

Dit gaf mij nieuwe werkzaamheden voor geloof en gebed.

De volgende Zaterdagmorgen, toen ik juist wederkeerde van de dokter, ontmoette ik de schuldeiser, die naar de markt ging. Hij bleef staan en vroeg mij of ik hem Maandag aanstaande wilde betalen, want indien ik hieraan niet voldeed, zou hij andere maatregelen weten te nemen.

Ik barstte daarop in een vloed van tranen uit, en verzocht hem medelijden met mij te hebben. Ik vertelde hem, hoe lang reeds de ziekte in mijn huis geweest was en dat ik geen stuiver in de wereld had; zei voorts, dat ik hoopte, dat mijn vrouw aan de beterende hand was en dat ik binnenkort in staat zou zijn enig geld te brengen, wat mij veel genoegen zou doen.

Doch hij keerde zich om en vloekte mij, zeggende dat als ik hem niet betaalde op Maandag, en hij leefde tot Dinsdag, hij de zaak in deurwaarders handen geven zou. Hiermee verliet hij mij en mijn arme ziel zonk vademen diep in één ogenblik. O, wat deden deze woorden mijn ziel laag nederzinken : "Want ik vreesde een vreze en zij is mij aangekomen". Job 3 :25. O! welk een dag van diepe ellende bracht ik door. Somtijds vreesde ik in zwarte wanhoop weg te zinken; ik kon net zo min geloven, dat God mij zou willen uithelpen dan dat ik een wereld kon scheppen. Mijn lichaam was zwak bij gemis aan rust en door gebrek aan voedsel; mijn kinderen stierven bijna van honger, mijn vrouw, een weinig beter zijnde, verlangde naar enig voedsel en de duivel brulde mij in de oren: "God heeft hem verlaten, jaagt na en grijpt hem". Ps. 71 : 11.

Daarbij kwam dat de toegang tot de genadetroon versperd was, de Bijbel een verzegeld boek bleek te zijn en de onbesnedenen met verheuging uitriepen: "Zo gaat het ons naar wens!"

Mijn knieën schudden onder mij, verrotting kwam in mijn gebeente, mijn lippen beefden en het was mij of ik ieder ogenblik zou neerzinken in de armen des doods. O, hoe schreide ik uit, "zodat mijn ziel de verworging kiest, de dood meer dan mijn beenderen", Job 7: 15.

Juist op de tijd, dat ik het diepst in de put zat, kwam mijn buurman, die in Manchester geweest was, mij bezoeken. Hij zei, dat hij die dag enige zaken gedaan had met een meneer Clegg, diaken van de kerk, waarvan ik lidmaat was.

Deze had hem gevraagd of hij iemand in zijn omgeving kende, die John Warburton heette, waarop hij geantwoord had, dat dit juist zo was. Daarop vroeg hij zeer nauwkeurig, of het goed met mij ging, er bij voegende, dat het verscheidene weken geleden was, dat hij mij in Manchester gezien had.

Mijn buurman vertelde hem, dat mijn vrouw zeer ziek was en dit al geruime tijd aaneen, en, voegde hij er aan toe: "inderdaad moet de arme man het zeer slecht hebben".

De oude heer was zeer verwonderd op deze mededeling en gaf de man een bijzondere opdracht mij te bezoeken, als hij thuis kwam, en mij de boodschap te doen, om de volgende dag naar Manchester te komen, daar hij mij gaarne eens wilde zien.

Bij het horen van hetgeen de man zei, gevoelde ik een weinig hoop in mijn ziel ontspringen en die dierbare tekst daalde met zoetheid in mijn hart: "Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezicht, en mijn God". Ps. 42: 12. O, welk een zoete toegang had ik tot God gedurende het grootste gedeelte van de Zaterdagavond! Mijn ziel kon nu alle zorgen op Hem werpen; en belofte na belofte vloeide dierbaar en zoet in mijn hart, en ik geloofde vast, dat de Heere het met mij maken zou.

Des Zondagsmorgens ging ik naar Manchester en ontmoette meneer Clegg, die zeer aangedaan was te horen, dat ik tyfus in mijn huis had en dat ik zo smartelijk beproefd was geworden.

Hij verwonderde er zich over, dat ik hem nog niet bezocht had, om eens te laten weten, hoe het mij ging, temeer waar hij mij toch reeds vroeger gezegd had, hem kennis te geven als ik mij in ongelegenheid bevond.

Derhalve verzocht hij mij eens nauwkeurig te zeggen, in welke toestand ik verkeerde.

Daarop vertelde ik hem, dat, mijn vrouw geruime tijd ernstig ziek geweest was, ook welke tijden van smart en blijdschap ik doorgemaakt had, waarop de oude man weende als een kind. Ik verklaarde hem ook de ongelegenheid, in welke ik door een schuldeiser gebracht was, doordat deze mij dreigde de volgende Dinsdag mijn huisraad te laten opschrijven. Bij het verhalen hiervan werd ik zo aangedaan, dat ik mij niet kon inhouden, maar uitriep : "O, meneer, meneer, mijn grootste smart is, dat ik bevreesd ben, dat de zaak van God om mijnentwil zal gelasterd worden".

De oude heer kon zich evenmin bedwingen, hij greep mij bij de hand en zei: "Waarde broeder, de Heere heeft mij genoeg gegeven, en gij zult het geld krijgen".

Hij verwijderde zich op hetzelfde ogenblik en bracht mij de gehele som, die ik schuldig was, met nog iets meer voor mijn onmiddellijke behoeften. Niet zo spoedig was het geld mij voorgelegd of dezelfde tekst, waarmee ik uit mijn droom ontwaakt was, daalde met zulk een kracht in mijn ziel, dat ik inderdaad moeite had, om deze in huis niet luid uit te roepen : "En verblijdt u niet over mij, o mijn vijandinne; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn". Micha 7: 8.

Ik verliet de oude heer, die mij wel duizend zegeningen toewenste, terwijl mijn ziel evenzeer hem toewenste alle barmhartigheden en zegeningen Gods, beide voor lichaam en ziel, in de tijd en de eeuwigheid.

Zo vlug mij maar mogelijk was, ging ik naar huis, want ik had mijn vrouw zeer terneergeslagen achtergelaten. Ik verlangde er naar haar mee te delen, welke grote dingen de Heere voor ons gedaan had, ofschoon zij op die tijd Hem niet kende als haar deel en eeuwig goed. Nu zag ik duidelijk mijn droom vervuld; ik zag wie de stier was; doch hoe hij ook in tweeën gespleten werd, kon ik niet uitvinden, en ook bekommerde ik mij daarover weinig.

Ik wist, dat de Heere een wonderlijke verlossing voor mij gewrocht had, en dat was mij genoeg. O, wat had ik een zoete reis huiswaarts! Telkens en telkens weer bekeek ik het geld, en zegende en dankte, aanbad en verheerlijkte mijn Verbonds-God, voor Zijn onuitsprekelijke goedheid aan een, die zo ellendig was, en niet waardig de minste Zijner barmhartigheden.

Ik kan niet uitdrukken de vreugde en blijdschap, de vernedering, liefde en verheffing mijns harten, daarvoor is mijn tong te arm.

Toen ik thuis kwam, vertelde ik mijn vrouw de trouw en goedertierenheid, die God ons bewezen had, in ons het gehele bedrag, dat wij schuldig waren, te schenken. Ik toonde haar het geld, en de arme ziel weende als een kind.

O, welk een hemelse nacht had ik, in het beschouwen van de eeuwige liefde, barmhartigheid, genade en vriendelijkheid van mijn God en Zaligmaker, zo mij te beminnen, te verkiezen, te roepen, te verlossen, te rechtvaardigen, te bewaren, te voeden, en te onderhouden, en dat aan zulk een arme, hulpeloze, vreesachtige, ongelovige en geringe ellendige.

Mijn ziel kon Hem al de eer geven. Niemand behoefde mij te zeggen, dat het mijn plicht en voorrecht tevens was Hem te kronen als de Heere van alles. Het was mijn spijs en drank uit te galmen: Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw naam geeft ere, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wille". Ps. 115 :1.

Des Maandagsmorgens ging ik naar de man, wien ik het geld schuldig was, en zei hem, dat ik mijn schuld kwam betalen, daar de Heere mij het geld geschonken had. Ook zei ik hem, dat ik meer genoegen had in hem te betalen, dan hij had in hetzelve te ontvangen.

Hij nam het geld tot zich en ging heen.

Des Vrijdags daarop volgend, zo ik mij wel herinner, werd zijn vrouw aangetast door de tyfus en stierf binnen enige dagen, hem achterlatend met een groot aantal kleine kinderen; en ofschoon hij toendertijd in goede doen was, werd in minder dan twaalf maanden alles verkocht, zijn kinderen in het werkhuis opgenomen, terwijl hij zelf broodsgebrek had. Alzo zag ik mijn droom ten volle verklaard.

O, dat mijn ziel nooit vergete de ongehouden goedertierenheden, die de Heere mij, arme worm, heeft willen bewijzen!

Gewis ben ik op aarde de grootste schuldenaar aan genade!

De vriendelijkheid van een goedertieren God en Vader is mij wonderlijk voorgekomen ten tijde, als ik in nood verkeerde, juist zoals er geschreven staat: "en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden". Job 19 : 20.

Als alle menselijke verwachting was afgesneden, verscheen Hij; als er geen vleselijke arm meer was om hulp te verlenen en niemand medelijden met mij had, dan heeft Hij Zijn arm ontbloot en heeft verlossing gewrocht, beide in de voorzienigheid en in de genade. Hij heeft altijd Hemzelven bewezen te zijn een God, die mijn gebed hoorde en beantwoordde en heeft mij nog nooit verlaten, niettegenstaande al mijn ongeloof, ellende en onwaardigheid.

Enige tijd naderhand ging ik tamelijk getroost mijn weg, voortdurend hopende en biddende, dat ik mijn God nooit meer wantrouwen of onteren mocht.

Waarlijk, ik geloofde in mijn ziel, dat ik nooit meer zou kunnen wantrouwen die God, Die zo dikwijls en op zo wonderlijke wijze mij had uitgeholpen.

Doch spoedig bevond ik, dat ik nog scherper beproeving door moest dan ik ooit in mijn leven ontmoet had.

Het behaagde God mij een verdrukking in het lichaam op te leggen. Ik werd veertien weken aangetast met de waterzucht, en zodanig, dat er menselijker wijze geen hoop was van herstel, zodat ik niet anders kon verwachten dan de dood. De duisternis in mijn ziel, waaronder ik twaalf of dertien weken verkeerde, is niet te beschrijven.

Dag na dag en nacht bij nacht werd doorgebracht in niets anders dan donkerheid, ongeluk en ellende. Ik begon te vrezen, dat al mijn voorleden ondervinding niets dan bedrog was geweest. De dood staarde mij in het aangezicht, de eeuwigheid was mij geopend en niet één belofte kon ik mij toeëigenen.

Als ik riep, scheen de hemel van koper, en ik geloofde waarlijk, dat al de vertroostingen en de blijdschap, voorheen door mij genoten, niet verder gingen dan dergenen die op steenachtige grond gezaaid waren.

Zag ik op mijzelf, dan scheen ik van God verlaten, om schipbreuk te lijden van het geloof en een goede consciëntie, opdat het openbaar zou worden, dat ik niets anders was dan een afvallige.

De verdorvenheid en goddeloosheid van mijn hart openbaarde zich in een opstand tegen God, dat ik over mijn gehele lichaam beefde.

Ik geloofde waarlijk, dat de duivel zelve bezit van mijn ziel genomen had. Ik kwam in zulk een ellendige toestand, dat ik bang was de Bijbel te lezen of te horen lezen, erger als had ik mijn handen in het vuur moeten steken. Aan al mijn vrienden zei ik, dat ik mij bedrogen had, en dat ik ook hen bedrogen had, ja, dat ik er zo zeker van was verdoemd te zullen worden, als dat ik wist, dat ik geboren was. O, de vreselijke lasteringen, die mij door de ziel gingen tegen de Heilige Drie-eenheid: Vader, Zoon en H. Geest, in het bijzonder tegen de H. Geest! Ik durfde er zelfs nu niets van te noemen.

Zo zeker ik geloofde in mijn eigen bestaan, zo zeker geloofde ik tegen de H. Geest te hebben gezondigd, en dat dit nooit zou kunnen vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomende.

Ongeveer een dag of drie voor ik hiervan verlost werd, was ik verplicht mijn hand op de mond te houden, opdat de vreselijke vloeken, die nu in mijn gemoed opkwamen tegen de H. Geest, niet naar buiten zouden komen.

O, wat schudde en beefde ik!

Soms stond ik verwonderd, dat God niet de aarde bevel gaf haar kaken open te sperren en mij te verzwelgen.

Nooit zal ik de dag van mijn uitredding vergeten. Ik was toen alleen in huis en daar ik in mijn lichaam een weinig beter was, kon ik het juist met behulp van een stok klaarspelen, door de kamer te wandelen, hetwelk ik echter deed al kreunende en zuchtende.

Bunyan's Christenreize lag op de tafel en toen ik dit boekje opende, viel mijn oog op de beschrijving van het gaan van Christen door de vallei der schaduw des doods.

Ik las daar van de verschrikkelijke tonelen, die hij daar zag, de vreselijke vloeken, die in zijn oor gefluisterd werden, totdat hij zo verstrooid werd, dat hij zijn eigen stem daarvan niet meer onderscheiden kon en begon te denken, dat hij zelf de Heere vloekte.

Mijn ziel begon te smelten en ik kreeg een beetje hoop, dat het dezelfde toestand was, waarin ik mij bevond.

Ik zag, dat ik het zelf niet was, die God vloekte, maar de duivel, die mij daartoe verzocht.

Ik viel op mijn knieën en stortte mijn ziel uit voor de Heere, Hem smekende, dat Hij nog eens wilde verschijnen voor mijn ziel en ik gevoelde een vrije toegang tot Hem, en een uitgang des harten, wat mij in geen vijftien weken was te beurt gevallen. Zou ik ooit de tedere barmhartigheid van een God des Verbonds kunnen vergeten, van Hem, Die mij verscheen als ik op mijn knieën voor Hem lag?

Hij verscheen met deze gezegende woorden, die gelijk een trompet door mijn ziel klonken: "En zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal". Lucas 18 :7, 8.

Deze woorden waren vergezeld met zulk een hemelse kracht, licht, leven en vrijheid, dat de duivel en zijn geschut als de bliksem heenvlood; en mijn arme ziel was als een vogel, ontkomen uit de strik des vogelvangers. Ps. 124:7. De strik was gebroken en ik was ontkomen. O, welk een verrukking van blijdschap ondervond ik! O, welk een liefde gevoelde ik tot mijn God en Zaligmaker, die de dood had overwonnen, en hem die het geweld des doods had, dat is de duivel! Hebr. 2: 14.

O, wat had ik kostelijke dagen en nachten van een zoete gemeenschap met de lieve Zaligmaker, Die mijn ziel zo wonderlijk uit het onderste van de kuil had opgehaald! Uit het volle van mijn hart kon ik zingen en juichen; "En Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald; en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode". Ps. 30:3, 4.

De schoonheid, majesteit, heerlijkheid en verhevenheid van mijn Verbonds-God en Zaligmaker, verscheen in zulk een verrukkelijk licht aan mijn ziel, dat ik in het wonder wegzonk. O, het aanschouwen van Zijn verbazende liefde, barmhartigheid en vriendelijkheid jegens zulk een ellendige, die in zwarte wanhoop was weggezonken!

Ik schatte mij geheel verloren; maar geloofd zij Zijn dierbare naam, Hij had mij niet verlaten. O, het licht, leven, en vrijheid, die ik enige weken genoot in mijn ziel! Nu was alles recht en goed.

Terwijl God mijn ziel verblijdde, ondervond ik de waarheid van dit woord : "Als Hij vrede geeft, wie zal dan beroeren!"

Doordat ik in mijn lichaam beproefd werd, hadden wij op deze tijd niets om van te leven, dan alléén wat God in het hart van deze of gene gaf, dat ze ons zouden brengen, waarbij dan nog kwam een kleine ondersteuning van de gemeente. Toch bracht elke dag zijn dagelijks brood; maar op welke wijze zou ik niet kunnen zeggen. O, wat heb ik verscheidene malen ondervonden, dat het beter is een gerecht van groen moes, daar ook liefde is, dan een gemeste os en haat daarbij. Pred. 15 : 17.

De Heere herstelde mij naar het lichaam en bracht er mij ook bij te zien en te gevoelen, dat al wat Hij deed, voor mij noodzakelijk was, en niets was dan goedertierenheid en teed're barmhartigheid. Ik kon Davids ervaring tot de mijne maken en zeggen: " 't Is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, want eer ik verdrukt werd dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw Woord". Ps. 119:71.

O, de zegeningen van een God des Verbonds in het ledigen en vervullen, ternederslaan en opheffen, wonden en helen, ontkleden en bekleden, afstoten en toelachen!

Ik heb inderdaad enigszins verstaan de waarheid van deze dierbare tekst : "En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid, dengenen die door dezelve geoefend zijn". Hebr. 12 : 11.

Mijn ziel heeft inderdaad ondervonden : "Bij deze dingen leeft men en in alle dezen is het leven mijns geestes". Jer. 38 : 16.

Doch wat kunnen ledige belijders der waarheid van deze dierbare zaken weten? Het is het derde deel dat God in het vuur brengt, en loutert gelijk men het zilver loutert en beproeft gelijk men goud beproeft. Het zal Mijn Naam aanroepen, en Hij zal het verhoren; Hij zal zeggen: het is Mijn volk; en zij zullen zeggen: de Heere is mijn God". Zach. 13: 9. Aldus zegt de Heere: "Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen". Jer. 43 : 21.

Hetgeen ik nu ga beschrijven, is mijn roeping tot de bediening des Evangelies, dat voor velen in mijn omgeving een wonder was, doch allermeest was het dit voor mijzelven.

Ik geloof dat de eerste beweging van God in mijn ziel, ten opzichte van het werk der bediening, geweest is toen ik werd gedoopt door die waardige Godsgezant, William Gadsby van Manchester. Gedurende vele jaren was ik overtuigd dat ik gedoopt moest worden, doch ik had met alle krachten in mij getracht, mijn gemoed gerust te stellen, zonder daartoe over te gaan en dat te meer, omdat ik een afkeer gevoelde om de afgescheiden kerk te verlaten, welker leden mij altijd zo vriendelijk hadden bejegend.

Ik dacht, dat het na zoveel bewezen vriendelijkheid enkel ondankbaarheid schijnen zou, als ik hen verliet; en daar ik ook voor die tijd geen Baptistenkerk wist, waarmede ik mij zou kunnen verenigen, achtte ik het mijn plicht te blijven waar ik was.

Enige tijd daarna kwam Ds. Gadsby te Manchester een dienst waarnemen in de Baptistenkerk, waarvan hij nu leraar is, en ik ging om hem te horen.

Mij dunkt, de eerste keer dat ik hem hoorde, zal ik nooit vergeten.

Toen ik de kerk binnentrad, dacht ik bij mijzelven, wat een armelijke, sombere, ellendige plaats is dit!

En toen het volk binnenkwam, gevoelde ik zo'n haat in mijn binnenste tegen hen oprijzen, als ik nooit te voren tegenover enig volk gevoeld had. Ja, het was zo erg, dat ik juist gereed was mijn hoed te grijpen en heen te gaan, toen dominee Gadsby op de preekstoel kwam.

Ik was ten zeerste verwonderd bij het gadeslaan van zo'n nietig en onbetekenend persoon (want zo scheen hij mij toe), die aanstalten maakte om te prediken. Ik verachtte hem met mijn gehele hart, want hij kwam mij voor als een onkundige dwaas, zonder gezond verstand.

Hij stond op en gaf een vers op om te zingen, maar het ging op zulk een langgerekte manier, dat ik inderdaad geloofde, dat hij niet lezen kon.

O, hoe rees de duivel in mijn hart op! Ik wenste zelfs dat de een of ander verwarring in de kerk maken mocht, want met alle genoegen zou ik hem uit de preekstoel hebben kunnen wegjagen. Mijn vooroordeel was zo sterk, dat toen hij in gebed ging, ik in werkelijkheid de klank van zijn stem haatte. Het scheen mij toe, dat hij stotterde en nauwelijks één woord uit zijn mond kon krijgen. Mijn gemoed kookte van woede en wel duizendmaal noemde ik mijzelf een dwaas om te komen luisteren naar zulk een man.

Toen hij zijn gebed, dat zeer kort was, geëindigd had, dacht ik: "arm schepsel, gij kunt nooit prediken, dat geloof ik vast"; en ik had een heimelijk genoegen in de hoop, dat als hij zijn tekst gelezen zou hebben, hij verplicht zou zijn aan het volk mede te delen, dat hij niet prediken kon.

De woorden van zijn tekst waren: "De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit de boze schat". Matth. 12 :35.

Hij was zo langzaam in ze voor te lezen, dat ik mijn hoofd liet zakken, om te trachten een dutje te doen.

Toen hield hij even op en ik keek wat er gaande was, en bemerkte dat hij zijn ogen eens goed door de kerk liet gaan en wel op zodanige wijze, dat ik geloofde, dat het hem in het hoofd scheelde.

De eerste woorden welke hij sprak waren : "Misschien zult gij gereed zijn te zeggen, dat wij volgens ons gevoelen op aarde geen mens vinden kunnen, doch met de hulpe Gods zullen wij dit trachten te doen en de Bijbel doorzoeken van Genesis tot Openbaring toe".

O, wat werd mijn vooroordeel als met één slag terneergeslagen. Mijn ziel smolt als was voor de zon, en ik riep uit: "God zegene U! De Heere helpe U de goede mens te vinden!"

Allereerst toonde hij aan dat er van nature geen één mens goed was, en o, welke diepten van des mensen verloren en ellendige staat bracht hij voor! Maar toen hij kwam beschrijven de goede mens, zoals deze stond in Christus, en de goede dingen die dan uit zijn hart werden voortgebracht, werd mijn ziel zo aangedaan, dat ik uitriep : "waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten, uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven". Ruth 1 : 16, 17.

Mijn ziel werd aan hem verbonden, zo vast als Jonathans aan Davids ziel, en mijn oren werden aan de deurposten genageld.

Nog nooit had ik mijn bijzonderheden, mijn op en neer, mijn dagen en nachten, mijn droefheid en blijdschap zo horen voorstellen. Was hij in mijn eigen hart geweest, hij had dit alles nooit duidelijker kunnen beschrijven.

Van die dag af ging ik in de Baptistenkerk en, o, welke hemelse tijden had ik als Dominee Gadsby predikte, want op die tijd was hij nog niet hun leraar. Toen hij andermaal kwam om te prediken, zo ik mij wel herinner, werd ik gedoopt, en ik was toen maar de enige, die gedoopt werd.

Wat had ik een dierbaar gezicht van de Heere Jezus Christus, toen ik in het water afdaalde! Door het dierbaar geloof zag ik Hem zinken in diepe wateren, waar Hij niet staan kon, en alle baren en golven van Goddelijke toorn Hem overstromen voor mijn arme ziel.

Nooit kan ik beschrijven de plechtigheid, ootmoedigheid, heilige verwondering, aanbidding, zelfvernedering en goddelijke droefheid die ik gewaar werd toen ik in het water stond.

Staande in het water, deed die waarde leraar Gadsby, voor hij mij doopte, een kort gebed tot God, en vóór hij de doopplechtigheid besloot, legde hij zijn hand op mijn schouder en smeekte de Heere, mij te zegenen, te beschermen, bij te staan en kracht te verlenen, en wat mij het allermeest verbaasde was, dat hij zijn gebed besloot met God te smeken, dat Hij mij als een instrument in Zijn hand wilde toebereiden, ter ere van Zijn naam, en ter verdediging van de Waarheid.

Ik geloofde en gevoelde in mijn hart, toen ik nog in het water stond, dat God hoorde en beantwoordde elk woord, dat van zijn lippen vloeide, en mijn ziel was zo verslonden in heerlijkheid, dat ik voor enige tijd niet wist, of ik uit het water opklom, om mij te weerhouden, aan de gehele vergadering te vertellen, wat ik gezien en genoten had van de dierbaarheid van mijn lieve Heere en Zaligmaker.

Naderhand was ik dezelfde niet meer. Ik had geen rust, maar was gedurig bezig met lezen, onderzoeken en bidden over het Woord van God; bij iedere gelegenheid, die mijn beroep mij toeliet, des morgens, 's middags en 's avonds. O, wat bevond ik bij tijden een aandrang des gebeds in mij, dat God mijn verstand wilde openen om de schriften te verstaan; en hoe menigmaal kwamen deze gezegende woorden van David met kracht in mijn ziel: "Ontdekt mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet". Ps. 119: 18.

Somtijds had ik zulke worstelingen met God, dat Hij mij wilde doen verstaan, de mening van Zijn gezegend Woord, dat beide ziel en lichaam zwak en krachteloos waren, en dan weer vloeide er zulk een licht en leven uit de tekst der schriftuur in mijn hart, dat het mij in een vlam van liefde tot God en Zijn volk bracht, en ik heb uitgeroepen: "O, Heere, hier ben ik, zend mij met een boodschap van genade en vrede tot Uw lieve kinderen, die in gevangenschap gehouden worden onder de Wet-predikers".,

Op deze tijd was Ds. Gadsby nog niet te Manchester, toch duurde dit niet lang meer.

Maar helaas! zag ik, hoe het mij ging in de weg der voorzienigheid, met nauwelijks schoenen aan de voeten, met een groot gezin, over hoofd en oren in de schuld stekende, veel malen mijn buik niet half vol eten, zonder degelijk onderwijs genoten te hebben, want ik kon maar net enige gedeelten van de Bijbel lezen, en nauwelijks behoorlijk mijn naam schrijven, dan riep ik uit: "Lieve God, wat kan dat voor mij zijn?"

Waarlijk, ik moet wel krankzinnig zijn, om over prediken te denken, zo'n dwaas als ik ben. Dan besloot ik, er mij verder het hoofd niet mee te vermoeien en ik deed dan ook al wat ik kon, het uit mijn gedachten te krijgen. Maar het ging eveneens als om te pogen een bron te ledigen, want het kwam nog vlugger weer in mijn hart, dan ik trachtte het van mij af te zetten.

Op zekere dag, als ik met de Heere worstelde, of Hij mij wilde bekend maken, wat dit alles beduidde en hoe het toch kwam, dat ik het niet uit mijn hart krijgen kon, en Hem vertelde hoe 'n onkundige dwaas ik was, die niet eens behoorlijk spreken kon, kwamen deze woorden, die God eens tot Mozes sprak, met zulk een kracht in mijn ziel, dat ik zeer verbaasd stond: "Wie heeft de mens de mond gemaakt? Of wie heeft de stommen, of doven, of zienden, of blinden, gemaakt? Ben Ik 't niet, de Heere? En nu gaat henen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat gij spreken zult". Exodus 4 : 11, 12.

O, wat smolt mijn ziel en bukte zij neder aan Zijn gezegende voeten en als een kind riep ik uit: "Wat zal ik, Heere? Wat, wilt Gij mij de mond openen? Wat! Wilt Gij mij onderwijzen wat ik spreken moet? Kan het mogelijk zijn, Heere? Is het van U, Heere? Is het van U, Heere, van Uzelven? Zijt niet boos op Uw kind, Heere! Het is zo'n statig en groot werk te gaan en te spreken in Uw grote naam. Ik ben bang, Heere, opdat ik niet zou lopen, aleer gij mij gezonden hebt. Laat niet toe, dat ik mijzelven of anderen bedrieg. Ik vrees, dat het geen werkelijkheid zijn kan. Is het in waarheid van U, Heere? Och zeg het mij, en maak het aan mijn ziel bekend".

Terwijl ik als een kind voor Zijn aangezicht smeekte, kwamen deze woorden met zulk een kracht en zoetigheid, dat ik voor enige tijd vast geloofde dat zij van God kwamen: "En vreest niet, want Ik ben met u, en weest niet verbaasd, want Ik ben uw God, Ik sterke u, ook helpe Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid". Jer. 41 : 10.

Wat een gezegende zoetheid en hemels vertrouwen brachten deze woorden in mijn hart!

Uw God om te verzorgen; uw God om te onderwijzen; uw God om uit te helpen; uw God om te ondersteunen en te schragen. Mijn ziel was overtuigd, dat in God alles was, waaraan ik zou kunnen behoefte hebben, beide in de bediening en voor mijn huisgezin, voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid.

Ik werd voor enige tijd wonderlijk begunstigd met een zoete gemeenschap en omgang met mijn God en Zaligmaker. Het woord van God was waarlijk een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Ps. 119: 105.

De Heere stelde mij in staat Hem alles toe te vertrouwen, dat Hij op Zijn eigen wijze werken wilde, en zo het Zijn wil en welbehagen was, de weg te openen op Zijn tijd.

Was het daarentegen niets dan vlees en bloed, hoogmoed des harten of een list des duivels, zo smeekte ik Hem van ganser harte, dat Hij het wilde verhinderen en teniet doen.

De grootheid en het gewicht van het werk en de afschuwelijkheid van te lopen eer ik gezonden was, lagen mij zo zwaar op het hart, dat het nacht en dag mijn ernstige verzuchting was, dat ik niet mocht bedrogen worden of het werk aanvangen, zonder Zijn gezegende goed, keuring en gunst.

Daarop werd ik weer erg gekweld met de vrees, dat het niets was dan vlees en bloed; want als ik ging nadenken wat een onkundige en ongeletterde dwaas ik was, hoe zou ik dan de mond Gods tot het volk kunnen zijn? En hoe zou ik de schriftuur kunnen openen, om de kinderen van God te voeden, met wijsheid en verstand, die zelf geen wijsheid bezat, doch een volkomen dwaas was? Waarlijk, dacht ik, moet het een begoocheling van de duivel zijn en ik moet geheel misleid zijn.

Dit bracht mij bij vernieuwing op mijn knieën voor God en ik mocht mij op Hem beroepen, Die het binnenste van mijn hart kende en voor Wie alles naakt en geopend was, ja met onbedriegelijke lippen kon uitroepen: "Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart en zie of bij mij een schadelijke weg zij". Ps. 139:23, 24. Ik smeekte Hem van ganser harte, dat als het niet van Hem was, Hij mij daarvan wilde ontlasten en verzoening doen over mijn zonde, door deze gedachte gehad te hebben.

Als ik met deze werkzaamheden in mijn gemoed naar de bidstond ging, werd mijn ziel vergund de Heere aan te lopen en Hem te vragen, dat als het Zijn heilige wil was, en Hij mij, zo'n dwaas, zwak en gering schepsel, verkoren had om het evangelie te prediken, Hij mij dan in deze avondstond bijzonder beliefde nabij te zijn, mij te zegenen met vrijmoedigheid in het gebed en het alles met zulk een kracht te doen vergezeld gaan, dat de harten van het volk verlevendigd zouden worden.

En ik zei Hem, dat dit door mij als een teken zou genomen worden of het van God was of van mijzelf.

Tot mijn verwondering en diepe verbazing mocht mijn ziel zo uitgaan in het gebed en had ik zulk een inzien in de barmhartigheid, goedheid, vriendelijkheid en liefde van God tot zulk een ongelovige ellendeling, dat ik nauwelijks wist hoe te eindigen. Mijn woorden vloeiden zo vrij, zo zoet en zo gevoelvol, dat ik mij geheel in de Heere kwijtraakte.

Nadat de bidstond geëindigd was, bleef ik nog enige tijd na, en mocht ik in de samenspreking veel vertellen van de goedheid, barmhartigheid en goedertierenheid van mijn Verbonds-God, in het uitredden, helpen en ondersteunen van zulk een onwaardige tot op dat ogenblik toe. O, wat gevoelde ik een zoetheid en vrijheid in het verhalen van hetgeen God voor mij gedaan had.

Een of twee van het volk werden er onder verlevendigd, en roemden de goedheid van God, Die op die avond blijkbaar in ons midden was geweest.

Vol blijdschap, troost en vrede ging ik naar huis en geloofde dat de Heere met mij was, en Zich betoond had te zijn mijn gebedshorend en gebedsbeantwoordend God; want mijn gebed zelf kon mij niet bevredigen, als er geen antwoord op volgde.

Ik heb het altijd bevonden, dat "een man blijdschap heeft in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd?" Spreuken 15:23.

Belofte op belofte vloeide in mijn ziel, de ene op de andere, dat Hij mij nooit begeven noch verlaten zou; dat Hij voor mijn aangezicht zou heengaan, mijn voor- en achtertocht wilde zijn, en alle instrument, dat tegen mij bereid werd, niet zou doen gelukken.

Mijn ziel was zo vol, dat ik de Heere zei, dat ik niets meer nodig had; ik kon Hem nu geloven en vertrouwen, ja als het Zijn wil en welbehagen zijn zou, wilde ik sterven voor Zijn eer en heerlijkheid.

Gedurende vele dagen was ik zeer gelukkig en getroost, met dat ik alles in Zijn gezegende handen kon overlaten.

Doch nadat de intieme omgang met mijn God en Vader had opgehouden, keerde ik weer tot mijn oude toestand en de duivel begon zijn oude werk.

"Hoe durft gij er aan denken, het werk der bediening aan te vangen? Let eens op het gewicht van het werk, op uw onkunde, op uw armoede, op uw schulden, waarop gij geen duit kunt afdoen, en gij hebt nauwelijks een lomp om uw rug of een schoen aan uw voet, dan alleen wat gij van een ander krijgt".

O, wat begonnen mijn knieën te schudden en mijn haren ten berge te rijzen! De koude rillingen liepen mij over de rug en ik beefde over het gehele lichaam. O! riep ik in de grootste verwarring en benauwdheid uit, wat heb ik gedaan? Heb ik verkeerd gedaan? O, hoe bad mijn ziel tot God, dat Hij het mij wilde vergeven, indien ik uit eigener beweging had beginnen te denken over het werk der bediening.

In deze toestand verkeerde ik geruime tijd. Somtijds deed zich een klein hoopje in mijn hart voor, dat mij voor enige ogenblikken ondersteunde, en dan weder zonk ik vademen diep, en riep uit: "Wat, denken om te prediken! O, mocht ik van de gedachte daar, aan ontslagen worden!"

Dan weder zond de Heere met zulk een kracht, een dierbaar gedeelte uit Zijn Woord in mijn ziel, dat mijn wil was uitgesloten, als maar God verheerlijkt mocht worden.

Toer, begon ik te geloven, dat het mijn plicht was, de werkzaamheden van mijn gemoed aan enige van Gods kinderen te vertellen en te vernemen, wat zij er van dachten. Misschien zou het mij zeer geruststellen, nadat ik hun mening gehoord had. Toch kon ik daartoe nooit komen, want ik geloofde zeker, dat als het van God was, Hij hen daarvan een indruk in het hart geven zou, zowel als in mijn hart, en dan immers zouden ze het mij zelf vragen? O, wat gevoelde ik dan een geest des gebeds, dag bij dag, dat God het mij wilde bekend maken of het van Hem was, door mij iemand te zenden, om te vragen of ik werkzaamheden had, omtrent het prediken, want ik was vast overtuigd, dat als God mij voor het werk bestemd had, Hij dan de weg openen zou, zonder mijn toedoen.

Hier bleef ik een lange tijd staan, biddende en uitziende op de goede hand Gods.

Maar op een Zaterdagmorgen geraakte ik onder een wolk van duisternis, een duisternis, om het zo te noemen, die getast kon worden.

Iedere belofte was verzegeld, en daarbij geen toegang tot God; gebrek in het huisgezin en geen vijf cent om in de behoeften te voorzien, en dan kwam de duivel mij zeggen, dat ik een dwaas zijn moest, om te durven denken aan prediken en te bidden, dat God mij iemand wilde zenden, om mij daartoe te verzoeken. O, mijn knieën stootten tegen elkander en ik was beschaamd over mijn gebeden!

Waarlijk, het kan toch niets dan hoogmoed en onbeschaamdheid zijn, redeneerde ik! Was het van God geweest, dan had Hij reeds, lang iemand gezonden.

Terwijl ik hier mee bezig was en niet kon geloven, dat het van God was, bracht een van de diakenen der kerk, die zo ik mij wel herinner Francis heette, een bezoek en verzocht mij een wandeling met hem, te doen. Toen we alleen waren, zei hij, dat hij mij wat wilde vragen en hij hoopte, dat ik hem oprecht antwoorden zou.

Hij vroeg mij: Jan, hebt gij geen werkzaamheden in uw gemoed gehad, omtrent het prediken?"

Ik stond versteld toen hij mij deze vraag deed, en was enige ogenblikken sprakeloos. Hij zag spoedig hoe het met mij gesteld was en toen vertelde hij, dat sedert ik mijn bevinding op de bidstond had meegedeeld, hij en ook anderen een indruk gekregen hadden, dat God mij bestemd had voor het werk der bediening, en dat zij sindsdien hadden uitgezien wat God met mij doen zou. "Hoe meer wij het een onderwerp van ons gebed maakten", zei hij, "des te meer vrijheid en toegang wij vonden, en wij geloven zeker, dat Hij u voor het werk der bediening bestemd heeft".

Bij stukjes en beetjes haalde hij mijn gehele hart uit, en ik vertelde hem mijn gemoedswerkzaamheden, die ik vanaf de tijd, dat ik gedoopt werd, gehad had.

Verder zei hij mij, dat enige der vrienden waren overeengekomen, om één keer per week een persoonlijke bijeenkomst in huis te houden, en dat elk van hen op zijn beurt, als de Heere hen daartoe in staat stellen wilde, zou spreken over een tekst der Schrift. Hij voor zichzelf wilde zich niet onttrekken, maar ik moest beloven, dat ik het op mijn beurt ook doen zou.

Ik stemde toe, op de vastgestelde tijd ook daar te zijn, dit was, naar ik mij herinner, dezelfde avond over veertien dagen.

God alleen weet de werkzaamheden, die ik tussentijds had! Maar ik kwam tot het besluit, om het in de hand van God over te geven, en daar ik de weg zelf niet geopend had, doch het mij was toegekomen in Zijn voorzienigheid, geloofde ik dat de Heere daarmee voor had of de zaak geheel af te snijden, of getuigenis te geven dat het van Hem was.

Mijns harten wens was, dat als het niet van God was, Hij mijn mond wilde sluiten, en als het van Hem was, Hij hem wilde openen opdat ik een woord spreken mocht, en Hij dat woord geliefde toe te passen en te zegenen aan de harten dergenen, die daar zouden tegenwoordig zijn.

Op de vastgestelde tijd ging ik er heen, God biddende dat Hij de zaak beslechten wilde. Als Hij mijn mond opende en het volk zou voldaan zijn en mij in het werk bemoedigen, dan zou ik geloven, dat het van Hem was; doch als Hij mijn mond sloot en het volk zou niet met mij ingenomen zijn, dan wilde ik het opgeven en daarvan aflaten.

O, wat beefde ik als een blad voor ik de tekst las. Het scheen mij toe, als was het onmogelijk voor mij, om te spreken. Doch nadat ik de tekst had gelezen, werd de vrees voor de mensen geheel weggenomen, en de Heere daalde in mijn ziel af, mijn mond werd geopend en ik gevoelde inderdaad, dat het een tijd was van verkwikking door Zijn tegenwoordigheid aan mijn ziel.

De zaken en woorden vloeiden zeer vlot en ik verwonderde mij over de weekheid en de vernedering mijns harten voor de Heere.

Nadat ik geëindigd had, werd ik zeer door het volk bemoedigd en men drong er bij mij op aan, dat ik wederom komen zou, zo ik mij wel herinner, binnen een veertien dagen.

O, wat had ik een gelukkige veertien dagen! Nu geloofde ik, dat alles in orde was, en ik achtte het onmogelijk, dat de duivel mij andermaal kwellen kon, wat mijn roeping tot de bediening aanging, of ook, dat ik meer zou kunnen twijfelen; want ik zag, dat de Heere in zo menig geval van nood mijn gebeden beantwoord had, mij zo dierbaar had uitgeholpen, en dat zo tastbaar door Hem zelf. Wat was mijn ziel verslonden in de eer en heerlijkheid van God! O, wat had ik een hemels vermaak in het onderzoek van het Woord van God, en wat een zóete genoegdoening en gezegend vertrouwen, dat het van God was en Hij zelf de weg ontsloten had. Mijn ziel was zo overtuigd dat de Heere met mij zou zijn, als dat ik overtuigd was, dat ik geboren was, en ik verlangde er maar naar, dat de veertien dagen om mochten zijn, om weer te mogen gaan en in de naam des Heeren te spreken. Het was mijn innigste bede, dat ik alle krachten mocht opofferen in de dienst van God en Zijn Waarheid, want dit was mij dierbaarder dan het leven zelf. Toen ik er de tweede maal heen ging, was de kamer stampvol, en de Heere was mij zoet en dierbaar nabij, ja, het volk scheen geheel verlevendigd. Zodra ik mijn boodschap gedaan had, begon de hoogmoed in mijn hart zijn werk te doen.

"Zie eens hoe vergenoegd het volk is en hoe opgewekt zij zingen. Zij geloven, dat gij een voornaam prediker zult zijn". En ik zelf dacht er ook zo over.

Toen de dienst was afgelopen, hoorde ik enkelen van het volk tot elkaar fluisteren, hoe kostelijk ik gepredikt had en dat zij niet twijfelden, of ik zou een groot prediker worden, ja één zei zelfs, dat hij er van overtuigd was, dat ik een tweede Gadsby zou worden.

O, wat deed dit de oude mens goed, en wat bevredigde dit zijn hart!

Arme dwaas! Ik werd tot zo'n graad van hoogmoed opgevoerd, dat ik mij schamen zou één duizendste deel daarvan te beschrijven. De gehele weg huiswaarts, was ik zozeer met mijn grootheid ingenomen, en wat ik waarschijnlijk worden zou, dat ik nauwelijks wist of ik op mijn hoofd of op mijn voeten stond. Somtijds was ik nieuwsgierig in welke plaats ik leraar zou worden. Het moet toch zijn in een of andere grote plaats, misschien wel in Londen. Als ik zulk een groot prediker moet zijn en zo een groot werk heb te doen, moet dat zeker in Londen zijn, want alle grote mannen, zo redeneerde ik, gaan naar Londen, en dat zal dan ook tenslotte mijn plaats zijn.

Ik moet nog iets zeggen over deze vervloekte hoogmoed, en hoe hij een arme blinde dwaas kan vervoeren.

Ik had gedacht dit achterwege te laten, want ik moet bekennen dat het te laag is om genoemd te worden; doch het moet er uit, hoe laag het ook is.

Voordat ik voor de derde maal daarheen ging, om te prediken, ging ik eerst naar Manchester, om de heer Mouncey, die plaatsvervangend diaken was, zijn mening te verstaan en of hij oordeelde dat ik waarschijnlijk een groot prediker worden zou; en om dit uit hem te krijgen, kwam ik met een voorwendsel dat ik niet kon komen om te prediken en dit ook nergens meer kon doen.

Toen ik in zijn winkel binnenkwam, was er ook nog een andere diaken bij hem, een zekere Holt. Zij beiden waren zeer blij mij te mogen ontmoeten, en vroegen zeer belangstellend, hoe het met mij ging.

Ik zei dat ik gekomen was om mede te delen, dat ik niet verder kon doorgaan met prediken, daar ik een blinde dwaas was en het wel krankzinnigheid zou verraden, om het nog verder te wagen. Derhalve hoopte ik, dat ook zij mij niet meer zouden verwachten. Terwijl ik mijn huichelachtig verhaal opdiste, trachtte ik een zeer bedrukt gezicht te zetten en met alle macht enige tranen uit mijn ogen te persen.

De twee diakenen, gelovende dat ik een brave man was, en dat de duivel mij verzocht om het werk op te geven, moedigden mij aan om er mee door te gaan.

Zij spraken openlijk uit welk een genoegen het hun gegeven had en dat zij overtuigd waren dat God een werk voor mij te doen had, ook dat ik geen vrees behoefde te hebben om daarin voort te gaan, zomin als Paulus dit behoefde gehad te hebben. Zij toch geloofden dat Paulus' God mijn God was, en Hij mij door alles zou heen, helpen. O, dacht ik, wat! zal ik een tweede Paulus zijn? Maar ik zei hun dat ze wel anders praten zouden, als ze mijn onbekwaamheid maar eens recht wisten.

Intussen ben ik er van overtuigd dat als zij mijn afschuwelijke huichelarij gekend hadden, zij mij uit de winkel zouden geschopt en mij mijn verdiende loon gegeven hebben.

Doch God wist mij beter te behandelen dan zij het wisten.

Een van hen zei, dat hij mij niet wenste op te vullen met hoogheid, doch te bemoedigen; hij wilde maar alleen zeggen, dat hij niet kon twijfelen of God had een groot werk voor mij te doen. O, dat woord "een groot werk te doen!" Wat zwol mijn hart van hoogmoed op. Verder zei hij, dat hij niet anders durfde dan er op aandringen, dat ik op de bepaalde tijd komen zou.

Beide mannen spraken nog veel meer daarvan, hetwelk mijn oude mens zeer aangenaam was.

Op deze wijze een grote voorraad voedsel voor de oude booswicht bekomen hebbende, ging ik naar huis en begon er over na te denken, uit welke tekst ik zou prediken. Denken die mensen, zo redeneerde ik, dat ik een groot man worden zal, dan verwachten zij ook, dat ik voor de dag komen zal met een of andere wonderlijke tekst.

Ik was echter wel zo slim, mij niet in te laten met een gedeelte van Gods Woord, waarvan ik in mijn hart geen bevinding had.

Met alle macht trachtte ik in enige duistere teksten in te dringen, doch tevergeefs. Wel dan, dacht ik, ik zal het proberen met een oude tekst, een die beschrijft wat mijn ziel al wel honderd malen heeft ondervonden. Daarmee zal ik wel klaar komen en er genoeg van weten te zeggen. Deze tekst was: "En dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods". Hand. 22:14.

Dat is juist de tekst, dacht ik.

En wat behaagde het mij als ik naging, hoe ik deze zou kunnen openen! Want in zulk een wonderlijk licht en met zulke grote zaken, kwamen deze woorden, dag bij dag, in mijn gemoed voor, dat ik er mij over verwonderde. Wat zullen de mensen wel zeggen, als ik van deze dingen prediken zal? Zij zullen er verbaasd over staan.

En zo was het inderdaad, want zij stonden verbaasd, doch niet over mijn grootheid, maar over mijn nietigheid.

De tijd kwam en ik ging er heen, wensende, dat er veel volk aanwezig zou zijn. Het voornaamste waarom ik God vroeg was, dat Hij veler harten wilde neigen op te komen om te horen wat ik zou kunnen voortbrengen, en dat nog slechts de derde maal dat ik predikte.

Toen ik er aankwam vond ik het huis vol met mensen.

Ik gaf een vers op met een verwonderlijke ijver en stoutmoedigheid en ging toen in het gebed, waarin ik een grote vrijheid ondervond.

O, dacht ik, dat gaat goed!

Doch toen ik mijn tekst had voorgelezen, geraakte ik onder zulk een duisternis en verwarring, dat ik voor de tweede maal de woorden nauwelijks kon lezen.

Ik begon zo te beven, dat mijn knieën tegen elkander sloegen. Gedurende een vijf of tien minuten trachtte ik iets te spreken, maar wat ik gesproken heb, is de Heere alleen bekend, want ik weet er geen woord van. Mijn hoogmoed en verwatenheid, mijn huichelarij en leugentaal staarden mij in het aangezicht en snoerden mijn mond toe. Ik werd genoodzaakt voor de gehele vergadering te belijden, dat God mijn mond kwam toesluiten, zodat ik niet kon voortgaan. Ik liet mij nedervallen op de zitplaats en verwachtte, dat God mij zou doodgeslagen en ter helle gezonden hebben, daar ik het zo verdiend had.

Gedurende enige tijd heerste er een diepe stilte. De mensen waren ten zeerste verbaasd en wisten niet wat dit beduiden kon. Zodra als zijn gewaarwordingen hem toelieten te spreken, nam de heer Moncey het woord en zei: "De Heere opent, en niemand kan sluiten; Hij sluit en niemand kan open doen. Dit heb ik dikwijls gelezen, doch nooit ben ik er ooggetuige van geweest op zulk een duidelijke wijze tot nu toe".

Hij verzocht mij nog eens te proberen. "Misschien dat de Heere uw mond opent, want het is alles in Zijn hand", zei hij.

Doch ik verzekerde hem, dat ik het niet meer durfde wagen, want dat de Heere mijn mond had toegesloten en ik besloten was, het ook nooit meer te doen.

De waarde man sloot met gebed, en ik geloof, dat het een tijd des gebeds was, zowel voor hem als voor het volk; want er was geen wang droog in het gehele gebouw. Maar wat mij betreft, ik was zo verbijsterd, dat ik bijna buiten mijn zinnen was.

Nadat hij geëindigd en het volk weggezonden had, greep ik mijn hoed, vastbesloten, om nog diezelfde avond een eind aan mijn leven te maken. Ik had nu wat anders te doen, dan met verwondering te vragen, waar zulk een groot man als ik leraar worden moest. O, wat een ellendige reis had ik die avond naar huis toe! En bij het overdenken van mijn afschuwelijk gedrag, in het gaan naar het huis van de diaken met zulke leugens en duivelse veinzerij, en daarbij de vreselijke aanklacht des duivels in mijn hart, was ik er van overtuigd, dat ik niets anders zijn kon dan een verharde booswicht, die God had overgegeven aan zichzelf en van wie het spoedig blijken zou, dat hij een volkomen afvallige was.

Ik besloot diezelfde avond nog door te gaan en te trachten een plaats te krijgen aan boord van een oorlogsschip en vrouw en kinderen en alles te verlaten.

Toen ik nagenoeg thuis was, sloeg ik de weg in om naar Liverpool te gaan, snikkend, kreunend en handenwringend, totdat mijn ziel zich in doodsnood bevond.

Toen ik ongeveer twee steenworpen lengte de weg naar Liverpool was ingegaan, klonken zo luid, alsof iemand ze hardop van achter de heg geroepen had, deze woorden in mijn ziel:

" 't Blind geloof moet zeker dwalen,
En proeft vergeefs Gods werk.
God zal Zijn eigen werk verklaren,
En dat zal dragen 't merk".

Ik stond verbaasd, en ging over de heg kijken, om te zien of daar iemand was. Daar echter niemand bespeurend, begon ik een beetje hoop te scheppen.

"Wie weet", dacht ik, "of niet de Heere dit nog verklaren zal".

Dus besloot ik naar huis terug te keren. Voor ik evenwel thuis was, kwam al mijn hoogmoed, huichelarij en leugen weer vers voor de geest en mijn arme ziel werd zo aangegrepen door schuldgevoel en zwaarmoedigheid, dat ik niet zou kunnen zeggen, hoe ik in huis gesukkeld ben. Mijn vrouw, die zo lang op mij had gewacht tot haar geduld ten einde was, was bijna woedend op mij en vroeg mij, wat ik wel van mijzelf dacht.

Maar dit was een vraag, waarop ik geen antwoord durfde geven.

Zij vroeg mij of ik dat godsdienst noemde, om vrouw en huisgezin te verlaten en dan midden in de nacht thuis te komen.

"En dan geeft gij voor een predikant te zijn", zei ze. "Wat denkt ge toch van uzelf? Maar gij zult mij en de kinderen in het werkhuis brengen".

Want zij kon niet anders tegemoet zien, dan dat wij allen van honger sterven zouden en zij vreesde, dat ik terecht komen zou in een krankzinnigengesticht. En ik vreesde en geloofde waarlijk, dat ieder woord dat zij sprak, bewaarheid zou worden. Ik was stom en kon geen woord terugzeggen.

Daarop vroeg ze of ik mijn tong verloren had. O, met wat een vreselijke gewaarwordingen werd ik overstelpt, dat ik niets dan ellende in mijn huis had gebracht, en de kerke Gods benauwd, door te lopen nog vóór ik gezonden was, waarvan de onbesnedenen zouden horen en zeggen: "Aha! zo gaat het ons naar de zin!" Ook dat ik God van Zijn eer beroofd had, en dat ik nu zou behandeld worden als een dief. En wat deed het gedrag van een Uza in het uitsteken van zijn hand, om de arke Gods te ondersteunen, mij schudden en beven.

"Waarlijk", riep ik uit, "ik ben de man en God zal mij doden om mijn onbeschaamdheid door mij te onderwinden in Zijn Naam te spreken".

O, de geschiedenis van Achan! Zij deed mij schudden, dat mijn knieën tegen elkaar sloegen! Hij stal de gouden tong en bracht een ban in Israël, waarop Jozua hem zei: "Hoe hebt gij ons beroerd? De Heere zal u beroeren te dezen dage; en gans Israël stenigde hem met stenen". Joz. 7 : 25.

O, wat waggelde èn ziel èn lichaam heen en weer! Ik riep uit "De toorn Gods valt op mij neder!"

Geen tong kan het uitspreken, wat ik gedurende vier weken nacht en dag onderging. Hier vertoefde ik dag in dag uit, somtijds verwachtende dat het oordeel Gods op mij en mijn huisgezin zou nederstorten. Toen kwamen Bileam en Judas mij voor de geest. Ik zag dat Judas deel had in de bediening en uitging om te prediken, maar hij had de duivel en werd een bedrieger bevonden, terwijl zijn eind was dat hij zich ophing en heenging naar zijn eigen plaats. Ook Bileam, zag ik, waren de ogen geopend en hij sprak veel dierbare woorden, ja hij wenste te sterven de dood des oprechten, en dat zijn einde mocht zijn gelijk aan het zijne, maar hij had het loon der ongerechtigheid lief.

"O", riep ik uit, "die kentekenen heb ik ook! Wat zal ik doen? Waarheen zal ik vlieden?"

En toch, niettegenstaande deze overwegingen mijn hart als doorsneden, kwamen de gedachten over prediken, opnieuw te voorschijn, en dit maakte mijn toestand nog tienmaal erger.

Op zekere nacht (o, vreselijke nacht!) was ik zeer verward, en wel doordat ik de gedachten aan het prediken weer voelde opkomen, en de schuld van mijn goddeloos gedrag, in zo bedriegelijk te handelen, en mijn vervloekte hoogmoed met hetgeen hij over mij gebracht had, levendig voor ogen zag. De duivel viel mij aan en verzocht mij er toe een eed te doen, dat ik nooit geen poging meer zou doen, om te prediken. Als ik wilde zweren, zei hij, nooit meer één poging daartoe in het werk te stellen, dan zou ik ook nooit meer met zulke gedachten gekweld worden. O, wat trilde en beefde ik, ik waggelde heen en weer gelijk een dronken man en was ten einde raad. En waarlijk, ik had een gevoel of ik inderdaad van mijn verstand beroofd was. Nu de verschrikkelijke gewaarwordingen in mijn gemoed en de vrees dat, als ik ooit weer een poging aanwenden zou om te prediken, de Heere mij dan in één ogenblik verteren zou, daarbij de gedachte dat als ik een eed deed dit mij de rust geven zou, dit alles, deed mij de hand opheffen en zeggen, dat ik nooit meer wilde prediken.

Zodra ik deze eed gedaan had, overviel mij een huivering in de ziel, en de duivel brulde op een vreselijke wijze: "Nu is het gedaan! Gij hebt de onvergeeflijke zonde, de zonde tegen de H. Geest bedreven, die nooit kan vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomende".

O, wat snikte en schreeuwde ik uit de benauwdheid mijner ziel en vervloekte de dag waarop ik geboren was.

Vreselijke vloeken en lasteringen rezen er in mijn hart op tegen God, zij deden mij de haren te berge rijzen; de rillingen liepen mij over het lichaam en mijn lippen beefden.

Gewis, nu is het met mij gedaan, dacht ik; nu ben ik overgegeven tot een verschrikkelijke afval. Daarbij kwam de vrees, dat ik God lasterende sterven, of anders razend krankzinnig worden zou. Daarop kwamen deze woorden, die mij als in een ogenblik schenen ter helle te doen nederdalen : "Want zo wij willens zondigen, nadat wij kennis der Waarheid ontvangen hebben, zo blijft daar geen slachtoffer meer over voor de zonden; maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs dat de tegenstanders zal verslinden. Als iemand de wet van Mozes heeft tenietgedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen; hoeveel te zwaarder straf meent gij zal hij waardig geacht worden, die de Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor Hij geheiligd was, en de geest der genade smaadheid heeft aangedaan? Want wij kennen Hem Die gezegd heeft : Mij is de wrake, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom, de Heere zal Zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods". Hebreeën 10: 26-31.

Ik had niet meer hoop, van de verdoemenis te ontgaan, dan de duivelen hebben. Wederom volgde een andere tekst, onmiddellijk op de voorafgaande, die mij de genadeslag toebracht, en mijn verderf bezegelde, naar ik meende, als ware ik reeds daar : "Want het is onmogelijk, dengene die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gaven gesmaakt hebben, en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn en gesmaakt hebben het goede Woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, afvallig worden, die zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering; als welke zichzelf de Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken. Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding". Hebr. 6:4, 5, 6, 8.

Aldus werd mijn ziel geslingerd, dag aan dag en nacht aan nacht. Somtijds vreesde ik dat de aarde haar mond zou opendoen en mij verslinden. Op andere tijden wederom, vreesde ik, dat de huizen, waarin ik ging, mij op het hoofd vallen en mij tot stof verbrijzelen zouden, ja mij in één ogenblik zouden doen nederdalen ter helle. Menigmaal, ook werd ik vreselijk aangevallen een eind te maken aan mijn ellendig leven, en zo het ergste te wagen; en ik ben er vast van overtuigd, dat niets dan de bewarende hand van God een arme ziel, onder zodanige benauwende omstandigheden, van zelfmoord kan weerhouden. Maar geloofd zij de Heere, Hij weet de godzalige uit de verzoeking te verlossen; want inplaats, dat Hij mij overgaf om mijzelf kwaad te doen, deed Hij mij met geween en smekingen krachtig tot Hem roepen, of Hij in tedere ontfermingen nog eens wilde neerzien op de snoodste onder de snoden.

O, wat worstelde mijn arme ziel met God, om een vernieuwd blijk, dat Hij de mijne was! En hoe heerlijk verscheen Hij en verloste mijn ziel van de hel.

Deze woorden kwamen met licht, leven, kracht en zalving in mijn hart, ja verbraken iedere keten en deden de duivelen vlieden voor de majesteit en kracht van Zijn stem: "Werpt al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u". 1 Petr. 5 : 7. O, gezegende stem! Alvermogende stem! Hier leerde ik wederom verstaan: "Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij". Pred. 8 : 4. Want niet zo spoedig had ik deze woorden gehoord en de kracht daarvan ontwaard of al mijn ellende, schuld en pijniging vlood als een wolk daarheen, en de Heere opende tot mijn zeer diepe verwondering de heerlijkheid van Zijn Verbondsliefde en genade, die op mij gevestigd was van alle eeuwigheid. Ja, Hij deed mij zien, dat al mijn zorgen, ellenden, dwaasheid, hoogmoed en vervloekte gruwelen waren gelegd geworden op mijn oudste broeder, Jezus, en dat Hij al mijn krankheden op Zich genomen, en al mijn smarten gedragen had; ja, dat de straf, die mij de vrede aanbracht, op Hem was, en dat door Zijn striemen ik was genezen geworden. Jes. 53 : 4, 5.

O, wat een blijdschap en vrede gevoelde ik en wat ging mijn hart uit tot mijn dierbare Verlosser, die mijn arme ziel had verlost uit de muil des leeuws.

Ik was net als een vogel ontkomen uit de strik des vogelvangers.

"De strik was gebroken en ik ontkomen". Psalm 124:7.

Wat haatte ik mijzelf om mijn gruwelijk gedrag! Doch God weet de hovaardigen van hart te vernederen, zowel als de nederigen te verhogen. O, welk een gezegende les heb ik uit deze beproeving getrokken, wel honderd keren daarna, inderdaad een zeer nuttige les, die ik nooit vergeten heb. Nu wandelde mijn ziel in grote vrijheid en zoete gemeenschap met God.

Zijn volk, Zijn zaak en Zijn eer lagen mij nauw aan het hart en mijn ziel lag lijdelijk in Zijn handen. Het was mij goed, iets of niets te zijn voor Hem, als Hij maar mocht verheerlijkt worden. O, hoe vreesde ik de gedachte, van aan mijzelf te zijn overgelaten, erger dan een gebrand kind het vuur vreest. Ik durfde geen stap doen, zonder dit woord: "Aldus zegt de Heere".

Ik begon te vrezen, dat ik nooit een overtuigend bewijs van God gekregen had, dat Hij mij tot het werk der bediening had geroepen en ik durfde er niet aan denken het weer aan te vangen, of Hij moest zo vriendelijk willen zijn mij te openbaren, dat Hij mij geroepen had tot dit werk. En gezegend zij Zijn dierbare naam, want tekst op tekst daalde in mijn ziel, en dat met zulk een licht, leven, vrijheid en kracht, dat ik geloofde, als ik zou gezwegen hebben, de stenen haast zouden hebben geroepen.

Hier werd ik geleid tot God in het gebed, dat als ik door Hem was gezonden geworden, Hij dan een weg voor mij wilde openen, en dat, 't welk ik van Hem in het verborgene ontvangen had, mocht verkondigen op de daken.

Want in der waarheid, mijn ziel riep de gehele dag: .,Komt, hoort toe, o alle gij die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft". Psalm 66: 16.

O, hoe wonderlijk beantwoordde de Heere mijn arme smekingen!

Enkele dagen hierna kwamen enige vrienden uit Bury in Lancashire mij een bezoek brengen. Zij waren overeengekomen aldaar een kamer te huren voor hun samenkomsten, en daar ik enige jaren in een aangename vereniging met hen verkeerd had, kwamen zij mij nu uitnodigen, om met hen te vergaderen. Ik nam dit aan; en de eerste Zondag, dat wij daar tezamen kwamen, brachten wij door met zingen en gebed.

Maar de tweede Zondag nodigden zij mij uit een woord van vermaning tot hun te spreken, en op hun aandringen, kon ik het niet weigeren.

Ik deed het echter met vrees en beven, en wel zodanig, dat mijn knieën mij nauwelijks dragen konden, want ik dacht dat de Heere mijn mond zou toesluiten. De Heere evenwel opende mijn mond en gaf mij veel vrijmoedigheid in het spreken, en er vloeide zulk een leven en zoetheid in mijn ziel, dat ik er over verbaasd was, terwijl de weinigen, die er tegenwoordig waren, moesten getuigen, dat zij er door verlevendigd waren geworden. Als ik mij goed herinner, waren wij met zeven of acht personen aldaar vergaderd en zij allen moesten zeggen, dat de Heere grote dingen voor ons gedaan had, dies waren wij verblijd.

Hier werd het mij vergund enige tijd in ware vernedering en ootmoedigheid te verkeren, gelijk een kind aan Zijn voeten, en ik smeekte de Heere met mijn ganse hart, dat Hij niet meer wilde toelaten, dat de duivel en mijn eigen boze natuur mij zouden opblazen met die vervloekte hoogmoed en ik wederom zou trachten Hem van Zijn eer te beroven.

Maar de duivel bracht weer iets anders op het tapijt, dat inderdaad een scherpe verzoeking bleek, namelijk, dat ik nooit een waarachtig bewijs ontvangen had, dat de zalving des Geestes mij geschonken was, om het Evangelie te prediken. Dit bracht mij in het onderzoek, om uit te vinden of ik ooit een schriftuurlijk bewijs ontvangen had, dat ik de Geest had; want ik was er van overtuigd, dat tenzij de Geest mij tot dit werk had afgezonderd, het op niet uitkomen en naderhand blijken zou, dat ik had gelopen voor ik gezonden was.

Ik wist, dat wanneer dit het geval was, het tenslotte moest eindigen in het vlees.

O, wat ging mijn ziel uit tot God met smekingen en geween!

O, dierbare Geest, zijt gij met mij? O, Heilige Vertrooster, hebt Gij mij gezalfd om het Evangelie te prediken? Dierbare uitlegger, doe het mij verstaan! Hier verkeerde ik tussen de drie of vier weken, onderzoekende, zuchtende, roepende en verlangende, dat God mij wilde doen weten of Hij mij had afgezonderd tot de bediening.

De weinige personen tot wie ik in de kamer gesproken had, getuigden allen, dat God mij tot het werk gezonden had, doch dit kon mij niet bevredigen. Ik had behoefte het te weten uit Gods eigen mond, en derhalve was mijn roepen tot Hem, maar er was verscheidene weken aaneen geen antwoord, nacht noch dag. Dit deed mij vrezen, dat God mij nooit gezonden had.

En hoe ik moest gaan prediken, zonder op dit punt voldoening te verkrijgen, wist ik niet; want ik beefde bij de gedachte, te lopen eer ik gezonden was; en de vrees, dat God wederom mijn mond toesluiten zou, deed mij schudden als een blad.

Telkens zei ik het aan die kleine vergadering, dat ik het opgeven moest, want ik was bang, dat ik nooit was gezonden geworden en dat de Heere mijn mond zou toesluiten.

Doch zij bleven er bij, dat ik moest komen, en verklaarden als ik niet kwam, ik dan tegen God vocht. Dit deed mij weer stilstaan en wist ik niet wat te doen.

Soms dacht ik, dat de stem van het volk misschien de wil van God was en dat ik die behoorde op te volgen.

Dan weer dacht ik: "Arme schepselen, zij zijn geheel met mij bedrogen, want zij weten niet beter of ik heb de Geest, en ik nam het besluit niet meer te gaan, totdat ik overtuigd was, dat ik de Geest had.

Wat een gewaarwordingen in mijn hart toen de Zondagmorgen aanbrak. O, de vreselijke donkerheid waaronder ik geraakte! Ik kon noch zien noch gevoelen, dat ik òf tot bediening geroepen òf wel een Christen was. Ik begon zelfs te vrezen of er wel ooit een werk der genade in mijn hart begonnen was. Wat was ik verward en ellendig gesteld van 's morgens drie uur af, tot de tijd kwam, dat ik gaan moest. Zo verbijsterd was ik, dat ik uitging zonder mijn hoed op. Mijn vrouw kwam mij achterna gelopen, en riep, dat zij wilde weten waarheen ik ging.

"Naar Bury", zei ik.

"Dan deedt ge beter, uw hoed op te zetten". zei ze.

Hoe ver ik wel zonder hoed zou gegaan zijn, weet ik niet, want ik was zodanig gesteld, dat ik vreesde, dat ik mijn verstand kwijt zou raken. Daarbij, geen tekst; de Bijbel een verzegeld boek, geen antwoord op mijn gebed; en de duivel mij toebrullende: Jaagt na en grijpt hem, want God heeft hem verlaten". Psalm 71 : 11. "Vandaag zal het openbaar worden, wie gij zijt, beide aan het volk van God en aan de wereld".

En wat mijn ellende nog verzwaarde was, dat hij mijn vorige huichelachtige wegen en mijn vervloekte hoogmoed weer voor de dag bracht, en mij zei, dat de tijd nu daar was, dat God mij als een schouwspel zetten zou èn den mensen èn den duivelen.

"O", riep ik uit, al handenwringende op de weg, "gave God dat ik nooit geboren ware geweest! O, dat ik het nooit ondernomen had cm te prediken! Wat zal ik aanvangen? Waarheen mij wenden?"

Dan stond ik weer stil en dacht terug te keren. Dan ging ik weer voort, smekende en roepende tot de Heere, dat Hij mij een tekst wilde doen vinden.

Maar alles was duister, als de duisternis zelf.

"Hoe is het ook mogelijk", riep ik uit, "dat God mij gezonden heeft, of met mij zijn wil, als Hij mij geheel aan mijzelf gelaten en mij verlaten heeft?"

Toen stond ik stil.

"Waarlijk", dacht ik, "ik moet teruggaan en het opgeven; want als ik ga en niets te zeggen heb, zal het volk mij een grote dwaas noemen, om te komen spreken zonder boodschap van God en zij zouden zich verwonderen, dat ik mij durfde schuldig maken aan zulk een gruwelijke vermetelheid".

Dus ging ik terug, al handenwringend. En snikkend riep ik uit: "O, dat ik nooit geboren ware geweest!"

Ik was nog geen driehonderd meter teruggegaan, toen deze tekst als een zwaard tegenover mij kwam, en als een bazuin in mijn ziel klonk: "Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods". Luc. 9 : 62.

Dit woord deed mij ter aarde nederzijgen in één ogenblik, beide naar lichaam en ziel.

"O, Heere", riep ik al bevende uit, "het valt mij moeilijk, dat ik noch terug noch voorwaarts kan gaan. O, dat het U behagen mocht, mij te tonen wat ik doen moet. Gij weet, dat de wens van mijn hart is, Uw wil te doen. Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? O Heere, laat het mij weten en leidt Gij mij".

Doch ik kreeg geen antwoord dan: "Niemand, die ziet naar hetgeen achter hem is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods".

Daarop gevoelde ik een gewilligheid des harten om te vallen in de hand van God, dat Hij met mij doen wilde, zoals het in Zijn ogen goed was; en zo ik door Hem niet gezonden was, het Hem dan behagen mocht mijn mond te sluiten en het volk daarvan de overtuiging te geven.

Zo ging ik voorwaarts. Toen ik er aankwam en de tijd daar was, ving ik de dienst aan, maar had geen tekst. En o, wat beefde ik, terwijl ik het gebed deed! Maar even voor ik het gebed eindigde, kreeg ik een onderwerping des harten om in de hand Gods te vallen.

Terwijl het volk een versje zong vóór de predikatie, ging mijn zieluit tot God, dat Hij mij een tekst geven en mijn mond ontsluiten wilde; en als dit gebeurde, zou ik voor een vaste waarheid houden, dat Hij mij gezonden had.

Ik geloofde zeker, als Hij mij dit geven wilde, dat ik nooit meer twijfelen zou. Bij het zingen van de laatste regel kwamen deze woorden met zulk een licht, leven, kracht en zoetheid, dat zij mijn ziel overstelpten met vreugde en vertroosting.

Ik stond op en las ze als mijn tekst voor: "De ellendige en nooddruftige zoeken water, maar daar is geen, haar tong versmacht van dorst; Ik de Heere zal ze verhoren, Ik de God Israëls zal ze niet verlaten". Jer. 41:17.

De Heere opende mijn hart en mond beide. Ik gevoelde de zaken in mijn hart opwellen en mijn tong ontbonden, om ze met zulk een zoetheid en vrijheid voort te brengen, dat ik er mij ten zeerste over verwonderde. Ik stond er verbaasd over, dat de zaken zo vrijelijk in mijn hart vloeiden en ik mijn woorden zo ongedwongen kon uitspreken. De weinige mensen die daar waren en de waarheid kenden, zowat negen of tien in getal, hoorden het met groot genoegen aan, en de vrucht daarvan was haar gehemelte zoet. Hun zielen werden verlevendigd en zij spraken onderling tot lof van God.

Bijzonder deed dit een oud kind des Heeren, de oude Jan Crompton, die reeds een veertig jaar op de weg was. Hij was die morgen nog negen mijlen komen lopen.

Oude ziel! Toen ik de predikatie geëindigd had, greep hij mijn hand, en terwijl de tranen hem van de wangen dropen en zijn aangezicht blonk van de heilige zalfolie, zei hij : "Moge de Heere, de God van Abraham, Izaäk en Jacob u zegenen! God heeft u uitgestoten in Zijn wijngaard, en gezonden om Zijn Evangelie te prediken. Gij zijt jong en hebt nog vele vurige beproevingen te doorstaan, doch God heeft u niet gezonden als een krijgsman op uw eigen bezoldiging. Vrees niet, want Hij zal met u zijn; ja ik ben er van overtuigd, dat Hij u door alles heen zal helpen".

O, wat gaf dit een sterkte en bemoediging aan mijn hart. Mijn ziel was wonderlijk gesterkt in de Heere mijn God en ik geloofde met mijn hart, dat Hij met mij was. Des avonds ging ik naar huis, zeer verkwikt en loofde en prees Zijn heilige Naam voor Zijn weldadigheid en goedertierenheid, doordat Hij voor mijn aangezicht had willen heengaan.

Maar de dag daaropvolgend kwam de duivel weer met zijn oud pleidooi, dat ik de Geest niet had. En wat beduidt het getuigenis van mensen als gij de Schrift niet voor u hebt, zo redeneerde hij.

Ik gevoelde mijn geloofskrachten afnemen en ik begon te vrezen, dat ik zou bedrogen zijn en geruststelling gevonden hebben, zonder de Geest te hebben. Dit dreef mij bij vernieuwing uit tot God, en waarlijk, het was een tijd van worstelingen, want nacht en dag riep ik uit mijns harten grond: "O, lieve Geest! hebt Gij mij gezalfd om het Evangelie te prediken? Zijt Gij op mij nedergedaald, opdat ik dit werk zou betrachten? Is het Uw dierbare wil, dat ik zal prediken, en zult Gij met mij zijn, en Uw woord met kracht doen vergezeld gaan?"

Mijn ziel worstelde aldoor een gehele dag en nacht. De tweede dag kreeg ik zo'n aandrang tot het gebed, dat ik verplicht was mijn werk te staken. Ik ging in mijn slaapkamer, nam mijn Bijbel en knielde neer voor God. Met de Bijbel gesloten worstelde ik met Hem, totdat mijn lichaam en mijn ziel zich in doodsnood bevonden. Ik smeekte Hem, dat Hij mij vergunnen wilde, de Bijbel te openen en wel op zodanige plaats, die de zaak beslissen zou, hetzij vóór of tegen.

Tenslotte opende ik de bijbel en de eerste woorden, waarop mijn aandacht viel, waren: "Indien dan gij die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven, dengenen die Hem bidden?" Lucas 11 : 13.

O, de kracht, de eer, de majesteit, de zoetheid en goedheid van God de Heilige Geest die in mij scheen en mijn ziel overstelpte. Ik kan geen woorden vinden om dit uit te drukken. Ik had nog juist de kracht om op het bed te kruipen en daar lag ik een tijdlang en had noch kracht om mij te bewegen noch om te spreken, vanwege de glans der heerlijkheid die in mij en rondom mij scheen. Wat genoot mijn ziel hier een vrijheid! De oude liegende duivel vlood weg, en liet mij alleen met mijn dierbare Vertrooster. De gehele Bijbel werd als voor mijn ziel ontsloten. Welk een dierbaarheid zag ik in het Verbond der Genade! Welke wonderen aanschouwde ik in die heerlijke leerstelling der heilige Drieëenheid, drie personen in één

God! Hoe klaar zag ik God de Vader door Zijn rechtvaardige Wet, mij als een zondaar ontkleden, ontledigen en veroordelen. Wat stond ik verbaasd bij het aanschouwen van de grote vernedering van God de Zoon, door mijn natuur te willen aannemen in vereniging met Zijn Goddelijk persoon; zichzelven vernederende en gehoorzaam geworden tot de dood, ja de dood des kruises, opdat zo'n snode als ik mocht verlost worden met een eeuwigdurende verlossing.

En o, de wonderbare heerlijkheid die ik zag in God de Heilige Geest, als mijn dierbare Vertrooster, wiens voorrecht het is, uit de dingen van Christus te nemen en ze aan mijn ziel te openbaren. Ik was er vast van overtuigd, dat niemand Christus de Heere noemen kon dan door de Heilige Geest.

Hier werd mij vergund enige tijd te verkeren, met zoetheid, ootmoedigheid en tederheid en de dierbare Bijbel was zo kostelijk aan mijn ziel, dat ik hem inderdaad bevond te zijn "een licht op mijn pad en een lamp voor mijn voet". Psalm 119: 105.

Wat beschouwde ik de kerke Gods in haar heerlijkheid en schoonheid, als de verkorene door de Vader, de verloste door de Zoon, en de geheiligde door de Heilige Geest! En hoe brandde mijn hart van ijver voor God en Zijn Zaak! Waarlijk, het was mijn wil niets voor God te zijn, als Hij maar alles zijn mocht. Gedurende enige tijd gingen de zaken naar wens en ik geloofde, dat ten opzichte van mijn roeping tot de bediening alles in orde was; ja, dat de duivel zo volkomen de mond gestopt was geworden, dat hij geen macht behield om iets voort te brengen, wat mij zou kunnen doen wankelen.

Maar helaas! helaas! het was mis gerekend; want nadat ik enige weken rust genoten had, kwam hij met een nieuwe zaak aan boord.

Hij begon mij te zeggen, dat zoals ik de bijbel geopend had en mijn ogen op die eerste tekst geslagen had, niets was dan een toevalligheid, en dat het evenzeer had kunnen gebeuren dat mijn ogen waren gevallen op andere woorden, bijgevolg dat er geen gegronde reden aanwezig was, dat het van God was.

"Want", zei hij, "gij hebt nooit een woord gekregen, dat met kracht in uw ziel kwam, of juist op uw geval gepast, of een woord dat gij nooit gelezen, gehoord of gezien hebt. Nu, als God u inderdaad tot het werk geroepen heeft, waarom gaf Hij dan geen tekst in uw hart, waarvan gij voorheen nooit gehoord hebt, of die gij niet wist dat in de Bijbel stond? Gewis is de Heere daartoe de machtige; en indien gij iemand waart, die Hij in Zijn wijngaard heeft uitgestoten, dan zoudt gij reeds lang een zodanige tekst gekregen hebben".

"Het is waar", dacht ik, "misschien is het een toeval geweest, en ik kan mij bedrogen hebben; een ander de Bijbel op gelijke wijze openende, kon hetzelfde woord ook zijn voorgekomen; en inderdaad, die Heere is ook de machtige om mij een tekst te geven, die ik nooit gezien of in de Bijbel gelezen heb".

Nu had mijn ziel een nieuwe boodschap aan de troon der genade, namelijk, dat God mij een tekst met kracht in mijn hart geven wilde, één die ik niet wist dat in de Bijbel stond, en net op mijn geval van toepassing. Zo ging ik voort, van dag tot dag roepende : "Heere, maak het eens vast in mijn ziel, dat Gij mij gezonden hebt om het Evangelie te prediken, en doe dit door in mijn hart te geven een of ander dierbaar woord, dat ik nooit geweten heb dat in de Bijbel stond, en dan zal ik overtuigd zijn dat Gij mij gezonden hebt en dat Gij mijn God zijt".

Het scheen echter of God niet merkte op de stem van mijn gebed. Ik hield echter aan van dag tot dag hierom smekende, doch ik kreeg geen antwoord.

Tenslotte begon ik te vrezen, dat ik mij bedrogen had en dat God mij nooit tot het werk gezonden had. Al mijn oude vrezen kwamen weer als een heirleger tegen mij op, namelijk, dat ik had gelopen voor ik gezonden was, en dat God tenslotte zou openbaar maken wie ik was.

Op zekere nacht, toen mijn huisgenoten reeds te bed waren, kreeg ik zulk een worstelende geest des gebeds, dat ik niet slapen kon.

Ik zei de Heere dat ik niet naar bed gaan kon, of ook ophouden van bidden totdat Hij mij de overtuiging gegeven had, dat ik wél of niet gezonden was om te prediken. En dit was waarlijk het geval; want een geest des gebeds werd mij geschonken, en tekst op tekst vloeide in mijn ziel om mij te bemoedigen. "Bidt en gij zult ontvangen". Ik viel op mijn knieën en daar had ik zulk een worsteling met geween en smekingen, dat mijn kleren geheel nat waren van tranen die uit mijn ogen vloeiden.

Eindelijk zag ik tot de Heere op, net als een kind, en zei in de eenvoudigheid van mijn hart: "Heere, ben ik Uw kind? Zijt Gij mijn Vader? Zal Uw toorn niet ontsteken, als ik U vraag mij mijn verzoek te willen verlenen? Als het U mishaagt, zal ik het niet meer vragen, want mijn wil is Uw wil".

Het antwoord was zeer lieflijk: "Bidt en gij zult ontvangen". Als een kind riep ik uit: "Wel geloofd zij Uw dierbare naam, dat Uw toorn niet ontsteekt tegen zulk een nietige worm, die maar stof en as is. Als het Uw gezegende Majesteit kan behagen zo laag te bukken om mijn nietige bede aan te horen, en mij mijn verzoek te verlenen; mijn bede en mijn verzoek is, dat Gij mij een dierbaar woord der schriftuur wilt schenken, dat ik nooit gehoord of gelezen heb en dat ik niet weet, dat in de Bijbel staat. En dat Gij dit doen wilt met kracht en heilige zalving, opdat zich mijn ternedergeslagen ziel mag verlevendigd vinden, tot een gezegend vertrouwen, dat Gij mij gezonden hebt om te prediken, en dat het met zich brenge een overtuigend bewijs dat Gij met mij zijt".

Terwijl ik aldus in eenvoudigheid mijn hart voor de Heere ontsloot, klonken deze woorden in mijn oren en in mijn hart, mij dunkt op zodanige wijze alsof de gehele aarde ze hoorde, zogoed als ik zelf : "Maakt u op en dors, o dochter Zions, want ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken en gij zult vele volken verpletteren; en ik zal haarlieder gewin de Heere verbannen en haar vermogen, de Heere der ganse aarde". Micha 4 :13.

Wat ik onder de toediening dezer woorden gevoelde, kan ik niet beschrijven, door de kracht die ik er uit gewaar werd en uit de heerlijkheid die deze woorden volgden, was ik overtuigd dat ze in de Bijbel stonden. Zulk een licht en heerlijkheid ging met deze woorden gepaard, en zij verwekten zulk een ootmoedigheid, tederheid en vertrouwen in mijn ziel, dat ik overtuigd was dat niemand anders dan God die kon gegeven hebben. De duivel ook werd weggevaagd met al zijn "maars", "indiens" en "hoe's". Ik was er zeker van, dat ik deze woorden te voren nooit gehoord had, en elk woord kwam met zulk een kracht alsof het door de vinger Gods in mijn hart werd ingedrukt. Ik dagvaardde de duivel en vroeg hem of ik deze woorden ooit gehoord of gekend had; maar de schelm had niets te zeggen. Mijn ziel was zo vol liefde en verwondering omtrent de verbazende goedheid, vernedering en barmhartigheid van mijn Verbonds-God, dat ik dagen achtereen nauwelijks wist, waarmee ik bezig was; maar bij iedere gelegenheid die zich aanbood, onderzocht ik de schriften om deze woorden te vinden. Destijds had ik slechts een zeer beknopte concordantie, en door deze kon ik niet op het spoor komen. Eindelijk kwam ik tot de profetie van Micha en was wonderlijk in mijn schik bij liet lezen van het vierde hoofdstuk, totdat ik kwam aan de laatste verzen, alwaar ik de eigen woorden aantrof, die mij waren voorgekomen, woord voor woord. Het was mij alsof mijn ziel mijn lichaam zou vaneen gespleten hebben, zo vol was ik van liefde, lof, aanbidding en dankzegging tot de Naam des Heeren. O, hoe dierbaar klonken de woorden wederom in mijn ziel: "Maakt u op en dorst, o dochter Zions!" Welk een blijdschap en genoegen vond ik gedurende enige tijd in het dierbare Woord Gods! Het was mijn spijs en drank daarin te lezen, en er mee tot God te gaan. Ik was overtuigd, dat de Heere met mij was, en dat alles in orde was, of, schoon ik terzelfder tijd niet zou hebben kunnen zeggen, hoe wij van dag tot dag de moeilijkheden, waarmede wij te kampen hadden, moesten doorkomen. Maar ik vertrouwde, dat de Heere met mij zijn zou, en Hij mij daar doorhelpen wilde, ter ere van Zijn Naam.

Maar de duivel deed mij een andere zaak aan de hand, die mij zeer aangreep, namelijk, dat ik nooit enig bewijs gehad had, dat er iemand uit de gevangenis in de ruimte gebracht was, onder mijn bediening en hoe zou ik dan bewijzen, dat God mij in Zijn wijngaard had uitgestoten! "Want", zei hij, "waar God een boodschap der zaligheid uitzendt, daar zegent Hij die boodschap tot verlossing van arme gevangenen, opent de deuren der gevangenis, voor die, die in boeien zitten, en laat uitroepen het jaar van liet welbehagen des Heeren".

"Waarlijk dit is zo", zei ik bij mijzelf, "als God mij inderdaad gezonden heeft, zal Hij mij zegenen als Zijn mond, in het verlossen van arme zielen van de gevangenschap en de vloek der Wet".

Maar de duivel kon mij niet zo laag doen neerzinken, als hem dit voorheen gelukt was, want deze dierbare woorden kwamen wederom:"! "Maakt u op en dors, o dochter Zions!" en zij bemoedigden mij zozeer, dat ik in staat werd gesteld te zien en te hopen op de Heere, dat Hij op Zijn eigen tijd de vervulling geven zou. Dus bleef ik biddende, wachtende en hopende op Hem, gedurende een lange tijd.

Kort daarop werd ik uitgenodigd een plaats te vervullen in een kleine kapel te Liverpool - als ik mij goed herinner in de Matthewstraat. Eens toen ik daar was, had ik een zeer zoete overdenking over deze woorden: "Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere". Rom. 8:38, 39.

Wat zal ik een aangenaam uurtje hebben, dacht ik. Ik hoop, dat de kerk vol zal zijn. Doch toen de tijd daar was en ik mijn tekst las, was ik zo gesloten en zo'n duisternis en verwarring kwam over mij, dat ik niet wist wat te doen.

Al de aangename dingen, die ik uit die woorden genoten had, waren weggenomen. Ik had hard werk om een weinig te stamelen dat God Zijn eigendom altijd bemind heeft, en dat noch zonde noch duivel hen ooit van Zijn liefde scheiden zal. Ik bleef zo wat een vijf en twintig minuten bezig en brak toen opeens af met: "De genade van de Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen".

Ik ging zo vlug mij maar mogelijk was van de preekstoel, nam mijn hoed en ging door de kerk met de meeste spoed naar buiten. Toen besloot ik de eerste diligence in de morgen te nemen, naar huis toe, want ik geloofde werkelijk, dat als ik mijn aangezicht daar nog eens liet zien, de mensen er openlijk schande van spreken zouden.

Zodra ik uit de kerk was, ging ik met haast naar mijn logies, bevreesd naar iemand te kijken, of dat er anderen naar mij kijken zouden. Ik noemde mijzelf wel duizendmaal een dwaas, dat ik ooit naar deze plaats gekomen was, en wenste, dat ik nooit mijn mond geopend had; want nu dacht ik het duidelijk en klaar, dat de Heere mij verlaten had. Zo ging ik voort, de ene straat uit, de andere in, doch ik bemerkte, dat een vrouw al een poos dicht achter mij aan, kwam, waarom, kon ik niet begrijpen. Ik trachtte haar te ontwijken, maar tevergeefs.

Eindelijk stapte ze op mij toe, en zei : "Zeg, meneer, zijt gij niet de leraar, die van avond in de kapel van de Matthewstraat gepredikt heeft?"

Toen zij sprak van mijn prediken, dacht ik, dat zij mij gevolgd was, om mij te berispen over mijn onbeschaamdheid, door mij te verwaardigen om te durven prediken. Ik zei haar, maar op zulk een wrevelige manier, dat ik mijzelf nauwelijks dulden kon, dat ik de man was, die op de preekstoel gestaan had, om te prediken, maar dat er niet gepredikt was.

Daarop viel de vrouw in een vloed van tranen, en verzocht mij het haar niet kwalijk te nemen, dat zij de vrijheid nam mij aan te spreken, want zij was het onwaardig. Zij ging toen voort met mij te vertellen, dat zij reden had om God te loven, dat ze daar geweest was, want voor haar was het een prediking geweest, en wel zo een, als zij nooit te voren gehoord had. Mijn ziel smolt binnen in mij op deze woorden; en ik vroeg haar, wat zij gehoord had, dat zo aangenaam voor haar geweest was. Zij sprak met zulk een zoetheid, ootmoedigheid en vertrouwen, dat zij de vergeving van al haar zonden ontvangen had. Zij ging voort en zei: "Ik heb maanden aaneen in zwarte wanhoop verkeerd, en vanavond was ik op weg om mij te verdrinken, vast besloten het ergste te wagen, want ik dacht, dat ik in geen naarder hel komen kon. Toen ik voorbij de kapel ging, werd er gezongen, en het kwam in mijn gedachten, er binnen te gaan. Als de dienst geëindigd is, zo overlegde ik, zal het donker zijn en dan kan ik onopgemerkt naar het water gaan. Ik ging er dus in en geloofd zij de Heere, de tekst en alles wat u zei, ging in mijn hart; en God zei mij, dat Hij mij had liefgehad met een eeuwige liefde, en dat mijn zonden, ofschoon deze vele waren, allen vergeven zijn, en nog veel dierbare zaken meer, die mij vervulden met verwondering en aanbidding voor de God mijner goedertierenheden".

Mijn hart was te vol om veel met die vrouw te spreken, want ik gevoelde mijn ziel weggesmolten aan de voeten van een dierbare Jezus, daar Hij getuigenis gegeven had aan het woord Zijner genade, door zo'n onwaardig instrument.

Ik durfde nu niet naar huis, en de Heere kon met mij doen, zoals het Hem behaagde, als maar Zijn naam verheerlijkt werd.

En o, zoet kwam de oude tekst: "Maakt u op en dors, o dochter Zions!" Wat had ik een aangename nacht, in de overdenking van het Woord van God. Belofte op belofte vloeide in mijn ziel, dat het mij toescheen of de gehele Bijbel er vol van was. O, hoe zoet en dierbaar waren deze woorden van Paulus : "Het heeft God behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die geloven". Cor. 1 :21.

"Wel", riep ik uit, "en waarom zou het mij mishagen?"

En wat een gezegend vertrouwen had ik nu, dat God mij tot het werk gezonden had, want nu had ik een overtuigend bewijs, en ik geloofde vast, dat het buiten de macht des duivels was mij in mijn vertrouwen ooit weer te schokken. Gedurende enige tijd was mijn ziel zoetelijk overtuigd, dat God met mij was, en dat Hij altijd voor mij zou heengaan; en toch had ik in het tijdelijke zulk een diepe weg, dat ik van dag tot dag niet wist, hoe aan het noodzakelijkste voedsel te komen.

Maar als God vrede geeft, wie of wat kan dan beroeren?

De Heere ging voort getuigenis te geven aan het woord Zijner genade door mijn mond, en gaf bewijs, dat Hij met mij was door tekenen die daarop volgden.

Dit bevestigde en vertroostte mijn ziel, want ik geloof vast, dat als God mijn nietige dienst, door het in vrijheid stellen van gebonden zielen, niet erkend had, ik dan het werk had moeten opgeven. Maar de Heere zegt: "Een waarachtig getuige redt de zielen". Spreuken 14: 25.

Ik zal nu voortgaan enige beproevingen en uitreddingen in de weg der voorzienigheid te verhalen, die mij overkomen zijn sedert ik tot het werk der bediening geroepen was. Dit heeft mij bij tijden tot zulk een wanhoop gedreven, dat ik menigmaal gezegd heb: "Mijn ziel kiest de verworging en de dood boven het leven". Job 7 :15 (Eng. vert.).

Doch als de verlossing kwam heeft zij een nieuw gezang van lofzegging aan God in mijn mond gelegd, en ik heb ze moeten goedkeuren, ja voor de gehele wereld, zou ik niet zonder dezelve geweest willen zijn.

Bury was de eerste plaats waar ik regelmatig begon te prediken; en na enige maanden, zo ik mij goed herinner, groeide ons gezelschap tot een dertigtal aan. Wij kwamen overeen een groter kamer te betrekken in de Koningstraat. Daar kwamen wij enige tijd tezamen, terwijl wij langzaam aan nog vermeerderden.

Men verbond zich toen mij gedurende één jaar vier schellingen per week te geven. Op die tijd hadden wij zes kinderen onder de twaalf jaar, en daar ik maar wever was van beroep, werd ik soms in zulke engten en beproevingen gedreven, dat ik niets anders kon tegemoet zien dan in het armenhuis terecht te komen. Inderdaad kon ik niet zien, hoe het mogelijk zou kunnen zijn, daaraan te ontkomen. Als ik de zoete tegenwoordigheid van God in mijn ziel miste, kwam de nare vrees, dat ik het prediken zou moeten opgeven, wilde ik geen smaad brengen over de zaak van God. Gedurende verscheidene weken scheen mijn lichaam deerlijk in verval te geraken, want door het prediken, hard werken en daarbij zo'n slechte voeding, dat ik dagen achtereen niet half genoeg kreeg, was ik zo achteruit gegaan, dat ik nauwelijks kruipen kon; maar ik was genoodzaakt mijn werk uit te voeren, zo goed en zo kwaad als ik kon.

Op een morgen, herinner ik mij goed, was ik zeer vroeg op geweest, om mijn werk zo spoedig mogelijk klaar te krijgen, want tenzij ik mijn werk had thuisbezorgd, had ik geen cent om een stukje brood te kopen. Tussen elf en twaalf uur moest ik een meisje om wat garen naar de winkel van de baas sturen, opdat ik mijn stuk zou kunnen afmaken. Mijn vrouw, die een kind aan de borst had, barstte in tranen uit en zei : "O, man, ik ben zo zwak en flauw, dat ik het niet zal kunnen uithouden, want gij zult het stuk voor etenstijd niet kunnen inleveren en dan wordt het wel avond, eer wij iets krijgen kunnen".

Ik trachtte, zoveel mij mogelijk was, haar wat op te beuren, door te zeggen, dat we niet konden weten, of niet de Heere in de een of andere weg een goed maal wilde doen toekomen; maar zij antwoordde, dat ze wel wist, dat dit niet gebeuren zou.

Het meisje kwam onmiddellijk terug met het garen en ook met een tas in haar hand. Zij zei deze gevonden te hebben midden op de weg. Ik dacht, dat zij behoorde aan een man, die juist met een vrachtkar voorbijreed, en riep hem derhalve achterna, dat hij een tas verloren had; maar hij antwoordde, dat dit niet zo was. Ik zei dat ze de mijne niet was, doch dat ik haar op de weg gevonden had en ze hem wilde geven. Hij zei echter, dat hij ze niet hebben wilde en ik ze maar houden moest. Dus opende ik de tas, en het eerste dat er uit kwam was een groot stuk brood en vlees, toen een stuk kaas, en tenslotte een zeer goede pudding.

O, hoe stond ik in verwondering en aanbidding, zegenende en lovende de vriendelijke hand van mijn Verbonds-God, door op zulk een wijze in mijn nood te voorzien! Hoe zoet waren mij deze woorden: "Het vee op duizend bergen is Mijne; de aarde is Mijne; en al het goud en zilver is Mijne!" En dadelijk daarop vloeide o zo zoet deze belofte in mijn ziel: "Uw brood wordt u gegeven; uw water is gewis". Jes. 33 : 16.

Hier zag ik, dat de Heere alles in Zijn handen heeft, beide in de hemel en op de aarde - engelen, mensen en duivelen; en mijn ziel verkeerde in afhankelijkheid van Hem, van week tot week.

Korte tijd daarna werd ik uitgenodigd een Zondag te prediken op een kleine plaats in Cheshire. De naam er van ben ik vergeten, maar liet was zowat twaalf of dertien mijlen van huis. Des Zaterdags ging ik van huis, van binnen ellendig gesteld, want er was geen vijf cent aan geld en geen dertig cent aan mondbehoeften in mijn gehele woning. Er was niets dan treurigheid, armoede en duisternis, van binnen en van buiten.

Mijn vrouw verklaarde, dat zij geloofde, dat ik zo lang uit prediken zou gaan, totdat wij allen van honger sterven zouden. Desniettegenstaande moest ik gaan, en ik vertrok, maar met een pijnlijk hart. Ik had een zeer beproevende en ellendige reis; want de duivel greep mij onbarmhartig aan, wierp mij al mijn schulden en ellenden voor de voeten en zette mij in de onmogelijkheid om ooit met ere door de wereld te komen. Ik kwam onder zodanige duisternis en ongeloof, verwarring en ellendigheid, en daarbij gevoelde ik zulk een zwakheid in mijn lichaam, door gebrek aan voedsel, dat ik vreesde het eind van mijn reis nooit te zullen bereiken. Maar de Heere daalde zo liefelijk in mijn ziel af, dat ik voor Hem wel zou hebben kunnen sterven. Hij verzekerde mij, dat Hij met mij zijn wilde en mijn voor- en achtertocht wezen.

"Vreest niet", zei Hij, "want Ik ben met u en zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God". Jes. 41 : 10.

O, dit was genoeg! Ik wist, dat alles in orde was, als Hij met mij zijn wilde. Wat was het mij gemakkelijk en aangenaam, bij het ontwaren, dat Zijn vriendelijke hand mij ondersteunde; want ik gevoelde waarlijk, dat Hij voor mij zorgde. En ook hoe gemakkelijk kon ik mijn huisgezin in Zijn handen achterlaten, want ik had een zoet vertrouwen, dat Hij de harten van Zijn volk neigen zou, om mede te delen tot mijn behoeften. En dit ondervond ik op een wonderlijke wijze.

Ik kwam veilig op de plaats mijner bestemming en had een aangename nacht op mijn bed, want ik bewonderde, loofde en zegende mijn God voor Zijn goedertierenheid, door mij arme worm tot hiertoe te brengen.

Ik kon waarlijk met mijn ganse hart zeggen: "Dan hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag". Hand. 26: 22.

Des morgens, zijnde de dag des Heeren, ontwaakte ik in een zeer aangename gestalte en toen het tijd werd, ging ik naar de plaats der samenkomst. Het was een huis, waar enige mensen tezamen kwamen, tot de openbare.godsdienst. Er waren er slechts weinigen en over 't geheel genomen waren zij zeer arm. Doch de Heere was er met Zijn zegen tegenwoordig, en die "maakt rijk, en voegt er geen smart bij".

Het was een aangename dag, en ik geloof, dat de beste wijn tot het laatst bewaard werd, want de arme mensen schenen allen verlevendigd en daar zij zo ruimschoots van geestelijke dingen waren bediend geworden, achtten zij het een lichte zaak van tijdelijke dingen iets mede te delen. Enigen gaven mij zes stuivers, anderen een schelling, en de een dit en de ander wat anders, zodat ik er verbaasd over stond.

Des Maandagsmorgens gaf een jonge vrouw in het huis waar ik logeerde, mij zes gulden; zij zei, dat zij in haar hart daartoe besloten had, en gaarne had, dat ik het aannam. Op mijn weg naar huis toe, moest ik nog op twee of drie plaatsen een bezoek afleggen, en daar ook hadden de arme mensen hun schellingen en halve schellingen bijeen verzameld, alsook een zakdoek vol koek om mee te nemen voor de kinderen. Toen ik op de weg kwam, bleef ik even staan, om het geld eens te tellen, dat de Heere mij had doen toekomen, en zover ik mij nog herinneren kan, had ik in totaal vierendertig schellingen, en een pak met koek.

Ik reisde mijn weg naar huis met blijdschap, dankerkentenis en lof aan de God mijner goedertierenheid brengende. Die getuigenis gegeven had het woord Zijner genade en op zo'n wonderlijke wijze in mijn noden en behoeften voor het lichaam had voorzien. Hij had nu alle behoeften vervuld, naar ziel en lichaam beide. Mijn ziel riep uit : "Ik zal nooit vergeten Zijn tedere barmhartigheid en goedertierenheid, aan zo'n ellendige bewezen, die onwaardig is de minste Zijner barmhartigheden".

Doch ik bevond al spoedig, dat de dag van tegenspoed staat tegenover de dag van voorspoed en dat de nacht volgt op de dag. Want spoedig daarop had ik nieuwe oefeningen. Op een Zaterdag was ik erg verward, want ik kon geen tekst vinden en ik moest des Zondags een beurt vervullen voor Dominee Gadsby. O, dacht ik, wat zal ik nu doen, en waar kan ik heengaan? En er kwamen zulke gruwelen in mijn hart op, dat ik begon te vrezen of ik wel deel had aan de genade of niet.

Teneinde mijn ellende te voltooien, kreeg ik des Zaterdagsavonds laat van iemand, die ik twee pond en tien schellingen schuldig was, een aanzegging, dat als ik hem des Maandags aanstaande niet kwam betalen, hij dan niet langer wachten wilde en dat het voor mij tevergeefs zou zijn, uitstel van betaling te vragen.

O, wat schudde en beefde ziel en lichaam! Ik dacht, nu zal God mij ten einde brengen, nu zal de mond der onbesnedenen geopend worden : "Aha! zo is het naar onze zin".

En deze woorden kwamen als een donderslag in mijn ziel : "Ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen". Job 3 : 25.

O, wat had ik een verschrikkelijke nacht, somtijds bijna in de wanhoop! Doch voor de morgen aanbrak, gaf de Heere mij een weinig hoop, dat Hij zou verschijnen, en deze woorden waren mij bijzonder zoet en aangenaam : "Roept Mij aan in de dag der benauwdheid : Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren". Psalm 50 : 15.

Inderdaad, ik behoefde nergens anders heen te zien dan op Hem, Die de harten van allen in Zijn hand heeft.

Des Zondagsmorgens ging ik van huis naar Manchester, een weg van ongeveer vijf mijlen; en ik geloof als ik ooit van mijn leven gebeden heb, dat God mij op die dag wilde verschijnen als een God in de Voorzienigheid en in de genade, het dan was gedurende de tijd dat ik deze vijf mijlen ging.

Toen ik begon te prediken, werden de twee pond en tien schellingen geheel weggenomen, en ik geloof, dat de Heere met mij was. Doch toen ik klaar had, kwam de duivel wederom met zijn beschuldiging, dat ik een smaad zou werpen op de zaak Gods. "En weet gij wel", zei hij, "wat gij morgen te betalen hebt, en dat gij geen cent hebt?" Ik kon hem niet één woord terugzeggen, doch beefde als een blad en wenste, dat ik er nooit gekomen ware. O, hoe zuchtte en kreunde ik in mijn ziel!

Toen ik de kerk verliet, was er een oude dame, die mij de hand toestak en liet zes gulden in de mijne. Wat was mij dit een wonder! O, dacht ik, wie weet of niet God nog iemand anders beweegt, om mij het ontbrekende te geven. O, wat stortte ik mijn ziel voor Hem uit, dat Hij voor mij wilde heengaan, en mij doen toekomen, wat ik nodig had, opdat ik alzo een ander bewijs mocht ontvangen, dat Hij met mij was, en mijn God, en dat ik arme worm Zijn dienstknecht was. Ik kreeg zo'n opening en zo'n aandrang in het gebed, dat ik geloofde, dat Hij het hoorde en dat Hij mij zou antwoorden.

De tijd van de middagpredikatie brak aan, en ik dacht het goed, te spreken over hetgeen ik had getast en gesmaakt, van het goede woord Gods. Maar toen ik het gedaan had, overviel mij mijn oude vrees, hoe ik de twee pond en tien schellingen bij elkaar kon krijgen. Al bevende ging ik in de consistoriekamer en vond daar de oude dame die mij des morgens zes gulden gegeven had. Zij schudde mij de hand en zei: "Mijnheer, toen ik naar huis ging, sloeg mij mijn hart evenals Davids hart hem sloeg".

Bij het horen van deze woorden beefde ik zeer. "Zeker wil zij de zes gulden terug hebben", dacht ik. "Wat zal ik beginnen?"

Doch in plaats daarvan, zei de oude dame: "Mijn hart sloeg mij, omdat ik u niet meer gegeven heb; maar nu heb ik mijn zakboekje bij mij en ik zal nog twee pond geven".

Hierop barstte ik in een vloed van tranen uit, want ik kon mij niet inhouden. De oude dame stond daar zeer verwonderd over, en vroeg mij wat mij scheelde. Ik zei haar toen, dat ik Zaterdagavond een aanzegging gekregen had van iemand die ik twee pond en tien schellingen schuldig was, dat ik ze hem des Maandags betalen moest, en indien ik in gebreke bleef zou hij mij vervolgen. En nu ik zie, dat de Heere het in uw hart gegeven heeft mij het geld te geven en nog zes stuivers over, nu smelt mijn ziel in liefde tot God, als de Gever en tot u als het instrument.

De oude dame barstte daarop ook in tranen uit, en beiden weenden wij van blijdschap.

"O", zei ze, "het is beter te geven dan te ontvangen".

Doch zo kon ik er niet over denken, want ik was zo vervuld van de goedheid, barmhartigheid, vriendelijkheid, getrouwheid en heerlijkheid van God aan zulk een waardeloze worm, als maar mogelijk was. Er was geen plaats voor iets anders. Mij dunkt, ik zal nooit de

uitdrukking van het gezicht der oude dame vergeten, toen zij al het geld uit haar zakboekje nam - naar het mij toescheen een tien of twaalf pond - en dit op tafel legde, terwijl de tranen haar over de wangen liepen.

Zij zei : "Het is alles het uwe, want gij krijgt het allemaal".

"O neen", riep ik uit, "God verhoede dat ik dit doen zou! Hij heeft het in uw hart gegeven, om mij het bedrag van hetgeen ik schuldig ben te schenken en nog een halve schelling over. Nu durf ik geen vijf cent meer te nemen en wil het ook niet. Het is niet het mijne. Wat God in uw hart gaf om mij te schenken is het mijne, maar de rest is het uwe".

Zij zegende mij en ik zegende haar, zodat er over en weer niets dan zegeningen waren.

Zij loofde God dat Hij het in haar hart gegeven had, om Zijn dienstknecht in zijn nood te ondersteunen, en ik loofde God in mijn ziel, dat ik het ontvangen had. Dus gever en ontvanger prezen tezamen God en Hij kreeg al de eer. O, hoe zoet was mij die tekst, toen ik uit de consistoriekamer kwam : "De Heere heeft grote dingen voor ons gedaan, dies zijn wij verblijd". Psalm 126 :3.

En wat had ik een troostelijke en blijde nacht in het beschouwen van de lofwaardigheden van mijn Verbonds-God, in voorzienigheid en genade bewezen aan zo'n onwaardig schepsel! Ik haatte mijzelf om mijn ellendig wantrouwen van Hem, Die zo menig keer op zo'n wonderlijke wijze mij verschenen was en Die altijd mij hulp verleend had in tijd van nood. Ik verlangde er naar, dat de morgen kwam, opdat ik de man zou kunnen betalen hetgeen ik hem schuldig was,

want dit zou mij groter genoegen geven dan hij zou hebben in het geld te ontvangen.

De vrienden gaven mij een pond, voor het waarnemen van de dienst op de dag des Heeren, zodat ik naar huis wederkeerde met het geld om mijn schuld te betalen en nog geld tot onderhoud var mijn huisgezin. Wat is de goedheid en barmhartigheid van een Verbonds-God toch groot in liet uitredden van Zijn arme beproefde kinderen in tijden van grote nood, als er geen oog medelijden met hen heeft en geen arm hen vermag te helpen. O, wat kon mijn ziel deze woorden verstaan : "Ik zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden die zij niet geweten hebben; Ik zal duisternis voor haar aangezicht ten lichte maken en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik haar doen en Ik zal ze niet verlaten". Jes. 42 : 16.

Hoe aangenaam kon ik zingen: "Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens". Psalm 23:6. "Zijn goedertierenheid is elke morgen nieuw, Zijn trouw is groot! O, Heere, Gij zijt mijn God; ik zal U verhogen". Jes. 25 : 1.

Gedurende enige weken wandelde ik tamelijk getroost mijn weg en kon mij verheugen in de tegenwoordigheid van God; en waar dit gesmaakt wordt, is alles goed. Het was inderdaad een zeldzaam geval voor mij, als ik niet in tijdelijke moeilijkheden verkeerde, want ik had een groot huisgezin en daar ik een arme wever was en voor het prediken te Bury slechts vier schellingen per week kreeg, kon het ook moeilijk anders zijn dan voortdurend in schulden en allerlei ellenden en beproeving. Dit alles echter was ik te boven, als ik de tegenwoordigheid van mijn God en Zaligmaker in mijn hart ondervond, en als Hij Zijn arm ontblootte in het verlossen en uitredden in Zijn wonderlijke voorzienigheid. Dan benijdde ik niemand op aarde, en wenste in geen ding verandering. Op zulke tijden zag ik klaar, dat het een rechte weg was naar een stad ter woning, Psalm 107 : 4, en kon ik met genoegen zingen:

"Mijn Jezus heeft alles welgemaakt".

Deze tekst der Schrift heb ik altijd waarheid bevonden: "En Ik zal het derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal 't beproeven, gelijk men goud beproeft : het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk, en het zal zeggen: De Heere is mijn God", Zach. 13:9.

Het volgende komt mij juist onder de aandacht.

Op zekere avond had ik gepredikt op een plaats, ongeveer zeven mijlen van huis, en toen ik terugkeerde was het al tamelijk laat eer ik thuis kwam. En o, wat kreeg ik een scherp gevoel van honger nog eer ik in mijn woning was. Mijn grootste smart echter was, dat ik wist, dat er niets te eten zou zijn.

Vreselijke gewaarwordingen en harde gedachten tegenover God rezen er in mijn gemoed op. Ik durf ze niet zeggen noch schrijven. O, de vreselijke opstand, die ik gevoelde, dat Hij mij zo hard behandelde, dat als ik hongerde, ik noch brood noch water had! "Aha", riep de oude vijand, "waar zijn nu uw schone beloften, waarop gij u zo dikwijls beroemd hebt - uw brood wordt u gegeven, uw water is gewis?"

Juist toen ik de deur van mijn huis binnentrad, kwamen deze woorden in mijn hart: "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets, waar Hij het hoofd kan nederleggen". Matth. 8:20.

Wat kreeg ik een inzicht in het lijden van mijn dierbare Heere en Zaligmaker Jezus Christus, en wat Hij had moeten doormaken in dit tranendal, van de kribbe tot het kruis, en dat voor zulk een goddeloze als ik was! Hoe klonk het door mijn hart : "En leed mijn Heere dit alles en zal ik morren?"

Ik bloosde van schaamte vanwege mijn goddeloze overleggingen en opstand. Ik wist niet waar mijn schuldig aangezicht te verbergen.

"O", riep ik uit, "wat is mijn hongerlijden in vergelijking met Uw bloedig zweet in de hof, en dan voor zo'n monster als ik ben?" Hoe zag ik op Hem, en wat een diepgevoeld rouwbeklag had ik over mijn zonden en over Hem!

Ik smeekte Hem, dat Hij ze mij vergeven wilde, en ik had zo'n haat tegen mijzelf vanwege mijn zonden, dat geen tong ze kan uitspreken.

"O", riep ik uit, "hoe kon ik zo laag zijn, om zulke harde gedachten van U te hebben, Die mij zoveel weldaden hebt bewezen?"

Hoe zoet waren mij deze woorden: "Dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was: opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden". 2 Cor. 8:9. Welke wonderen zag ik in al de goedheid die God mij in mijn weg had doen ontmoeten tot op dat ogenblik! Mijn klein en ledig huis was nu in mijn ogen als een paleis, gevuld met allerlei rijkdommen.

Het moet al tamelijk laat in de avond geweest zijn toen ik thuis kwam, want mijn vrouw en kinderen waren al te bed en vast in slaap. Hiervoor was ik dankbaar, want ik had er behoefte aan, het zoet gezelschap van mijn Heer te genieten, en het was mij een hemel op aarde met Jezus te zijn. Al dadelijk toen ik thuis kwam, gevoelde ik de zwakte van mijn lichaam, en ik nam de kaars om te kijken, of ik een oude broodkorst vinden kon. Na enige tijd gezocht te hebben vond ik een oude korst, die al lang daar moet gelegen hebben, want zij was zo hard als een steen, en ongeschikt voor voedsel. Toen nam ik een kop water, en als ooit mijn ziel tot God in het gebed uitging, was het toen, of het Hem behagen mocht die spijze te zegenen tot stilling van mijn honger. En hoe zoet werd ik er bij gebracht, dat Jezus water in wijn veranderde op het bruiloftsfeest. Ik geloofde ook, dat Hij was gisteren en heden en tot in eeuwigheid Dezelfde. Ik zag tot Hem op, evenals een kind en smeekte Hem of Hij dit stuk brood met water wilde zegenen, en ik mocht ondervinden, dat Hij mijn God was.

O, hoe dierbaar waren mij deze woorden: "De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat". Matth. 4:4. Ik was zeer aangedaan en zegenende, loofde en dankte Zijn majesteit voor het rijke voedsel, dat ik te eten kreeg. Wat was mijn ziel klein voor Hem! Ik nam de droge korst, maar zij was zo zacht en smakelijk gemaakt door de liefde en barmhartigheid van God, dat voorzeker het manna voor de Israëlieten niet zoeter geweest kan zijn. Ik loofde en dankte God en nam ook het water. Dit was mijn smaak aangenamer dan de lekkerste wijn, die ik sindsdien ooit gedronken heb. Nooit gevoelde ik mijn lichaam meer verkwikt of mijn eetlust meer bevredigd, dan op dat ogenblik.

Ik was van alles rijkelijk voorzien, en mijn ziel overdacht deze woorden: "De zegen des Heeren, die maakt rijk en Hij voegt er geen smart bij. Beter is een gerecht van groen moes, waar liefde is, dan een gemeste os en haat daarbij". Spreuken 15 : 17.

O, de dierbaarheid van de tegenwoordigheid van een Verbonds-God te genieten in onze harten door het dierbare geloof! Waarlijk als God stilt, wie kan dan beroeren? De Goede Herder zegt: "De schapen zullen ingaan en uitgaan en weide vinden", Joh. 10:9, en dit heb ik altijd bevonden de waarheid te zijn, want nieuwe beproevingen overkwamen mij, die ik niet verwacht had.

Als het aantal mensen, dat met ons vergaderde in de tweede kamer, die wij te Bury in gebruik hadden, vermeerderde, verstoutten wij ons na enige tijd een derde kamer te nemen; in de Slachterslaan, zo ik mij goed herinner. Deze kamer was vrij wat groter. Hier groeide het aantal bezoekers nogal aan.

Maar enigen uit ons gezelschap waren niet best over mij te spreken, omdat ik hen op de dag des Heeren zo dikwijls verliet; zelfs zei een van de diakenen mij, dat ik hen altijd tot een last geweest was, en dat het hem verwonderde hoe ik het met een goede consciëntie kon overeenbrengen, om van zo'n arm volk vier schellingen per week te nemen.

O, hoe sneed mij dit door de ziel! want ter zelfder tijd was ik tot over mijn hoofd en oren in de schuld; en week in week uit waren er tijden te over, dat ik mijn huis verliet en ik niet half genoeg te ontbijten had gehad.

Als ongeloof en vleselijke redenering de baas waren, was ik bijna ten einde raad en wist niet wat aan te vangen. De slag viel mij des te harder, omdat de man, die het uitsprak, diaken was, en overeenkomstig zijn ambt mijn rechterhand zijn moest. Het was mij onmogelijk dit te doorstaan, en ik zei hem dan ook, als dit het geval was, ik hem niet langer tot last zijn wilde. Wij hadden verscheidene samenkomsten over deze aangelegenheid, doch konden niet tot overeenstemming geraken. Ik gaf het dus op, om aldaar langer te prediken. Nog enige tijd daarna verzocht men andere leraars aldaar een keer te prediken, maar kort daarop ging het teniet.

Ik zal mij altijd met een dankbaar hart blijven herinneren met welk een ongekende vriendschap de waarde leraar Gadsby en de kerk, waarvan ik een onwaardig lid was, mij tegemoet kwamen, als zij wisten, dat ik in ongelegenheid geraakt was.

Hun taal was dan: "Jan is aan de grond gelopen; kom, wij moeten hem een handje helpen". En met een opgeruimd gemoed voorzagen zij telkens en telkens in mijn nood. Nooit bevond ik ze lui en traag, en wel honderd malen heb ik het bewonderd, dat ze het niet moede werden, met zo'n lastig schepsel, als ik gedurende vele jaren voor hen geweest ben.

Zij handelden waarlijk als broeders, in mijn verdrukking.

Omtrent deze tijd werd ik uitgenodigd, om te Pool Moor in Yorkshire te prediken, en ik geloof, dat de Heere met mij ging en het woord aan velen van hen zegende.

Ik kreeg het volk en de kapel aldaar lief, ofschoon de laatste bijna in het midden van een grote gemeenteweide stond. Waarlijk, ik was zo ingenomen met het volk en de plaats, dat ik dacht te moeten sterven, als de Heere mij niet vergunde, dat ik er als leraar kwam. Ik dacht dat het juist de plaats was, die God voor mij bestemd had, en dit geloofde ik zeker, omdat mijn hart er zo aan verbonden was. Op die tijd ook waren ze zonder leraar, en er waren er, die zeer van mij hielden.

"O", zei ik, "het zal op Gods eigen tijd gebeuren". Want ik wist, dat bij Hem niets onmogelijk was, daar Hij reeds zo menig keer mijn gebed had beantwoord, en mij in al mijn engten Zijn hulp nooit onthouden had. Hij toch was mij altijd geweest een gebedshorend en gebedsbeantwoordend God.

Ik begon met al mijn krachten om deze plaats te bidden; want, zo redeneerde ik, de Heere zegt immers : "Al wat gij zult bidden in Mijn naam, dat zal u gegeven worden". Joh. 16: 23, en "Doet uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen". Psalm 81 : 11.

Een menigte Schriftteksten kon ik bijbrengen en als ik nu de Heere maar overreden kon, de vervulling daarvan te schenken in de weg die ik verkoos. En ik dacht, er is ook geen andere weg, dan nacht en dag bij Hem aan te houden, want immers: "Het koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld". Matth. 11 : 12.

Verscheidene malen ging ik in deze kapel een beurt vervullen en telkens als ik er heenging. kreeg ik er meer en meer betrekking op. Het is ook juist de geschikte plaats voor mijn groot huisgezin, dacht ik.

Week uit, week in, bad en smeekte ik er om, en naar het mij op die tijd voorkwam, had ik zulke verzekeringen uit het Woord van God, en mijn eigen gewaarwordingen, dat ik bij tijden dacht zo zeker de plaats te zullen krijgen, als dat er een God was.

Als ik mij goed herinner, hadden ze enige malen Dominee Webster uit Liverpool gehad om voor hen te prediken, en het merendeel van het volk was zeer aan hem verbonden. Zoals ik verstond hadden zij het plan opgevat hem te beroepen, en sommigen hadden verwacht, dat dit zou hebben plaats gehad, vóór ik wederom een beurt vervullen kwam. Dit gebeurde echter niet. Zij geloofden, dat de volgende keer als ik kwam wel de laatste zou zijn. Ik was er niet zeer van terneergeslagen, want ik dacht, dat zij er onkundig van waren hoeveel gebeden en smekingen ik wel tot God had opgezonden.

Drie weken later moest ik des Zondags aldaar wederom prediken en enigen van het volk hoopten, dat dit voor het laatst zijn zou. En o, wat ik in deze drie weken al afgebedeld had; bijna nacht en dag was ik in het gebed.

Ik kan nog niet vergeten wat een reis ik had van bijna tweeëntwintig mijlen op de Zaterdag, dat ik er heen moest. Ik geloofde, naar het mij voorkwam, dat als Dominee Webster daar als hun leraar zou beroepen worden, ik dit niet zou overleven. Des avonds kwam ik bij een van de leden der kerk, waarna ik nog een mijl gaan moest voor ik in mijn logies was.

"Nog gezond op 't ogenblik?" zei ik, nadat ik was binnengegaan. "Ik veronderstel, dat gij over een leraar beslist hebt, zodat ik er mij niet meer over te vermoeien heb?"

"Wel", antwoordde de man, "het beroep is uitgebracht op Dominee Webster; sommigen van ons verkozen hem niet, maar het merendeel was voor hem, dus moesten we ons daaraan onderwerpen".

Toen ik dit hoorde, dacht ik, dat ik nedergevallen zou zijn. Ik greep mijn hoed en zei, dat ik gaan moest. Hij hield hard bij mij aan, dat ik wat zitten en met hem praten zou; maar o neen! want als ik niet weggegaan was, had ik het in huis wel moeten uitbrullen.

Ik ging dus naar buiten en kwam in een klein dal tussen twee heuvels. Hier dacht ik mij veilig, zodat niemand mij horen kon en daar brulde ik het uit als een woedende beer, die van haar jongen is; ja, ik kon mij nauwelijks weerhouden, de haren uit mijn hoofd te rukken. Ik huilde van woede, totdat ik niet meer kon. Toen hitste de duivel mij op met al zijn helse wrok en stookte zulk een ongeloof in mijn hart, dat ik het duizendste deel daarvan niet zou kunnen uitdrukken.

"Wat denkt gij nu van de Bijbel?" zei hij. "Gelooft gij dat het de waarheid is? Hebt gij niet wel honderdmaal om deze plaats gebeden en hebt gij niet een vloed van tranen daarom geschreid? En zegt de Bijbel ook niet : "Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien"? Ps. 126 : 5. Maar gij hebt met tranen gezaaid en smart gemaaid. En zegt de Bijbel niet, dat wat gij zult vragen, het u zal gegeven worden? Maar gij hebt gevraagd om die plaats en gij zijt gepasseerd. Er is geen God en de Bijbel is niets dan priesterlist en geheel uw godsdienst en al uw prediken is niets dan een ledig spel".

Daarop brulde ik het uit : "O, dat ik maar kon sterven! O, dat ik maar tot niet kon geraken!"

En er rezen zulke hatelijke en vreselijke godslasteringen in mijn hart tegen God op, dat naar het mij voorkwam ik God, indien mogelijk, van Zijn troon gerukt zou hebben en Hem onder mijn voeten vermorzeld. O, wat worstelde ik, tot het zweet mij over het aangezicht liep, opdat ik niet mocht uitbrengen wat in mijn hart opborrelde!

Eindelijk kwam ik aan mijn logies, doch ik kon niet gaan zitten, want ik was in zulk een toestand dat ik nauwelijks spreken kon, terwijl mijn gezicht bemodderd was van 't wenen. Ik verzocht de vrouw des huizes mij een kaars te willen geven en zei naar bed te willen gaan, daar ik niet wel was. Zij trachtte zoveel in haar vermogen was mij te overreden, dat ik haar iets klaar wilde laten maken, dat mij goed zou doen, maar ik zei, dat ik niets dan rust nodig had. Dus nam ik de kaars en ging naar mijn slaapkamer. En o, wat werd ik heen en weer geslingerd in mijn gemoed! Dan lag ik in bed en dan weer liep ik door de kamer tot een uur of vier, vijf des morgens, totdat ik werkelijk geloofde, dat ik van mijn verstand beroofd was en een krankzinnigengesticht mijn plaats zou zijn.

Maar wat betreft te bidden, te hopen, of het voor mogelijk te houden, dat ik ooit weer prediken zou, ik kon, dacht ik, gemakkelijker de zon uitgeblust hebben, dan een van deze dingen te doen.

Doch ik zal nooit vergeten de klank van deze woorden, die als een regen nederdaalden en als dauw vloeiden : "Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan". Joh. 13 : 7.

Wat een weekheid brachten deze woorden in een enkel ogenblik in mijn hart teweeg! Het gedierte des wouds keerde weer in zijn holen en mijn ziel sprong op als een vogel, die de strik ontkomen was en riep uit: "Het is de stem mijns liefsten". Hoogl. 2 : 8, O, wat smolt mijn ziel weg aan Zijn gezegende voeten! Ik bedekte mijn schaamrood aangezicht en kon noch opzien noch spreken van verwondering en diepe verbaasdheid over wat dit alles beduiden kon. Hoe zoet trok Hij mij door Zijn vredewoord naar Zich toe: "Toon mij uw gedaante, doe mij uw stem horen, want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk". Hoogl. 2 : 14.

Mijn ziel werd zo ingenomen en bemoedigd, dat ik op mijn knieën viel en gelijk een kind aan zijn vader vroeg: "Heere, hoe komt het, dat mijn gebeden niet beantwoord worden? O lieve Heere, toon mij als het U behaagt, hoe het komt en waarom! Gij weet, dat ik het hoe en waarom niet zeggen kan! Lieve Heere, toon het Uw arm, onkundig, zondig en hulpbehoevend kind, mijn lieve Jezus, toon het mij!"

En o, met welk een licht, leven en kracht sprak Hij deze woorden in mijn hart, waarmee in een ogenblik de zaak tot klaarheid gebracht werd en ik het hoe en waarom leerde verstaan: "Gij bidt en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw lusten doorbrengen zoudt". Jac. 4 : 3. O, wat zag ik duidelijk dat het alles mijn vleselijk ontwerp en uitvinding was en dat om mijn eigen vleselijk genot te behagen. Nu kon ik alles zoetelijk overgeven in de handen van mijn Verbonds-God. Nooit in mijn leven deed ik een predikatie met meer vrede en liefde, dan mijn laatste predikatie in de kapel te Pool Moor. Met een oprecht hart kon ik bidden, dat als het des Heeren wil was, Hij hen wilde zegenen in hun keuze van een leraar.

Hetgeen ik dus verwachtte, dat mij de dood en het verderf zou hebben aangedaan, werd mij nu tot de grootste zegening, die ik in geheel mijn leven genoten had.

O, welk een nut heb ik daarna wel honderdmaal daaruit gehad! En hoe menigmaal heb ik God daarvoor geloofd! Mijn ziel was aan enigen van hen zeer nauw verbonden en zij waren aan mij verbonden met een liefde, die nimmermeer vergaat, noch in de tijd noch in de eeuwigheid.

Enige tijd daarna scheidden enkele personen zich van hen af. Zij namen een kamer, waarin ik jaren achtereen van tijd tot tijd gepredikt heb en God mijn zwakke bediening onder hen heeft willen zegenen.

Omtrent deze tijd werd ik uitgenodigd om voor enkele mensen te Rochdale te prediken. Zij hadden zich afgescheiden van de kerk van Ds. Littlewood en kwamen onder het gehoor van Ds. Gadsby, die één keer per maand, in de week, te Rochdale kwam prediken.

Zij hadden een kamer gehuurd om hun bijeenkomsten daarin te houden en nadat ik enige keren aldaar geweest was, verbond ik mij regelmatig iedere Zondag aldaar te prediken. Als ik mij goed herinner, besloten zij, mij voor iedere keer dat ik daar kwam, zes schellingen te geven. Ik moest negen mijlen gaan en ik geloof, dat ik twaalf maanden lang daar regelmatig predikte.

De gemeente groeide echter zeer aan, zodat ze eindelijk een beroep op mij uitbrachten, hetwelk ik aannam. Dit had plaats in liet jaar 1809 of 1810. In deze standplaats genoot ik veel vertroostingen, maar deelde ook in vele droefenissen, ik ontmoette hier enige oprechte vrienden, zowel als enige ware vijanden.

Toen ik daar eerst kwam, schenen de latere vijanden wel hun ogen te hebben willen uitgraven om mij te geven, maar het einde van hun lied was: "Kruist hem! Kruist hem!"

Waarlijk, het is toch dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk der hemelen. Niettegenstaande dit alles "zal de rechtvaardige zijn weg vasthouden en die rein van handen is zal in sterkte toenemen". Job 17 : 9.

De Heere heeft gezegd, dat de grimmigheid der mensen Hem zal loffelijk maken en dat Hij het overblijfsel der grimmigheden zal opbinden, Ps. 76: 11, en zo heb ik het menigmaal bevonden tot eer van Zijn naam. Maar o, wat heb ik somtijds al ellendige tochten gemaakt van de plaats waar ik woonde naar Rochdale toe en dat bijna twee jaren aaneen. Dikwijls ben ik van huis gegaan, dat ik noch geld noch levensmiddelen achterliet en dan tot over de oren in de schuld; daarbij vol vleselijke redenering en ongeloof en niet anders voor ogen dan dat ik een smaad werpen zou op de zaak van God en de waarheid.

Wat heeft dan mijn ziel wel uitgebruld als een beer en gekird als een duif als ik des Zaterdagsavonds of ook wel des Zondagsmorgens door de eenzame velden liep. Daarbij meestal zonder tekst en dat de schuld mij in mijn aangezicht staarde, zonder enige waarschijnlijkheid om één enkele week door te kunnen komen en dan al onze kleren bijna versleten. Menigmaal heb ik op de weg wel uitgeroepen : "Wat moet ik toch een dwaas zijn om te gaan prediken, daar alles tegen mij gekeerd is!" Hoe dikwijls zei ik tegen de mensen, dat ik het prediken moest opgeven, want ik was er van overtuigd, dat ik dit nooit zou kunnen blijven doen zonder de zaak van God tot schande te brengen.

Doch zij lachten dan en zeiden mij, als ik van deze beproevingen eens niets afwist, ik dan geen geschikt prediker voor hen zou kunnen zijn; daarbij dat zij niet konden twijfelen of ik was op de beste school, waar God mij brengen kon om mij voor de predikstoel te bekwamen.

Dikwijls heeft mijn ziel dan uitgeroepen: "Gij allen zijt nietige vertroosters!" Job 16:2.

Ik was er van overtuigd dat als dit de beste school was, het er toch zeker een zijn moest, die 't minst aangenaam was voor vlees en bloed. Niettegenstaande bleek mij telkens, dat zij de waarheid zeiden en ik ben er zo zeker van als van mijn eigen bestaan, dat er een "noodzakelijkheid" heeft bestaan voor iedere beproeving die mijn God en Zaligmaker mij heeft doen ontmoeten, ja dat er niet een te veel geweest is. Zij allen hebben in de hand van God moeten dienen om mij te ontledigen en te ontdoen van al mijn menselijke steunsels en mij tot Hem te brengen als mijn al en al.

En ik heb het altijd ervaren, als ik aan het eind kwam en mij noch ter rechter - noch ter linkerhand meer wenden kon, o dwaas die ik was, dan wilde God nog horen, als ik tot Hem de toevlucht nam. Als mij alle hulp werd afgesneden, dan ben ik genoodzaakt geweest al mijn last op Hem te wentelen. Hoe menigmaal heb ik geweend, omdat ik dacht dat Hij niet langer geduld met mij zou kunnen hebben en dat ik Hem vermoeien zou. En toch, Zijn dierbare naam zij geloofd, ik heb Hem altijd bevonden te zijn, niet alleen de machtige, doch ook de gewillige om te helpen. Om het even in welke moeilijkheden ik gekomen mocht zijn en van welke beproevende aard deze ook waren, altijd heb ik bevonden dat bij Hem alle dingen mogelijk zijn en niets voor Hem te moeilijk is. Hoe menigmaal heb ik het ondervonden dat ik thuis kwam als mijn huisgezin niets meer had en ik dan juist die dingen meebracht waaraan wij behoefte hadden, zodat we elke beproeving zijn doorgeworsteld, al is het ook gelijk de Schrift zegt: "Ik ben ontkomen met de huid mijner tanden". Job 19:20.

Op zekere keer waren we beslist niet bij machte de huishuur te voldoen. Wij hadden ze bij elkaar gekregen op één pond na en we wisten niet waar wij het vandaan halen moesten. Het viel mij echter in, dat ik het de volgende Zondag van een mijner vrienden te Rochdale zou trachten te lenen. Ik verwachtte zeker dat hij het mij lenen zou, daar de Maandag daarop volgende de huur moest worden betaald. Wat bad ik God, gedurende mijn reis naar Rochdale, dat Hij mij de weg daartoe openen wilde! Ik zei Hem dat ik nergens anders te gaan had dan tot Hem, Die mij altijd had willen uithelpen in de nood.

"O Heere, wees zo goed en open het hart van deze of gene om het mij te lenen en ik zal U prijzen zo lang ik leef". Ik had een vrije toegang tot Hem en geloofde zeker, dat Hij mijn gebeden hoorde en dat ik het geld mee naar huis brengen zou.

Maar wat werd ik teleurgesteld! Want nadat ik des Zondags gepredikt had, vertelde ik mijn omstandigheden aan iemand die het wel doen kon, maar hij had het op die tijd niet beschikbaar.

O, hoe zonk mij de moed in de schoenen, en ik ging naar huis, ellendig genoeg. Nu geloofde ik waarlijk, dat het met mij gedaan was en ik kwam onder zulk een duisternis, ongeloof en vleselijke redenering, totdat mijn verstand bijna verbijsterd was.

Maar ik kwam aan een dorpje, genaamd Heywood, waardoor mijn weg lag naar huis toe.

Het viel mij juist in, dat ik nog een boodschap moest brengen van Ds. Gadsby aan een oude dame, die aldaar woonde, namelijk, dat hij op die avond zou overkomen.

Ik klopte aan de deur en vertelde mijn boodschap aan de bediende, maar de oude dame, die in de huiskamer zat, hoorde mij en stond er op, dat ik binnenkomen zou en een verversing gebruiken. Ik meende dit aanbod echter te moeten afslaan, daar ik nog ver van huis was en het reeds laat was geworden. Bovendien was ik zo naar gesteld, dat dames geen gezelschap voor mij waren.

Zij bleef echter aandringen, dat ik binnenkomen moest. Ik ging dus naar binnen en zette mij neder. En hoe het nu kwam, kan ik niet zeggen, maar toch was het zo, dat op hetzelfde ogenblik dat ik mij neerzette, ik mijn huishuur en al mijn ellende vergat, alsof zij met vleugels waren weggevlogen.

Er was ook een jonge dame, die de oude gezelschap hield. Ik begon te spreken van de dingen Gods met zulk een vrijheid, dat het mij zelf een wonder was. De jonge dame barstte daarop in tranen uit en zei : "Dit zijn dezelfde zaken die ik in mijn hart ervaren heb. Zijn dit bevindingen van Christenen?"

Bij het horen hiervan smolt mijn ziel in een ogenblik en mijn mond werd geopend om te spreken van de weg, waarin de Heere mij geleid had en dat met zulk een zoetheid en aangenaamheid, dat ik mijn huishuur en wat daarmee in verband staat, geheel vergat, en mij dunkt, ik kon de gehele nacht daar wel gebleven zijn. Doch toen ik op de klok keek, zag ik dat het mijn tijd werd om te gaan, want ik moest nog zeven mijlen lopen, en dat in een donkere nacht en op een moeilijk begaanbaar pad.

De oude dame verzocht mij voor ik heenging nog een gebed te doen en waarlijk, het was mij een tijd des gebeds en van lofzegging beide, want ik dankte God voor het aangename onderhoud, dat we gehad hadden, zodat ik bijna niet aan 't eind wist te komen. Het was inderdaad een tijd van verootmoediging voor ons allen.

Toen ik opstond uit mijn knielende houding en afscheid van hen nam, liet de oude dame een pond in mijn hand achter. Hierop barstte ik luid in een vloed van tranen uit, want ik kon mij niet bedwingen.

Zij waren beiden zeer ontsteld en vroegen mij,wat mij scheelde. Zodra mijn gemoedsbewegingen mij toelieten te spreken, vertelde ik hun, dat het morgen de dag was, waarop ik mijn huishuur betalen moest en dat ik getracht had zoveel in mijn vermogen was één pond, dat ik nog tekort kwam, machtig te worden, doch tevergeefs. En nu de goedheid en tedere barmhartigheid van mijn Verbonds-God te ontwaren, door dit bedrag in uw hart te geven, dit doet mij wenen.

O, wat weende de oude dame bij het aanschouwen van de goedheid Gods met mij mede van blijdschap. Ik verliet hen met wel tienduizend zegeningen uit mijn hart en ik ging mijn weg met blijdschap, beschouwende de onvergelijkelijke wonderen van mijn Verbonds-God. O, wat kon mijn ziel zingen op een zoete toon:

"Grijp, kind van God, grijp verse moed
De wolken die gij vreest
En u doen staan bedeesd,
Zijn vol van alle kost'lijk goed.
Zij zullen zegeningen
Op uwen hoofde bringen".

En wederom :

"God is Zijn eigen uitlegger,
Hij heeft gemaakt het klaar".

Hoe duidelijk zag ik, dat alles van God kwam, Die de weg geopend had, opdat ik mijn huur zou kunnen betalen, en de vijanden niet zouden kunnen zeggen: Aha, zo is het naar onze zin! O, hoe zoet was mij Davids lied: "De Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken ,Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan. zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns naams wil. Al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn wederpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Immers zullen mij 't goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens; en ik zal in 't huis des Heeren blijven in lengte van dagen". Ps. 23: 1 - 6.

Ik genoot nu voor een korte tijd de tegenwoordigheid des Heeren; en o, wat is het een genoegen en hemels vermaak de goede hand van God te mogen zien in het leiden der blinden door een weg, die zij niet geweten hebben en in het kromme tot recht te maken!

Waarlijk, zodanige ontsluitingen van Gods vriendelijkheid, beide als de God der voorzienigheid en genade, zullen een ziel bevestigen en versterken in de liefde, macht, getrouwheid, goedheid, barmhartigheid, vriendelijkheid en onveranderlijkheid van een Verbonds-God en Zaligmaker, meer dan al de uitleggers op de wereld. Want zodanige beproefde en verloste zielen zijn de getuigen Gods. "Gij zijt Mijn getuigen, zegt de Heere, dat Ik God ben en niemand is er dan Ik". Jes. 43 : 12.

Mijn ziel kon in de genieting van Hem, Hem alles toevertrouwen, Hem voor alles dankzeggen en Hem in alles verheerlijken. Ik kon zingen en zeggen uit het volle van mijn hart : "Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw naam geeft eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil". Ps. 115 : 1.

Enige tijd daarna begonnen wij te Rochdale, waar ik toen arbeidde en ook reeds geruime tijd gearbeid had, een nieuwe kapel te bouwen. De Heere had mijn arbeid aldaar gezegend en de toehoorders waren zo zeer vermeerderd, dat de kamer waarin wij vergaderden te klein werd. Het was waarlijk tot verwondering hoe de Heere een weg voor ons ontsloot; want wij waren zeer arme mensen. Maar o, hoe menigmaal ondervonden wij de waarheid van dit gedeelte van Gods Woord: "Het vee op duizend bergen is Mijne; Mijne is het zilver en Mijne is het goud". Hagg. 2 - 9. Want Hij opende de harten van het volk van verre en nabij om bij te dragen tot de oprichting van de "Hoop -kapel".

Wij noemden ze "Hoop -kapel", want, zeiden wij, het was begonnen in hoop, en voortgezet in hoop, en dat met een hoop, die niet beschaamd maakt. Dus noemden wij ze Hoop-kapel. Door vele strikken en moeilijkheden heen kregen wij ten laatste de kapel klaar, maar met een niet onaanzienlijke schuld er op, die zwaar op onze schouders drukte. Nadat ik enige tijd in de kapel gepredikt had, wensten de vrienden, dat ik met mijn huisgezin in Rochdale zou komen wonen; doch ik zat zo in de kleine schulden, dat het mij niet mogelijk scheen uit mijn woonplaats weg te komen. Het scheen mij ten enenmale onmogelijk, maar ik bevond het wederom, dat hetgeen bij mij onmogelijk was, mogelijk was bij God. En geloofd zij Zijn dierbare Naam, Hij bewees het bij vernieuwing, dat Hij machtig was mij uit dat Sodom te bevrijden; want gedurende vele jaren kon ik het niet anders noemen.

Hij opende de harten van dezen en genen, die ons juist uit onze schulden hielpen, zodat niet één vijand van God en de waarheid zeggen kon: "Aha, zo wilde ik het hebben!"

O, wat had de duivel mij gedurende vele jaren bij tijden gekweld, dat als ik van deze plaats verhuisde, het dan zou zijn het armenhuis! Vandaar, toen mijn huishouding op de kar geladen werd en er geen hond zijn tong tegen mij roeren kon, ik dacht, dat mijn ziel van vreugde uit mijn lichaam zou ontvloden zijn.

O, hoe zoet vloeide Hanna's lied in mijn hart en uit mijn mond tot God! "Mijn hart springt op van vreugde in de Heere, mijn hoorn is verhoogd in de Heere; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil. Daar is niemand heilig gelijk de Heere; want daar is niemand dan Gij, en daar is geen rotssteen gelijk onze God. En maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog Zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de Heere is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan. De boog der sterken is gebroken; en die struikelen zijn met sterkte omgord". 1 Sam. 2: 1 - 4.

O, mijn ziel aanbad, beminde en loofde Hem voor de ontsluiting van zulk een weg, dat niet één vijand, een ware beschuldiging tegen mij kon inbrengen, die tot oneer kon zijn van Zijn Naam en zaak; want deze waren mij toch dierbaarder dan het leven.

Zo gingen wij van daar weg met zes kinderen; wij hadden er zeven in 't geheel, doch de oudste was toen niet bij ons. Wij kwamen veilig te Rochdale en mijn hart was vol van de lof des Heeren. O, wat had ik een zoete tijd in mijn nieuwe woning! Ik richtte een altaar op voor de God van Abraham, Izaäk en Jacob, Die mij gevoed had van dat ik was tot daartoe. De Engel Zijns' aangezichts, die mij verlost had van alle kwaad, zette mij zo in het wonder daarvan, dat ik nauwelijks wist, dat ik op aarde was. Ik kwam zo onder de indruk van Zijn goedertierenheden in voorzienigheid en genade beide, dat net mij waarlijk in verrukking bracht Zijn goedheid voorbij mijn aangezicht te zien heengaan. Ik verwachtte, dat ik hier een effener pad betreden zou en dat ik wat meer op mijn gemak zou zijn.

Van die tijd af, dat God mijn mond geopend had om in Zijn naam te spreken, had ik altijd een verzoek gehad, namelijk dit, dat Hij mij een plaats beschikken wilde, waar ik op des Heeren dag mijn huisgezin bij mij mocht hebben.

En waarlijk, ik had vele zoete beloften, dat dit verwezenlijkt zou worden in Zijn eigen weg en op Zijn eigen tijd; doch weinig kon ik vermoeden, dat God dit vervullen zou door mij een woning te geven die aan de kapel grensde.

En toch was het zo! En inderdaad, had niet de Heere mij ondersteund toen des Zondags mijn vrouw en kinderen de kapel binnentraden, ik zou op de preekstoel in zwijm gevallen zijn.

O, wat een kracht lag er voor mij in deze woorden van David: "Gij had de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in 't vuur en in 't water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing. Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen, die mijn lippen hebben geuit en mijn mond heeft uitgesproken als mij bang was. Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela! Komt, hoort toe, alle gij die God vreest en ik zal u vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. Ik riep tot Hem met mijn mond en Hij werd verhoogd onder mijn tong. Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben; maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds. Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij". Ps. 66 - 12 -20.

Gedurende enige weken wandelde ik zeer getroost en was zeer begunstigd met de zoete tegenwoordigheid des Heeren, Hij leidde mij terug in de weg die Hij met mij gehouden had, en van ganser harte kon ik zeggen : "Hij heeft alles wel gedaan". Marcus 7 : 37. "Niet één woord is er gevallen van al de goede woorden, welke de Heere uw God gesproken heeft". Joz. 23 : 14.

Doch spoedig kreeg ik werk genoeg voor gebed, geloof en geduld. Mijn inkomen was nu vijf en twintig schellingen per week. Ik had zes kinderen thuis en mijn vrouw was weder in gezegende omstandigheden; daarbij waren de levensmiddelen duur, zodat ik al spoedig in zware zorgen zat. Het eerste wat wij te doen hadden zo spoedig we in de stad kwamen was bij de winkelier krediet aan te vragen voor hetgeen wij nodig hadden. Daar de tijd van de bevalling van mijn vrouw naderde, begon ik te vrezen, dat het niet mogelijk zou zijn de dingen, die zij op die tijd nodig had, te verkrijgen. Ik bemerkte al spoedig, dat ik van de ene zwarigheid in de andere springen moest, dat wil zeggen van de ene lenen om de andere te betalen, zodat ik al heel gauw mij niet wist te keren of wenden. Toen mijn vrouw in arbeid was, was er zeer weinig in huis en was ik nodig verplicht naar Manchester te gaan en haar dus bekommerlijk achter te laten.

O, wat had ik een nare reis! Al Gods vorige goedertierenheden waren voor mij weggesloten en nu begon de duivel mij te zeggen, dat het te Rochdale wel honderdmaal slechter zou gaan, dan in de vorige plaats, die ik zo menigmaal gewenst had te mogen verlaten. "Want hier", zei hij, "is de gehele stad op wacht, hopende dat zich het een of ander mag voordoen, om de mond te stoppen van zo'n laatdunkende Antinomiaan, en daartoe is de tijd nu gekomen. Uw vrouw zal sterven, God zal uw mond sluiten, en tenslotte moeten gij en uw kinderen naar het werkhuis".

Toen ik mijn zaken in Manchester had afgedaan en voornemens was naar huis te gaan, ontmoette ik een vriend, die mij vroeg hoe het ons ging en hoe het met mijn vrouw was, kortom hoe wij het maakten. Ik zei hem hoe de zaken stonden en daarbij, dat ik vreesde, dat de Heere, na al de weldadigheden die Hij mij bewezen had, mij verlaten had.

Na een weinig met elkaar gesproken te hebben, zei hij, dat de Heere mij niet verlaten had en ook nooit verlaten zou; en toen wij scheidden, gaf hij mij wat wij voor onze tegenwoordige behoeften nodig hadden, en zo keerde ik huiswaarts. Hoe krachtig en zoet kwamen deze woorden in mijn hart: En de engel des Heeren handelde wonderlijk in zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe". Richt. 13 : 19. En waarlijk, ik zag ook toe. Ik geloofde werkelijk, dat het met mijn vrouw goed afgelopen was en het kind een jongen was, dus riep ik uit, terwijl ik op de weg ging: "Zijn naam zal Manoach zijn".

Wat een zeer onderscheiden reis had ik naar huis toe! De gehele weg naar Manchester toe brulde de duivel en de gehele weg terug lachte de Heere mij toe.

Toen ik thuis kwam was alles in orde, mijn vrouw lag goed en wel op bed en het kind was een jongen. Hoe teder nam ik het kind in mijn armen en zegende het in de Naam des Heeren, zeggende: Zijn naam is Manoach en moge de Engel des Heeren wonderlijk voor hem handelen en zijn arme ziel aanzien, dat vergunne God op Zijn tijd".

O, hoe groot is de goedertierenheid des Heeren! Hoe aangenaam was het mij op mijn weg, de wolkkolom voor mij henengaande! Doch mijn ervaring is altijd geweest, veranderingen, bijzonderheden en wisselvalligheden. Want na enige tijd geraakten wij ten achter in de winkel, waar wij onze levensmiddelen kochten. Als ik mij goed herinner, beliep onze schuld bijna zeven pond, en we hadden slechts twee pond in kas, die wij gespaard hadden om de schuld af te doen, maar er was geen waarschijnlijkheid voor, dat we het resterende bij elkaar zouden krijgen. Evenwel kwam de rest op Gods eigen tijd en in Zijn eigen weg, en dit tot verwondering en verbazing van mijn ziel.

Er was één van onze diakenen, mijn rechterhand zo te zeggen, die toen ik voor het eerst in de stad kwam, voorwendde zulk een liefde voor mij te hebben, dat hij zijn ogen zou uitgraven en mij gegeven hebben. Echter korte tijd daarna begon hij zijn haat en vijandschap tegen mij te openbaren, door zo veel hij kon, te trachten mij te plagen, kwellen en bedroeven. Hij ging naar de persoon met wie wij handelden en vroeg hem of ik hem enig geld schuldig was. Het antwoord luidde, dat dit zo was. Toen zei hij met een vleiende tong, dat hij hem uit vriendschap wilde waarschuwen, dat als bij niet spoedig er voor zorgde, het geld binnen te krijgen, hij het dan wel kwijt zou zijn. Dit joeg mijn schuldeiser grote vrees aan, zodat hij mij een in zeer zachte termen gesteld briefje deed toekomen, waarin hij te kennen gaf, dat het hem zeer aangenaam zou zijn als ik mijn schuld betaalde, daar hij het geld nodig had. Dit deed mij van het hoofd tot de voeten beven. Nu", zei de vijand, "wat zult gij nu aanvangen? Gij moet er vijf pond bij hebben om er zeven te kunnen betalen. Gij hebt al meer opgenomen dan het kwartaal van uw salaris, dus van die kant kunt gij het niet verwachten. En daarbij als gij niet dadelijk betaalt, zal de gehele stad het te weten komen, wat de onbesnedenen een oorzaak van vreugde, doch uw vrienden een oorzaak van smart en droefenis zal zijn".

O, wat deed mij dit ternederzinken! Want ofschoon de Heere zeer veel voor mij gedaan had, bevond ik toch dat ik het geloof niet voor het grijpen had om zelfs maar één ogenblik op Hem te kunnen vertrouwen. Dit was des Zaterdags; en geen tekst en de Zondag op handen en ik kreeg er de gehele dag niet een, die indruk op mij maakte. Toen trachtte ik er zelf een te vinden en vele kwamen mij gepast voor, maar zij glipten mij allen door de vingers en vloden heen.

Doch door de tedere bemoeienis van een Verbonds-God had ik een goede dag in de voorhoven des Heeren. De Heere leidde mij in de zelfde zaken waarin sommige van Zijn lieve kinderen geoefend werden en zij gingen die avond huiswaarts, zich verheugende in de Heere, en lieten af van in het vlees te vertrouwen. De Heere begunstigde mij met een zoete kalmte, en ik kreeg een beetje hoop dat Hij het voorzien zou, ja, mocht al mijn zorgen op Hem werpen.

,Loof de Heere' fluisterde mijn ziel. Hij heeft verlost, Hij verlost". En ik had een zoete hoop, dat Hij zou verlossen.

Voor wij naar bed gingen, vroeg mijn vrouw, hoe wij de week moesten doorkomen. "Ik heb slechts twee schellingen", zei ze, "en wij kunnen in de winkel niets krijgen, alvorens onze oude schuld betaald te hebben; en de twee pond moeten wij niet aanroeren. Daarbij is er maar weinig in huis, dat weet gij. Wat denkt gij er van om de week door te komen?"

"Wel", zei ik, "bekommer u daarover niet vanavond. Ik ben vermoeid; laat ons ter ruste gaan en zien, wat de morgen zal brengen".

Ik had een zeer aangename nachtrust en daar ik vermoeid was, bleef ik tamelijk lang in bed liggen. Inderdaad was ik er een beetje afkerig van om naar beneden te gaan, bevreesd dat de twee schellingen weer ter sprake zouden komen.

Terwijl ik nog over de twee schellingen lag na te denken, kwam de brievenbesteller met een brief aan de deur en riep : "Een schelling en elf stuivers, juffrouw".

"Wat", riep mijn vrouw uit, "wat bedoelt gij?"

"Een schelling en elf stuivers, juffrouw".

Ik kon mijn lachen niet weerhouden, toen ik mijn vrouw en de postbode met elkaar bezig hoorde.

"Wel", dacht ik, "Wij behoeven er niet veel over te beraadslagen hoe we de twee schellingen besteden moeten; wij hebben er nog slechts een hele stuiver van over".

Noch ik, noch mijn vrouw begrepen op dat ogenblik, wat die schelling en elf stuivers te beduiden hadden.

Toen de brievenbesteller de deur gesloten had, kwam ze de trap op, alsof ze hem stuk wilde trappen. Zij kwam in de kamer met de brief en de stuiver en smeet ze beide neer.

"Nu", zei ze, "daar gij zo'n geloofsvoorraad bezit, hebt gij een gehele stuiver om naar de markt te gaan". En weg ging ze, allesbehalve goed geluimd.

Ik opende de brief en haalde er een biljet van twee pond en een van één pond, tezamen drie pond, uit.

Met verbazing vloog ik de trappen af en liet mijn vrouw de drie pond zien.

Arm schepsel! Zij stond er verwonderd naar te kijken en verklaarde, dat zij zich nooit meer angstig zou maken over één schelling en elf stuivers; en zij hoopte dat een schelling en elf stuivers maar eens spoedig terug wilde komen.

Juist toen wij er over aan 't praten waren, kwam Thomas Nivin binnen om eens te horen, hoe wij het maakten. Hij was mijn oude vriend, een Schot, iemand die ik van 't begin tot aan het einde altijd een getrouwe vriend bevonden heb.

Ik liet hem de brief lezen en vertelde hem in welke omstandig, heden wij verkeerden; dat ik in de winkel zeven pond schuldig was en mijn schuldeiser op betaling aandrong; dat wij slechts twee pond hadden om daarop af te doen, totdat deze brief kwam, en nu hadden wij vijf pond. De oude man verheugde zich er over en zei, dat hij blij was, de goedertierenheid van een Verbonds-God op zo'n wonderlijke en onverwachte wijze te zien.

Daarop zei de oude man: "Ik heb nog twee pond bij mij thuis, die ik op 't ogenblik niet nodig heb". Hij ging dan weg en bracht de twee pond mee. Mijn vrouw kleedde zich toen in haar beste kleren, en ging met de zeven pond de deur uit, om de schuld met ere te voldoen. Toen nam ik het besluit, alléén in de kapel te gaan, om aldaar de weldadigheid van mijn wonderdoende God te prijzen, die Hij betoond had in Zijn wonderlijke uitredding, aan een die het zo onwaardig was.

Maar ik ben beschaamd er over te schrijven of van te spreken, wat er in mijn gemoed kwam, zodra ik de kapel was binnengetreden.

In plaats van God te prijzen en groot te maken voor Zijn wonderlijke uitredding, schoot mij als een pijl door de gedachten, dat wie mij de drie pond gestuurd had, mij ook wel vijf pond had kunnen sturen, dan zou ik nog twee pond behouden hebben om in mijn andere behoeften te voorzien, en hadden ze goed van pas gekomen. O, wat haatte ik mijzelf om deze gedachte en wat worstelde, schreide en bad ik, om deze ellendige gewaarwording ten onder te krijgen! Ik liep heen en weer, smekende en roepende om een dankbaar hart; maar ik kon God, voor Zijn uitredding, niet danken uit de grond van mijn hart, al evenmin als ik een wereld vermocht te scheppen. Ja, ik bevond mijn hart zo hard als de onderste molensteen, zodat ik moest vaststellen dat de dankbaarheid een gift is, die van boven afdaalt. En ik ben er van overtuigd, dat de dankbaarheid evenzeer een gift van God is, als de uitredding. Maar geloofd zij Zijn Naam, Hij kan dit geven als het Hem behaagt; want enige dagen daarna toen ik op straat wandelde, daalde God in mijn ziel af met licht en liefde, en deed Hij mij Zijn hand bemerken in de uitredding te zenden. Dit vervulde mijn ziel met zoetheid, verwondering en dankzegging. "Het is goed dat men de Heere looft; die echter van God onderwezen zijn, weten het wel dat alle goede gaven en alle volmaakte giften van boven zijn, van de Vader der lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering". Jacobus 1 :17.

Spoedig daarna had ik verdriet op verdriet te Rochdale, en ik begon in te zien, dat ik daar nooit lang zou kunnen blijven; ik was ook vast overtuigd dat God dit nooit beoogd had, want iedere weg werd toegesloten en tenslotte kwam ook mijn oude vriend, de Schot, ons zeggen, dat hij niet beloven kon, zoveel bij te dragen als hij tot nu toe gedaan had; en waarlijk stond ik er verwonderd over, wat hij gedaan had gedurende vele jaren.

De diakenen ook zeiden mij dat het duidelijk was dat de Heere mij voor een andere plaats bestemd had, en zij achtten het goed voor mij de gelegenheid aan te grijpen, indien de Voorzienigheid daartoe een weg opende.

O, wat sloeg mij dat terneder! Ik had toen acht kinderen, zat tot over de oren in de schuld, en ontwaarde niets dan wolken en donkerheid, van binnen en van buiten.

Enige dagen daarna ontving ik een brief uit Maidstone, in Kent, niet de mededeling, dat als ik niet bezet was, zij mij voor vier of zes weken op proef wensten te hebben.

Ik zag dit aan als een wonderlijke ontsluiting in de weg der Voorzienigheid en zond hun een brief terug, waarin ik de tijd vaststelde, waarop ik daar hoopte te zijn.

Het was dunkt mij één dag nadat ik dit antwoord verzonden had, dat ik een andere brief ontving van enige mensen die in een kamer vergaderden te Trowbridge, in Wiltshire. Zij verzochten mij, als ik ter beschikking was, voor één maand op proef.

O, wat stond ik er verwonderd over en ik wenste te weten, wat dit alles beduiden kon.

Ik schreef hun terug, dat ik aan hun verzoek wilde voldoen zodra ik mijn verplichting te Maidstone vervuld zou hebben.

Op de vastgestelde tijd ging ik naar Maidstone en bleef daar zo lang als ik aangenomen had. Zij brachten daarna een beroep op mij uit en wat mij betrof, alles was voor vlees en bloed zo aangenaam als ik maar wensen kon. Ik was dan ook ten volle besloten het beroep aan te nemen, maar ik moest mijn verplichting nog nakomen tegenover de lieden te Trowbridge. Ik was echter in mijn eigen gemoed overtuigd, dat ik naar Maidstone zou gaan, en wel zo zeker, als ik van mijn eigen bestaan verzekerd was.

Zo kwam ik dan te Trowbridge om mijn maand door te brengen. De kamer was stampvol met mensen en de Heere zegende het Woord overvloediglijk. Toch was ik vast besloten naar Maidstone te gaan. Ook de lieden te Trowbridge brachten een beroep op mij uit en daar de tijd bijna verlopen was, moest ik noodzakelijkerwijze toch een antwoord geven. O, wat smeekte en riep ik tot God, dat Hij mij bevel wilde geven om naar Maidstone te gaan! Want bidden om te Trowbridge te blijven kon ik niet. Immers zag ik daar niets tegemoet dan moeiten, beproevingen en ellende, want ik kon het niet anders uitrekenen, of er zou een nieuwe kapel moeten worden gebouwd en daar zag ik tegenop, wel wetende wat een smart en narigheid "Hoop-kapel" mij gegeven had.

Ik worstelde met, bad en riep tot God, om naar Maidstone te mogen gaan, tot bijna drie uur in de morgen. En o, wat zonk mijn ziel weg toen Hij deze woorden tot mijn hart sprak : "Blijf hier, want Ik heb veel volks in deze stad". Hand. 18 : 10.

"O", riep ik, "Heere laat mij naar Maidstone gaan, als het U belieft, Heere, wijs mijn smekingen niet af, laat mij naar Maidstone gaan". Maar het woord klonk herhaaldelijk: "Blijf hier, want Ik heb veel volks in deze stad". Maar nog hield ik bij Hem aan, mij te laten gaan naar Maidstone. Ten slotte besliste de Heere de zaak in één ogenblik door deze woorden tot mijn ziel te spreken: "Indien zijn kinderen Mijn Wet verlaten en in Mijn rechten niet wandelen; indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden, zo zal Ik haar overtredingen met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen". Ps. 89 - 31, 32, 33.

En ik kon dit woord aannemen als gesproken tot mijn ziel : "Gij moogt naar Maidstone gaan, maar hier is de roede, en er schiet niet anders over, als gij gaat".

Toen viel ik neder en riep uit: "Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede".

"Maar", riep ik uit, "hoe kan ik hier blijven, hoe kan ik hier rondkomen, als ik met een gezin van tien mensen hier kom en dan mijn vrouw weer in verwachting? Hoe is het mogelijk, dat ik hier wonen kan, daar de mensen zeer arm zijn?" En o, de Heere verwaardigde Zich de zaak in mijn ziel tot een oplossing te brengen door deze woorden : "Het vee op duizend bergen is Mijne. Al het goud en het zilver is Mijne, de aarde en haar volheid. Uw brood wordt u gegeven, uw wateren zijn gewis. Vrees niet, want Ik ben met u, zijt niet versaagd, want Ik ben uw God; Ik help u, Ik ondersteun u met de rechterhand Mijner gerechtigheid".

Daarop riep ik uit : "Het is genoeg, het is genoeg. Amen, het zij alzo!"

Van dat ogenblik af was Maidstone geheel uit mijn hart weggenomen en mijn wens om aldaar predikant te zijn eveneens; ja, zo volkomen, alsof ik nooit van deze plaats gehoord had. En nu ben ik nog hier te Trowbridge; een arme worm, en ik heb het Woord van God bevonden de waarheid te zijn, gedurende bijna twee en twintig jaren.

Einde van het eerste deel.

 

TWEEDE DEEL

Toen ik Trowbridge verliet en te Rochdale aankwam, om mijn huisgezin van daar te halen, sneed het mij door de ziel, als ik mijn oude vrienden ontmoette, met wie ik zulk een zoete omgang had gehad, en gedurende vele jaren nauw verenigd was geweest. En nu te denken om van hen te moeten scheiden. O, wat deed dit mij zeer, zodat ik dacht, dat het voor mij onmogelijk was, deze gewaarwordingen te doorstaan.

Toen ik mijn afscheidspredikatie deed, dacht ik, dat ik niet zou hebben kunnen voleindigen, vanwege de tederheid van mijn gemoed bij het aanschouwen van het lieve volk met wie ik zoveel aangename tijden, als ook tijden van grote bekommering had doorleefd. Ook kan ik bij ogenblikken niet vergeten, de vele smekingen die wij opzonden, en de tranen die wij met elkander schreiden, om het welgelukken van de zaak Gods in de "Hoop-kapel".

Meermalen verwachtte en hoopte ik, dat ik daar mocht leven en sterven, doch God wil dat Zijn raad bestaat. En, geloofd zij Zijn dierbare Naam, het is ook de rechte en goede weg, en Hij zal altijd Zijn kinderen brengen daar waar zij dit zien, erkennen, beminnen en bewonderen; ja zij zullen tot Zijn eer en heerlijkheid zingen : "Mijn Jezus heeft alles welgedaan".

Maar had ik het niet ondervonden, dan had ik nooit kunnen denken, dat het zo'n pijnlijke zaak voor het hart is, een volk te verlaten met wie wij een ware vereniging des harten hebben. Somtijds dacht ik, dat het mijn hart in stukken zou hebben gebroken; en inzonderheid was dit het geval toen het tot een scheiden kwam. Ik dacht dit niet te hebben kunnen doorstaan.

Ik kon iets verstaan van Paulus' gemoedsstemming, als hij uitriep : "Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt". Hand. 21 :13. De woorden, waarmee ik afscheid nam, zo ik mij wel herinner, waren uit Hand. 20 : 32 : "En nu, broeders, ik beveel u Gode en het woord Zijner genade; die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden".

Als ik ooit mijn ziel gevoelde onder de bedauwing van de Geest, geloof ik dat het op die tijd was, toen ik de kleine kudde mocht toevertrouwen in de handen van de grote Herder. Het was inderdaad een tijd van wenen en ik moet uit mijn ganse hart zeggen, dat ik wens nooit meer zo iets door te maken, namelijk een volk te verlaten, waaraan mijn ziel zo gebonden is. Ik wist niet, dat ik zo'n liefde had tot de ware zielen te Rochdale, totdat de tijd van scheiden daar was; en welk een troost en blijdschap is het sindsdien voor mij geweest, dat God heeft doen zien en geopenbaard heeft, dat onze smekingen en tranen om de welstand van de kleine kudde der "Hoopkapel" niet onvervuld gelaten zijn, maar dat Hij deze heeft willen horen en beantwoorden; en ik geloof, dat de Heere hen zeer heeft willen doen voorspoedig zijn, sedert ik ze verlaten heb.

Ik wenste echter, dat Hij het doen wilde, door mij als instrument; "maar de raad des Heeren zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen". Jes. 46: 10.

Dit heeft mijn ziel wel honderd malen ervaren; en geloofd zij Zijn dierbare Naam, Hij heeft mij altijd daar gebracht waar ik het zien en tasten kon, dat het een rechte weg is naar de stad ter woning.

Des Maandags, de dag nadat ik mijn afscheid van de kleine kudde genomen had, verlieten ik en mijn huisgezin Rochdale en kwamen diezelfde avond te Manchester aan, waar wij tweemaal overnachtten. Des Dinsdagsavonds ging ik mijn lieve vriend en broeder Ds. Gadsby beluisteren, en nooit zal ik de tekst en de predikatie vergeten. Wat had ik een zegen aan mijn ziel onder die tekst en die predikatie; ja, nog wel veertien of vijftien jaar daarna! Ik zou het duizendste deel er van niet kunnen noemen of schrijven. De woorden waren uit Spreuken 5 : 15 -17: "Drinkt water uit uw bak en vloeden uit het midden van uw bornput. Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten. Laat ze uwer alleen zijn en geen vreemden met u".

Ik geloofde werkelijk, dat van allen die in de kerk waren, het alléén voor mij bestemd was. O, met welk een zalig genoegen en verwondering zat ik neder en hoorde ik de heerlijke zaken, die hij als uit de mond Gods tot mijn ziel voortbracht.

Ik ontving ze als een plechtig bevel van God aan mij, om te Trowbridge te blijven, en ik bevond ze ook wel honderdmalen daarna, woorden van bemoediging voor mijn ziel, als ik ten opzichte van mijn bediening in zeer diepe wateren van moedeloosheid verkeerde.

De sterkte, die ik daaruit trok, de vele keren als ik met de handen in het haar zat! En zo zeker als ik geboren ben, nooit kon ik prediken of deze tekst en deze predikatie kwamen mij voor de geest: "Drinkt water uit uw bak en vloeden uit 's midden van uw bornput. Laat ze uwe alleen zijn en gener vreemden met u".

Inderdaad heb ik reden om te geloven, dat God die predikatie voor mij heeft laten doen; en ik moet bekennen, dat ik mijn gehele leven nooit een predikatie gehoord heb, die mij zo lange tijd tot een grote zegen geweest is. Als ik tot vertwijfeling gebracht werd, dat ik nooit meer in staat zou zijn om te kunnen prediken, dan lieten deze woorden mij nooit in de steek.

Des Woensdagsmorgens vertrokken mijn vrouw, ik en onze acht kinderen per wagen naar Manchester, bleven één nacht te Burmingham, kwamen op Donderdagavond te Bristol en des Vrijdagsavonds veilig te Trowbridge. Mijn ziel smolt weg van dankbaarheid jegens de God mijner goedertierenheden, voor Zijn vriendelijke bescherming over zo'n arme worm en zijn klein geslacht, omdat Hij ons bijna tweehonderd mijlen veilig geleid had.

Toen ik te Trowbridge aankwam, werd ik geheel aangedaan bij liet zien hoe de harten des volks waren geopend geworden en hoe zij hun vriendelijkheid betoonden door voor mij een huis te meubileren met al het nodige, zelfs tot bedden, schotels en lepels toe.

Waarlijk, dacht ik, de Heere is aan deze plaats, want over het algemeen was het een zeer arm volk; doch wat kan er al niet gedaan worden als God werkt? Bij Hem zijn alle dingen mogelijk.

En deze woorden klonken wederom met kracht in mijn ziel: "Blijf hier want Ik heb veel volks in deze stad" en "Want al het goud en zilver staat te Mijner beschikking".

Als een grote berg had ik er tegen op gezien en hoe hij overwonnen zou worden wist ik niet; ook niet hoe ik Rochdale zou kunnen verlaten met zo'n groot gezin en dan bijna tweehonderd mijlen ver weg te moeten om daar dan een huis te vinden en de nodige meubelen.

Maar mijn God deed het al spoedig uitkomen dat Hij de berg tot een vlak veld kon maken. En zo geschiedde het, want alles werd gedaan met vrolijkheid en genoegen en het huis met levensmiddelen voorzien. O, wat genoot ik gedurende verscheidene maanden, hemelse tijden! In die tijd vergaderden wij in een zaal, die ongeveer drie of vier honderd mensen kon bevatten en ik geloof dat God aldaar met ons vergaderde op een zeer wonderlijke wijze, want Hij gaf getuigenis aan het Woord Zijner genade, dat duidelijk bleek door de tekenen die er op volgden.

De vergadering vermeerderde op zodanige wijze, dat binnen enkele weken de mensen met grote moeite in de zaal konden; en dit bleef zo voortgaan, zodat wij al spoedig inzagen, dat wij moesten beginnen om een kapel te bouwen. De harten ook des volks werden waarlijk verlevendigd en het Woord des Heeren had zijn loop en werd verheerlijkt.

Een groot aantal mensen leerden ondervindelijk verstaan, dat het Woord van God is gelijk een tweesnijdend zwaard, dat diep in het hart gaat en dit deed hen uitroepen : "Mannen broeders, wat moeten wij doen om zalig te worden?"

O, wat smolt mijn ziel en boog zich in het stof, als ik de vriendelijke hand van God aldus voor mij heen zag gaan, getuigenis gevende aan het woord Zijner genade.

Wij kregen er al spoedig een groot aantal, die konden vertellen wat God aan hun zielen gedaan had, en die hun lot onder ons wierpen, die ook niet beschaamd waren het kruis op te nemen, en hun Heer te volgen door kwaad gerucht en goed gerucht. Doch er was ook geen gebrek aan verslaggevers, beide onder belijders en goddelozen, die uitriepen : "Geef ons te kennen en wij zullen het te kennen geven".

Alle verachtelijke namen die bijeen geschraapt konden worden, werden gelegd op de rug van de arme Warburton. Enigen zeiden, dat ik een onverdraaglijke dweper was, anderen weer dat ik een vijand was van alle heiligheid, een vuile Antinomiaan, een vermetele goddeloze schelm, volkomen ontbloot van één greintje liefde.

En toch, van week tot week en van maand tot maand verdedigde ik de liefde en sprak er goed van, want ik was er van doordrongen dat de grootste ellendeling in deze wereld, niet zo'n behoefte had om goed van liefde te spreken, als ik zelf. Want ik betuigde van Zondag tot Zondag dat het niets dan zuivere liefde was in God de Vader dat Hij Zijn schapen van eeuwigheid had uitverkoren en Zijn beminde Zoon gegeven, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet mocht verderven maar het eeuwige leven hebben. En het was mijn overtuiging, dat wij arme schapen doolden van 's moeders buik af, dat wij leugenaars waren, en dat niets dan zuivere liefde al onze ongerechtigheden op Hem kon leggen.

En ik hield het onveranderlijk vast dat de liefde in God de Zoon, geheel vrijwillig geschonken was; een vlekkeloos kleed om de naakte te kleden, een kostelijk fontein om de vuile zondaar te wassen en te reinigen, een heerlijke zaligheid voor de verlorenen, onbewegelijk vast in alle eeuwigheid; brood voor de hongerigen, wijn voor de zwakken, sterkte voor de wankelenden, ogen voor de blinden en vergiffenis voor de schuldigen. Ja, ik handhaafde volkomen dat er niets was, waaraan een arme en behoeftige ziel gebrek kon hebben, ofschoon nog zo vuil en onwaardig in haarzelf, of de liefde had dit alles in Christus geschonken. Ik verklaarde dat alle dingen gereed waren: "O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk". Jes. 55 : 1.

Ik leerde ook volstandig dat liefde in God de Heilige Geest de fontein is van alle heil voor arme bedelaars die verplicht zijn van Hem af te hangen. Want wat kon het anders zijn dan liefde dat Hij ons stuitte in onze zondeloop, onze blinde ogen opende, en dat terwijl wij er niet om vroegen of Hem zochten? Wij zijn levende getuigen dat Hij gevonden werd, van degenen die Hem niet zochten. En wat kon het anders zijn, dan de vriendelijke daad der liefde, die niet wilde toelaten dat wij onze eigen gerechtigheid gingen oprichten? Hiervan ben ik overtuigd, dat er nooit één schepsel geweest is die harder werkte, zwoegde en tobde, om wat eigengerechtigheid te bekomen, opdat ik aanspraak maken mocht op de barmhartigheid Gods, dan ik zelf. Doch God heeft het bepaald en vastgesteld, dat wij Zijn barmhartigheden en zegeningen niet zullen ontvangen op hetgeen wij gedaan hebben of kunnen doen. Neen, de liefde beurt de ellendige op, kleedt de naakte, voedt de hongerige, heelt de gewonde en verlost volkomen de verlorene; en het was immers mijn ervaring, dat zodra ik niets had om te betalen dat de liefde het mij vrijwillig kwijt schold.

Derhalve leerde ik steeds, dat alle kinderen van God, die naar Zijn voornemen geroepen zijn, door de liefde bedeeld werden, beide naar lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid. Het was mijn volle overtuiging, en dat is het van een iegelijk die van God onderwezen is, dat alle goede gift en volmaakte gave van boven is, van de Vader der lichten, de fontein der liefde, afkomende, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering. Jac. 1 : 17. Ook leerde ik, dat de belijders van de godsdienst, die ontbloot. waren van liefde, dood waren in de zonden en vijanden van God en de waarheid. Al ware het, dat ik de talen der mensen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden. En al ware het, dat ik de gave der profetie had, en wist alle verborgenheden, en alle wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets. En al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf om verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven. 1 Cor. 13 : 1, 2, 3.

Derhalve kon ik niet anders, dan Zondag voor Zondag prediken, dat als de liefde in het hart was uitgestort door de Heilige Geest, zij ons leidt om God te beminnen, Zijn volk en Zijn wegen lief te hebben, Hem te verheerlijken in lichaam, ziel en geest; de zonden te haten met een volkomen haat; en verlangt en wenst heilig te zijn, gelijk God heilig is. O, als ik deze liefde genadiglijk in mijn hart mag ontwaren, wat bewonder ik dan en verheerlijk de verkiezende liefde en de keuze van God de Vader! Wat smelt dan mijn ziel en roept zij uit in heilige verwondering: "Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is". 1 Joh. 3: 1 - 3.

O, de gezegende verwondering, liefde en bewondering, die ik in mijn hart gevoeld heb voor God de Zoon, om voor mij, zulk een zwart monster als ik, een gerechtigheid uit te werken, die mij zo schoon doet zijn als de gordijnen Salomons, Hoogl. 1 :5, en mij doet staan voor een heilig God zonder vlek of rimpel, ja, "volmaakt door Mijn heerlijkheid die Ik op u gelegd hebt, zegt de Heere Heere". Ezech. 16 : 14.

"Ik in haar en gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één". Joh. 17: 23. "Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van énen (O gezegende Enen! die mijn ziel bij tijden heeft aangebeden!) velen tot rechtvaardigen gesteld worden". Rom. 5 : 19. "Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing. Opdat het zij gelijk geschreven is : die roemt, roeme in de Heere". 1 Cor. 1 :30, 31.

Wat is mijn ziel wel weggesmolten in onuitsprekelijke verwondering en aanbidding, als ik Hem door het geloof zag in de hof van Gethsemané, in zielsangst en Zijn zweet gelijk grote druppels bloed, die op de aarde afliepen. Luc. 22:44.

O, welk een smart, droefheid en angst naar ziel en lichaam heeft Hij ondergaan als Hij was onder de toorn, die de goddelijke rechtvaardigheid uitstortte, om de vervloekte zonden van Zijn volk! Wat moet Hij hebben gevoeld toen Hij uitriep: "Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe", Marc. 14: 34, en aan het kruis : "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Luc. 15:34. Een geloofsgezicht van dit lijden voor ons en de zoete kracht daarvan

in onze harten, zal ons de zonde doen haten en alles dat strijdt tegen deze eer en heerlijkheid van onze geliefde Verlosser. Ik weet en heb het in mijn ziel ondervonden hetgeen God zegt bij de profeet Zacharia 12 : 10 : "En zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen, als met een rouwklage over een eniggeboren zoon, en zij zullen over Hem bitter kermen, gelijk men bitter kermt over een eerstgeborene".

O, wat brengt een zodanig gevoelig gezicht een goddelijk berouw in het hart, een berouw dat niet betreurd behoeft te worden! En kon mijn ziel en tong zulk een liefde helpen prijzen en verheffen, die sterker was dan de dood, die vele wateren niet konden uitblussen, noch de rivieren konden verdrinken? Ja zelfs, hoe meer ik er van ontwaarde, des te meer vrijheid bracht het in mijn ziel en met te meer vrijmoedigheid en onbevreesdheid hief ik mijn stem op: "Dat met een offerande, Hij in eeuwigheid heeft volmaakt degenen die geheiligd worden". Hebr. 10: 14. "In welke wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving onzer zonden, naar de rijkdom Zijner genade". Efeze 1 : 7. "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorene Gods? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja wat meer is, die ook opgewekt is; die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt". Rom. 8 : 33, 34.

Zodat ik met Paulus moest uitroepen : "Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen anders dan in het kruis onzes Heeren Jezu Christi".

En ik kan niet, en God helpe mij, ik wil niet anders, dan goed spreken van de liefde in God de Heilige Geest, zolang de Heere mij de kracht verleent om te kunnen spreken. Want Hij was het, die mij greep in mijn zondeloop, die een geroep in mijn hart legde om tot God te roepen, en die mij tegenkwam in het oprichten van mijn eigen gerechtigheid. Zijn onzichtbare hand weerhield mij dat ik de hand aan mijn eigen leven sloeg. Hij openbaarde in mijn hart een verzoenend bloed en een toegerekende gerechtigheid; en menigmaal als de vijand in mijn ziel indrong met zulk een verschrikkelijke vloed van schromelijke lasteringen tegen de Heilige Drieëenheid, inzonderheid tegen de Heilige Geest, dan heeft Hij, geloofd zij Zijn dierbare Naam, weder een banier opgeheven, en mij uit een ruisende kuil opgehaald, en mijn voeten op een rotssteen gesteld. Ps. 40:3. Op deze tijden was ik wel zo laag nedergezonken, dat ik niet meer hoop in mijn ziel had dat God Zich in liefde en barmhartigheid aan mij wilde openbaren, dan Hij dat wilde doen aan de duivelen. Wel honderd malen ben ik geweest, dat ik, naar het mij voorkwam, niet meer geloof, hoop, liefde, geduld, ijver of zelfs een wens om een wens, in oefening in mijn hart had, dan de beesten des velds; en het is mijn overtuiging, dat ik even spoedig de bodemloze oceaan met een emmer zou kunnen ledigen, dan ik een geestelijke begeerte tot God zou kunnen opwekken.

Maar geloofd zij Zijn dierbare Naam, Hij is wederom gekomen op Zijn eigen tijd en blies een zachte wind van levengevende en zoete bewerkingen in mij, zodat mijn ziel in één ogenblik was als een gewaterde hof en ik moest uitroepen met verwondering, genoegen en vermaak: "O, dat mijn liefste tot zijn hof kwam, en at zijn edele vruchten". Hoogl. 4: 16.

Liefde, verheuging, vrede, vernedering, lof en heilige ijver voor de eer en heerlijkheid van mijn God zijn van mijn mond en hart uitgegaan tot de dierbare Vertrooster voor Zijn onverdiende vriendelijkheid, in het verlevendigen van mijn ziel door Zijn zoete bezoeken. Want ik ben een levend getuige dat het Zijn gezegende bezoeken zijn, die mijn geest verlevendigen.

Ik ben dikwijls, zeer dikwijls, zo verward, zo donker, en zo volkomen blind in mijn gemoed geweest, dat ik tot mijn verkwikking en vertroosting, niet zien of tasten kon, of er ooit enig waarachtig werk van God in mijn ziel begonnen was. En hier ben ik opgesloten geweest in de gevangenis, beroofd en geplunderd en verstrikt in zulke holen, dat ik niets kon tegemoet zien, dan een prooi van de duivel te worden en een ellendige en vermetele afvallige, die God als een vuile huichelaar wilde doen openbaar worden.

Ja, als een die een lamp van belijdenis had, maar geen olie in zijn vat, hebbende de gedaante der godzaligheid, maar niets wist van de kracht daarvan, een die kon praten over de letter, doch een vreemdeling van de geest, die met de godsdienst begonnen was, doch de ware Godsvrucht was nooit met hem begonnen.

Hier heb ik menigmaal verkeerd en dan kon ik van Zijn vorige goedertierenheden niets bemerken, noch ook zien noch geloven, dat God Zijn goed werk van genade in mijn hart begonnen had, evenmin als dat ik de doden zou kunnen opwekken. En dan bleef mij niets over dan weeklagen, gezucht, gekerm en geween, totdat de Heere Zich bij vernieuwing aan mijn ziel openbaarde met een: "Maak u op, word verlicht, want uw licht komt; en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op", Jes. 60 : 1, en dan kon ik juichen en zingen: "De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vervaard zijn". Ps. 27 : 1. "Ik zal niet vrezen, wat zou mij een mens doen". Ps. 118:6. Dan kon ik terugblikken en bezien de gehele weg welke mij de Heere geleid had en was dan overtuigd dat het een rechte weg was tot een stad ter woning; zodat ik een armlastige ben voor de liefde ten opzichte van tijdelijke en geestelijke dingen, zowel voor de tijd als voor de eeuwigheid. Ja, ik verdedig en zal ook blijven verdedigen, voor zover de Heere mij daartoe in staat stelt, beide in het verborgene en in het openbaar, de wonderen, de heerlijkheid, de schoonheid en dierbaarheid van de liefde; en toch moet ik gebrandmerkt blijven als iemand die een vijand is van de liefde.

Doch als deze mensen door liefde verstaan een vereniging met Arianen en Socinianen, die de Godheid van mijn God en Zaligmaker loochenen, Die zich telkens en bij vernieuwing aan mijn ziel geopenbaard heeft als de sterke God, de Vader der eeuwigheid en de Vorst des Vredes, dan belijd ik met een volkomen hart, dat ik van liefde ontbloot ben.

Als zij door liefde verstaan, dat ik mij moet inlaten en van tijd tot tijd moet verenigen met lieden die belijden en ook zonder schaamte zeggen, dat de verkiezing een verdoemelijk leerstuk is, dat zij in hun hart haten; daarbij ook dat de toegerekende gerechtigheid een toerekenbare ongerijmdheid is, ja een leerregel die verafschuwd en verworpen moet worden door allen, dan moet ik zeggen van de liefde niets af te weten.

Want die toegerekende gerechtigheid is het kleed dat mijn naakte ziel versiert en dat zo menigmaal is geweest de verheuging en blijdschap mijns harten; het kleed dat ik zo menigvuldig bevonden heb te zijn een gewaad, des lofs voor mijn benauwde geest.

Als zij door liefde verstaan, dat ik mij behoor te verenigen met mensen die zeggen en belijden dat wij de ene dag een kind van God en de andere dag een kind des duivels kunnen zijn; dat Christus is gestorven en verzoening gedaan heeft voor de zonden van Ezau, zowel als voor die van Jacob; voor de zonden van Judas zowel als voor die van Petrus en dat er duizenden in de hel zijn voor wie Christus gestorven is, dan heb ik geen kennis aan liefde.

Als zij door liefde verstaan dat ik mij moet verenigen met en zodanigen broeders noemen moet, die belijden te geloven in de leer, stellingen der genade, die zichzelf Calvinisten noemen en evenwel zeggen dat deze gezegende leerstellingen slechts van ondergeschikt belang zijn, dan heb ik geen liefde. Want als ik hun mening goed begrijp, dan willen zij zeggen : "Nutteloze leerstellingen" of wel leerstellingen, die zo van geen direct belang zijn, of wij die aannemen en geloven of niet, hoofdzaak als wij ons maar vinden kunnen met allerlei slag van mensen en bidden voor allerlei mensen en oprecht en toegevend zijn jegens alle mensen en iedereen achten als deel te hebben aan de genade.

Ik belijd van harte, als zij dit alles liefde noemen, dat ik er totaal van ontbloot ben, maar ook dat inplaats van dat het gemis daarvan mij smarten zou, ik daarin juist mijn eer stel. Ik gevoel inderdaad geen haat tegen hun personen, want zij zijn ook schepselen Gods; ook wens ik hun geen overlast aan te doen, maar de beginselen die de vrije en souvereine genade vernederen en het schepsel verhogen haat en verfoei ik. Want hoe zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeen gekomen zijn? Amos 3:3.

Mijn ziel heeft de waarheid te duur gekocht, dan dat ik er van scheiden zou, voor zulke nietigheden als de lof en toejuichingen van mensen; en juist zodanige belijders die een vriendelijk gezicht van de mensen meer beminnen dan de waarheid van God, zijn hun hartelijk welkom.

Ik misgun ze dat niet.

Doch niettegenstaande dat alles, wat deze verslaggevers ooit konden voortbrengen, stond God mij, arme worm, bij en gaf getuigenis aan het woord Zijner genade, dat mensen noch duivelen het konden keren. Ik geloof dat zij uit alle macht dit trachtten te doen; maar God heeft gezegd en ik weet dat het zo zijn zal, want telkens heb ik het ondervonden: "Mijn Woord zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen hetgeen dat Mij behaagt; en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend". Jes. 55 : 11.

Daar de zaal waarin wij vergaderden, door de toevloed van mensen te klein werd, begonnen wij een kerk te bouwen, die plaats bood voor zeven- à achthonderd personen. Wat was mijn hart somtijds klein uit vrees dat wij niet in staat zouden zijn het werk te voleindigen! In het bijzonder was dit het geval, als ik op zekere dag het gebouw in ogenschouw nam, toen het was opgetrokken tot aan het eerste raam. De moed ontzonk mij en ik vreesde dat er niets van terecht zou komen en dat onze vijanden zouden kunnen zeggen: "Zo is 't ons naar de zin".

Velen verklaarden, dat het voor ons onmogelijk zijn zou, het gebouw te voltooien, en anderen hadden er behagen in, te denken dat voor een fabriek dienst zou kunnen doen. Ik kwam thuis in mijn kamer, zo vol ongeloof als maar mogelijk was. Toen begon ik de moeiten te overdenken, die ik met betrekking tot de kerk aldaar doorleefd had, en vreesde dat het te Trowbridge even zo gaan zou. O, wat kermde en zuchtte ik gedurende enige uren, dat de Heere Zich wilde openbaren en mij een blijk wilde geven, dat Hij er Zijn hand in had en dat Hij het ons zou doen gelukken en met ons zijn. En hoe zoet en aangenaam paste Hij deze dierbare verzen van de tweede Psalm toe: "Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen tezamen tegen de Heere, en tegen Zijn Gezalfde, en zeggen: Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen. Die in de hemel woont zal lachen; de Heere zal ze bespotten. Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij ze verschrikken. Ik toch heb mijn koning gezalfd over Zion, de berg mijner heiligheid".

O, welk een vernedering, blijdschap, vrede en vertrouwen vloeiden uit deze woorden in mijn hart, en welk een lofzegging en aanbidding vloeiden uit mijn mond tot mijn Verbonds-God, voor Zijn tedere barmhartigheden om mij bij vernieuwing in staat te stellen, mijn voet te zetten op de nek mijner vijanden. En hoe zoet klonken deze woorden, die mij aan Trowbridge verbonden, in mijn ziel: "Blijft hier, want Ik heb veel volks in deze stad".

Ik was als een held, die door de wijn verkwikt is, en kon met vertrouwen uitroepen : "Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop. Een ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel". Ps. 27 :3, 4.

O, wat kwam ik in vernedering voor en gevoelde ik een liefde tot God, dat Hij mij, zo'n dwaas, gering schepsel, zo'n nul, had willen verkiezen en mij waardig geacht had, om Zijns Naams wil smaadheid te lijden. Nu kon ik bidden voor mijn vervolgers, dat als het de wil van God was, hun ogen geopend mochten worden, opdat zij de ellendige staat waarin zij waren, mochten zien en leren uitroepen : "O God, wees mij zondaar genadig". Ja, ik kon in mijn hart de versmaadheid van Christus meerder rijkdom achten, dan al de genoegens van deze wereld, hoe goed of groot ook genaamd.

Van maand tot maand werd het nu openbaar, dat hoe meer wij vervolgd werden, hoe meer wij groeiden. Doch omtrent deze tijd deed zich een zeer treurige en beproevende omstandigheid in mijn huis voor, waarvan ik vreesde, dat zij mijn dood veroorzaakt zou hebben. Ik gevoel het, dat ik mij niet kan weerhouden deze geschiedenis hier neer te schrijven, uit overweging alléén, dat zo dit geschrift ooit in druk verschijnen zou, het mogelijk in handen vallen kan van een of ander kind des Heeren, dat eveneens geweest kan zijn of nog is onder eenzelfde beproeving.

In het bijzonder een week was ik op verschillende plaatsen in het land uit prediken geweest en gedurende die dagen had ik een zoete gemeenschap met God en een aangename vrijheid in het prediken mogen hebben, zodat ik nauwelijks wist, dat ik op de wereld was. Ik dacht, dat de Heere mij tot Zich nemen zou en ik verloor mijzelf in het wonder Zijner goedertierenheid en dat aan zulk een made als ik was. Ik ging des Vrijdags naar huis, vol liefde en vrede in mijn hart, toen ik, ongeveer een mijl van mijn woning zijnde, met een verbazende kracht bepaald werd bij deze woorden: "Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, ziet toe; want God maakt ook de ene tegenover de andere, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets dat na hem zijn zal". Pred.7: 14. Zij deden mij in een ogenblik stilstaan en ik verwonderde mij er over, wat ze zouden kunnen beduiden. En zulk een nadruk viel er op het woord maar, dat ik van het hoofd tot de voeten beefde.

"O", riep ik uit, "wat zal er komen? Wat is er aan de hand?"

Al mijn troost, liefde en gemeenschap met God vloog als met vleugels in één ogenblik van mij weg; en hoe ik die mijl afstand naar mijn huis toe aflegde, weet ik niet te zeggen, want ik was er zeker van, dat mij iets vreselijks en pijnlijks te wachten stond.

Toen ik mijn woning binnentrad, riep ik tot mijn vrouw: "Wat is er gaande? Zeg het mij als er iets is, want ik vrees, dat er wat niet in orde is".

Arm schepsel, zij barstte in een vloed van tranen uit en kon gedurende enige minuten niet spreken.

"O", riep ik, "zeg mij toch, wat is er gaande?"

En toen ze eindelijk spreken kon, zei ze mij, dat de jongen, die verkering had met mijn oudste dochter haar in een onteerde toestand verlaten had.

Ik zat neder en weende zolang ik kracht had om te wenen. Ik geloofde zeker, dat dit mij tot het einde van mijn leven brengen zou, want het was mij alsof mijn hartzenuwen het begaven; ook kon ik niet geloven, dat het voor mij mogelijk zou zijn dit te doorstaan. O, welke tijden bracht ik gedurende een dag of zeven door! Noch tong noch pen is in staat een duizendste deel daarvan te zeggen of te schrijven. God verborg Zijn aangezicht voor mij en dat was mijn grootste smart. De duivel brulde en zei mij, dat God mij verlaten had, en dat ik ten slotte zijn prooi zou zijn. Als ik zuchtte en riep, scheen de hemel van koper, en als ik in de Bijbel keek, was het een verzegeld boek. Vele belijders, zowel als goddelozen, verheugden zich er over als over een rijke buit; doch mijn oprechte vrienden gingen in het zwart en gevoelden in hun zielen het scherpe van de verdrukking om mijnentwil. Ja, ik geloof, dat zij de troon der genade met hun tranen besproeiden, of het de Heere uit tedere barmhartigheid behagen mocht Zich aan mij te openbaren, mij onder dit alles te ondersteunen en mij met blijdschap en vrede uit de verdrukking op te halen, hetwelk de Heere ook op Zijn eigen tijd gedaan heeft.

Doch welke soort van belijders het zijn, die zich over zulke dingen verheugen en vergasten kunnen, is duidelijk genoeg. Sommigen zeiden, dat het een oordeel van God was over mijn vermetelheid in het prediken en voordragen van een bijzondere verkiezing, toegerekende gerechtigheid, verzoenend bloed, doch alleen voor de, schapen; krachtdadige roeping door de genade van God van niemand dan de uitverkorenen door de genade, en de volharding tot het einde toe van die allen, tot de eeuwige heerlijkheid. En dat ik leerde, dat noch zonde, dood, duivel of hel een dergenen door de Vader verkoren, verlost door de Zoon, geroepen, onderwezen, onderhouden, en bewaard door de Heilige Geest, konden brengen in de bodemloze put. Geloofd zij God, Hij heeft de sleutels van dood en hel, zowel van het koninkrijk der genade en ik ben er deugdelijk van overtuigd, dat Hij nooit de deur ontsluiten zal om één van Zijn schapen te doen verloren gaan, voor wie Hij grote druppels bloed heeft gezweten in de hof van Gethsemané, voor wie Hij is gestorven en gebloed heeft aan het kruis. Neen, Hij "geeft Zijn schapen het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal er een uit Zijn hand rukken". Joh. 10 : 28.

Hoezeer ze ook door duivelen en mensen geweld mogen worden aangedaan, Hij zal er zorg voor dragen, dat ze nooit uit Zijn handen gaan. Arme schepselen, zij geloven bij tijden werkelijk, dat Hij ze uit Zijn handen van liefde en barmhartigheid heeft losgelaten en roepen dan uit : "De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mijner vergeten", maar de Heere ontkent deze beschuldiging en vraagt : "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat ze zich niet ontfermt over de zoon haars buiks?" "Ja", zegt de Heere, "ofschoon deze vergeet, zo zal Ik uwer niet vergeten; ziet, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd, uw muren zijn steeds voor Mij". Jes. 49:15, 16.

Geloofd zij Zijn heerlijke Naam, want als Zijn volk naar de hel moet, dan moeten de palmen Zijner handen ook daarheen.

Sommigen zeiden, dat ze met deze zaken instemden, doch hielden ze voor een bijzondere opvatting en oordeelden het zeer verkeerd ze in het publiek te leren. Of dit doende, ze zodanig in te kleden, dat ze geen struikelblok konden zijn voor vrome zielen, die hun plichten wilden betrachten, noch ook arme zondaren schrik konden aanjagen om niet tot Christus te komen en zich aan Hem vast te klemmen als hun dierbare Zaligmaker.

Doch wat mij aangaat, ik heb nooit een bijzondere opvatting gehad aangaande de zaken Gods en de Waarheid, want ieder leerstuk dat ik predikte heb ik ontvangen in veel droefenis of in blijdschap van de Heilige Geest; en zij hebben mij meer dan veertig jaren beschut en beschermd. Ja, nu en dan, wanneer het God behaagt deze leerstellingen te doen druppen als de regen en Zijn rede te doen vloeien als de dauw, dan ben ik overtuigd, dat ze mij veilig geleiden,zullen tot het einde toe.

Hoe nu, kan zulk een worm als ik ben, denken van een poging te doen om God en Zijn Waarheid te omzwachtelen? Zover als God mij bekwaamheid verleend heeft mijn mond te openen, is mijn pogen geweest de mensen te zeggen wat deze leerregels zijn, wat ze teweegbrengen in de zielen dergenen, die een zaligmakende kennis daarvan bezitten; en welke vruchten zij dragen in het openbaar, in gezelschappen, in huis, in de kerk en in de wereld. Ja, ik ben er van overtuigd, dat, waar deze leerstellingen in het hart gekend en ondervonden worden, zij de mens zullen onderwijzen de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden te verzaken, en matig, rechtvaardig en godzalig te leven in deze tegenwoordige wereld.

Een van deze belijders vertelde aan een van ons volk, dat het hem meer genoegen zou gegeven hebben als de vader in plaats van het kind in deze strik gevallen was.

Sommigen hoopten, dat het een waarschuwing voor mij zijn mocht en dat zij mij genezen zou van die bittere geest, van dat enge en bekrompen begrip, dat ik altijd geopenbaard had, door het afsnijden en in stukken snijden van zo menige vrome ziel en ze te brandmerken als huichelaars.

Anderen zeiden, dat het nu openbaar kwam, dat ik een verschrikkelijke Antinomiaan was en dat ik mijn kinderen niet had opgevoed in de weg die zij gaan moesten; want indien dit zo geweest was, zouden zij daarvan niet afgegaan zijn.

Zo schreeuwde de een dit, de ander wat anders. Sommigen geloofden, dat ik nooit meer prediken zou; en waarlijk, toen de Zondagmorgen kwam, was het voor mij net zo onmogelijk om te prediken als ik de doden zou kunnen opwekken. Alles was donkerheid en verwarring van binnen en van buiten; en hoe ontsteld ik naar de plaats der aanbidding heenging, weet God alleen. De Heere gaf mij echter een boodschap en kracht om ze uit te dragen, maar het ogenblik na de predikatie, toen ik nederzat, viel de duivel op mij aan met al zijn helse woede - dat ik nooit mijn weg zou vasthouden, dat het volk mij verlaten zou, dat God mij verlaten had en dat, ofschoon ik de predikatie gedaan had, het niet was gedaan door de onderwijzing en invloeden van de Heilige Geest, doch dat het slechts een product was van mijn eigen oordeel.

O, wat schudde en beefde ik en ofschoon ik de dag, op welke wijze weet ik niet, doorkwam, toen de nacht kwam vreesde ik van mijn verstand te geraken. Somtijds gevoelde ik zulk een gramschap, toorn en woede in mijn hart tegen mijn kind oprijzen, dat ik als het ware een neiging gevoelde om ze van het leven te beroven. Andere tijden weer kookte mijn hart van gramschap en toorn tegen God, omdat Hij deze zaak had toegelaten, dat naar het mij voorkwam, ik Hem van Zijn troon zou kunnen getrokken en onder mijn voeten verbrijzeld hebben. Mijn knieën sloegen tegen elkander, verrotting kwam in mijn gebeente, mijn lippen beefden, het haar van mijn hoofd bewoog zich, de banden mijner lendenen werden los en lichaam en ziel werden in stukken gestoten en als aan de mond des grafs verspreid. Ja, en somtijds vreesde ik, dat de hel haar mond opende en gereed was mij te verzwelgen. En wat kon ik anders verwachten, ziende en gevoelende niets dan duivelse gramschap, toorn en vijandschap tegenover God en mensen? Het is in der waarheid: ik had niets dan zuchtingen, klaagliederen en bitterheid, van de morgen af tot de avond toe, totdat ik zo afgetobd was, dat ik in bitterheid mijner ziel uitriep : "Mijn ziel kiest de verworging en de dood boven het leven". Job 7 : 15.

Op zekere dag, terwijl ik nog in deze ellendige toestand was, toen ik de trap opkroop om in de slaapkamer te komen, kwamen deze woorden met zoveel kracht in mijn ziel, dat ik enige minuten op de trap bleef staan: "Want wie onderscheidt u ? En wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen? 1 Cor. 4 : 7. O, in één ogenblik zag en gevoelde ik, dat ik geen steen kon opnemen om hem op mijn kind te werpen; en dat ofschoon ik bewaard was gebleven voor het bedrijf van zo'n schandelijke zonde, sedert de Heere Zijn koninkrijk der genade in mijn hart opgericht had, niet mij de eer daarvan toekwam; want zo God mij had overgelaten aan mijn goddeloze natuur, dan had ik wel in zo'n ellendige toestand geweest kunnen zijn in plaats van haar.

Dit deed mij voor God invallen met een verbrokenheid des harten en belijden, dat Hij daarvan de eer toekwam; en o, wat gevoelde ik nu een liefde tot mijn kind! Mijn ziel ging uit in het gebed voor haar, en zij mocht bevonden worden een vat der barmhartigheid te zijn en dat God deze zaak wilde doen gedijen tot haar zielsbehoudenis en Zijn heerlijkheid. (Ik heb reden om God te prijzen, dat hetgene waarom ik toen bad, is vervuld geworden. Het behaagde de Heere de omstandigheid, die ik vermeld heb, tot heil harer ziel te doen strekken en haar te brengen onder de overtuiging van haar zonden. Ik ben overtuigd, dat het werk van God was in haar ziel en zij is gedurende vele jaren een bestendig lid onzer kerk geweest.) En zulk een zoetheid, vernedering en goddelijk berouw vloeide in mijn hart, dat ik aan Zijn voeten nederviel en slechts toekeek, ja bewonderde wat dit alles beduiden kon: "Zijt stil en weet, dat ik God ben". Ps. 46: 10. Het is goed dat men hoopt en wacht op het heil des Heeren. O, wat een stilte was er! Hoe zweeg alles in één ogenblik. Niet een duivel bewoog zijn tong en de onstuimige zee stond stil van haar verbolgenheid. Mijn ziel riep met David uit en dat met een diepe indruk: "De stem des Heeren is op de wateren, de God der ere dondert; de Heere is op de grote wateren. De stem des Heeren is met macht, de stem des Heeren is met heerlijkheid; de stem des Heeren houwt er vlammen vuurs uit". Ps. 19 : 3 - 7. "Die het bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven en het rumoer der volken. En die op de einden wonen vrezen voor uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen. Gij bezoekt het land en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol water". Ps. 66:8 -10.

O, wat een bedaardheid, vrede, vernedering, dankbaarheid en lof was er in mijn hart tot God, dat Hij aan mij, nietige worm, gedacht had in mijn geringe staat! Met Hanna kon ik zingen: "Mijn hart springt op van vreugde in de Heere, mijn hoorn is verhoogd in de Heere; mijn mond is opengedaan over mijn vijanden, want ik verheug mij in uw heil. De boog der sterken is gebroken; en die struikelen zijn met sterkte omgord. Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren, maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door de kracht". 1 Sam. 2: 2, 4, 9.

Het is door zulke plaatsen als deze, dat mijn ziel kennis gekregen heeft van de dierbaarheid der souvereine genade, die schraagt, beschut, onderhoudt, verlost in spijt van zonde, ongeloof, vleselijke redenering, vertwijfeling, ja alles wat de duivel ooit voortbrengen kan, uit- of inwendig. Zijn dierbare Naam zij geloofd, Hij heeft menigmaal mij door vuur en water geleid en uitgevoerd in een overvloeiende verversing, Ps. 66: 12, zodat ik niemand behoef om mij te zeggen, dat het mijn plicht is, om God alleen de eer te geven.

Als Hij mij heeft doen zien en ondervinden de heerlijkheid van Zijn genade en liefde in mijn ziel, dan was het mijn zielsverlustiging, de heerlijkheid weder te geven aan Hem van Wie ze gekomen was en het was verheuging en blijdschap van mijn hart uit te roepen: "Geeft de Heere, gij kinderen der machtigen, geeft de Heere eer en sterkte. Geeft de Heere de eer Zijns Naams; aanbidt de Heere in de heerlijkheid des heiligdoms". Ps. 29: 1 en 2.

En o, hoe gelukkig heeft mijn ziel zich op zulke tijden met Paulus kunnen verenigen. "Want God, Die het licht uit de duisternis heeft doen schijnen, is Dezelfde Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Jezus Christus". 2 Corinthe 4 : 6.

En met welk een genoegen, blijdschap en vermaak is mijn ziel en tong op zulke tijden tot God uitgegaan ."Uwer is het koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen". Matth. 6: 13.

Ik kan nu vergenoegd rusten en mijn schouders buigen onder iedere last, verzekerd en bewust dat alle dingen voor degenen die God liefhebben, medewerken ten goede, dengenen namelijk, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Rom. 8:8.

Vele tongen waren er los gekomen die in het verborgen en in het openbaar in het licht stelden, wat er bij Warburton had plaats gehad, doch het gekwaak van deze sprinkhanen buitendeurs, had niet veel invloed op mij, daar God de oude mens en de duivel van binnen, het zwijgen oplegde; want ik weet dat 's mans ergste vijanden zijn huisgenoten zijn.

O, hoe zoet kon ik de volgende dag des Heeren tot het huis Gods opgaan, zo stoutmoedig als een leeuw, en als een sterk getuige dat ik alles vermocht door Christus, Die mij kracht gaf; en God hechtte Zijn groot zegel aan mijn geringe arbeid, zodat noch de woede van duivelen of mensen dit werk konden stuiten. Voor veler gevoelen was het onuitstaanbaar, dat zo'n ellendig schepsel als ik die alle menselijke wetenschap ontbrak en nooit de academie bezocht had, doch slechts een arme wever, van achter het weefgetouw gekomen, zou opstaan tegen leraren en anderen, die deze dingen niet bevindelijk kenden.

Sommigen zelfs dachten dat ze het noch konden, noch wilden uitstaan; maar arme schepselen! zij moesten het uitstaan, want ik kon van niets anders getuigen, dan wat mijn ziel getast en gesmaakt had van het goede woord Gods. En zover als mij de Heere geholpen heeft tot op deze dag toe, heb ik naar mijn beste weten niet één woord achter gehouden om de toejuiching van mensen te verkrijgen en ik hoop dat God mij daarvoor bewaren zal, de weinige dagen, die ik op de muren van Zion zal verblijven.

Dit voorval werd inderdaad rijkelijk aan mijn ziel gezegend. O, wat werd ik gedurende weken nauw aan de Heere gebonden, dat Hij mij wilde bewaren als Zijn oogappel; dat niemand mij zou aantasten om mij kwaad te doen, dat Hij mij elk ogenblik wilde bevochtigen, dat ik niet dor of onvruchtbaar zijn mocht, dat ik Zijn vrees in zoete oefening in mijn hart ervaren en gedurig voor ogen hebben mocht; en dat ik tegen elke verzoeking mocht zeggen: "Gaat achter mij Satan, want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn". Matth. 16:23.

Het werk aan het kerkgebouw ging voort en was spoedig voltooid. Wij namen het in gebruik en ik geloof dat God er ook in kwam. Het huis liep stampvol en ik twijfel niet of God hoorde en beantwoordde ons gebed. Wij gingen nu enige tijd getroost onze weg, doch ik begon te bemerken dat mijn inkomsten wat tijdelijke dingen aangaat niet toereikend waren om mijn uitgaven te dekken, en ik geraakte dan ook in moeilijke omstandigheden, die een scherpe beproeving voor mijn geest waren. Ik toch verkeerde in het midden van vijanden die dagelijks op mijn hinken wachtten. Daar ik zo'n geducht salaris had, namelijk drie pond per week, dachten sommigen dat ik daar heel wat van over kon houden. Maar ik bevond dat wie de schoen draagt het best kan zeggen waar ze knijpt, want naarmate onze tien kinderen opgroeiden, groeide ook hun mond, rug, buik en voeten en hadden ze vanzelf meer nodig. Ik durfde er echter niet over spreken om mijn inkomen wat te verhogen, uit vrees dat dit door sommigen een onvergeeflijk iets geacht zou worden; want er waren in die tijd enigen in de kerk, die zich er over verwonderden hoe ik het met een goede consciëntie in overeenstemming kon brengen, om drie pond per week aan te nemen. Er waren een paar lieden, die als leden ons ter zijde stonden, waarvan ik geloof dat ze meer zorg en moeite over mijn salaris hadden hoe ik het zou beheren en besteden en wat ik daarvan zou kunnen overhouden en die daarover meer wakker lagen, dan zij ooit gedaan hadden over de zaligheid van hun zielen.

Ik herinner mij zekere dag, toen ik zeer terneergeslagen was over enige schulden, die in totaal een tien pond bedroegen, dat ik het niet in huis houden kon. Ik ging dus naar buiten om een wandeling in het veld te doen.

Daar ontmoette ik bij geval een vriend, die ook in onze kerk kwam, die mij vroeg hoe ik het maakte.

Ik antwoordde hem, dat het mij tamelijk wel ging naar het lichaam.

Daarop zei hij : "Ik ben blij u te zien, en ik hoop dat gij u niet beledigd zult achten over hetgeen ik u zeggen zal. Ik heb tien pond die ik op het ogenblik niet nodig heb, en als gij die kunt gebruiken, zal het mij genoegen doen, u die te geven, ja ik zal het mij een eer rekenen, als gij ze van mij wilt aannemen". Ik bedankte hem voor zijn vriendelijkheid en zei, dat ik ze voor dit ogenblik o zo goed kon gebruiken. Ik was zo vol, dat ik op die tijd niets meer zeggen kon. Wij scheidden dus en ik ging het veld in; en o, wat had ik een inzicht in de barmhartigheid, goedertierenheid, macht, getrouwheid en majesteit van mijn Verbonds-God en Vader! De gehele schepping was met schoonheid versierd en in dat alles kon ik mijn Vader aanschouwen. O, wat een zoetheid en heerlijkheid liggen er in deze woorden van de apostel, als ze op zulke tijden in het hart druipen: "Alles is uwe, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe, en gij zijt Christi en Christus is Gods!" 1 Cor. 3 : 22, 23.

Die er ooit iets van geproefd hebben, kunnen haar heerlijkheid beter gevoelen dan beschrijven.

De dierbare woorden met welke ik aan Trowbridge verbonden werd kwamen wederom met zoetheid, lieflijkheid en heerlijkheid in mijn ziel : "Blijft hier, want Ik heb veel volks in deze stad. Uw brood wordt u gegeven, uw wateren zijn gewis. Want het vee op duizend bergen is mijne en al het goud en zilver is Mijne en over de harten van alle mensen heb Ik te beschikken.

Spoedig verdeelde ik de tien pond onder mijn schuldeisers en dit ontsloeg mij van het bezwaar, waaronder ik zeer terneergeslagen was geweest.

Weldra echter vond ik mij verplicht aan de vrienden mede te delen, dat het mij aangenaam zou zijn als zij mijn salaris wilden verhogen in de vorm van mij kosteloos te doen wonen; want het was mij onmogelijk de huishuur te betalen uit mijn tegenwoordig inkomen, temeer daar mijn vrouw haar twaalfde kind gekregen had. Wij hadden één kind door de dood verloren, namelijk ons derde, en één hadden wij er in het Noorden gelaten, toen we ons te Trowbridge vestigden, zodat wij er nog tien thuis hadden.

De vrienden hadden er niets tegen de huur te betalen, doch enige tijd daarna achtten enigen van hen het toch meer dan de zaak dragen kon. Derhalve kwamen twee of drie diakenen naar ons toe en zeiden mij, dat de vrienden onderling beraadslaagd hadden over de betaling der huur en dat zij tot het besluit gekomen waren, dat het meer was dan de zaak dragen kon, doch waar het bleek, dat ik deze niet betalen kon, hadden zij een plan gevormd, dat indien ik daarin bewilligde, de kerk ontlasten zou en toch het gewenste resultaat zou opleveren. Dit plan was het volgende: Ik zou voortaan de huur van mijn huis zelf weer betalen en de kerk zou mij twee maanden in het jaar vrij geven om te kunnen prediken, daar waar de Heere voor mij de weg ontsloot, terwijl de kerk voor die twee maanden andere hulp inroepen zou.

Hierbij was echter bedongen, dat ik één maand vrij nemen zou in de lente en de andere maand in de herfst. Zij hoopten, dat ik op dit voorstel zou kunnen ingaan, hetwelk de lasten der kerk zou verlichten.

Zonder één ogenblik hierover na te denken, nam ik het voorstel aan en zei hen, dat hoewel ik niet één kerk wist, die mij voor één maand zou willen hebben, ik er toch mee akkoord ging, omdat de leden het zo wilden.

Toen zij vertrokken waren, had ik werk genoeg van binnen. Waarlijk, zo overlegde ik bij mijzelf, dit is een bewijs, dat ze mij moede zijn en dit is een zogenaamde oplossing om van mij af te komen. O, wat trok de duivel en mijn eigen hart daar een voordeel uit! En wat een schok kreeg ik van deze woorden : "En dat ik schroomde is mij overkomen". Job 3 :25.

Wel, dacht ik, het zal net gaan als te Rochdale; zodra de kerk voltooid was, had ik rust noch duur door toedoen van enkelen onder hen, tot ik er vandaan was; en zo zal het hier ook gaan. O, het was mij alsof ik het gebrul van de duivel hoorde : "Waar is nu uw vertrouwen om in deze stad te blijven? Het is precies als met uw ander vleselijk vertrouwen, het zal alles in het vlees eindigen; en al het rumoer en groot gerucht dat gij in het land gemaakt hebt, zal op uw kop wederkeren. En wat zult gij dan beginnen? Meer en meer komt gij in schulden en zodra uw beste vrienden weten, dat uw groot inkomen niet toereikend is om u buiten schulden te houden, zullen ze gaan denken, dat gij uw zaken niet beheert zoals het behoorde en zij zullen u de rug toekeren, zodat gij tenslotte zult geraken in een toestand, dat gij geen huis hebt om in te wonen en geen bed om op te slapen".

Hierdoor kwam ik onder zulke gewaarwordingen, dat ik niets voor ogen had dan het armenhuis voor mijzelf en voor mijn huisgezin. Ik weet het, er zijn menigten van belijders, die geloof hebben tot aan het einde van hun vingers toe, en die lachen over zulk een zwakheid, maar voor die arme kinderen van God, die door deze dingen worden opgesloten, is het geen zaak om over te lachen, want zij kennen er door zielsondervinding iets van wat Job bedoelt: "Ziet, Hij breekt af en 't zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand en daar zal niet opengedaan worden. Ziet, Hij houdt de wateren op en zij drogen uit ook laat Hij ze uit en ze keren de aarde om". Job 12 : 14, 15

Ook David zegt: "Ik ben besloten en kan niet uitkomen", en dit deed hem uit 's harten grond uitroepen: "Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven". Ps. 142:8.

Mijn ziel weet door pijnlijke ervaring wat het is, opgesloten te zijn door ongeloof en God niet te kunnen vertrouwen voor een vier stuiverstuk. Ja, en dat terwijl ik iedere Zondag Gods lieve volk vermaande niet op hun eigen wijsheid te betrouwen, maar te vertrouwen op de Heere, want dan zouden ze gevoed worden. Ja, ik zei hun, dat hun Vader alles in Zijn handen had en dat Zijn beloften nimmer falen zouden; en toch, wanneer ik aan mijzelf gelaten werd, kon ik Hem niet vertrouwen, voor lichaam noch ziel, voor tijd noch eeuwigheid. Ik ben er zo zeker van, dat het geloof "een gave Gods" is, als ik er van overtuigd ben, dat mijn leven in de hand Gods is. Ja, ik wenste dat ik geloven kon te allen tijde, want alles is mij troostelijk en aangenaam, als ik kan geloven, dat God mijn God is, en dat ik Hem kan zien, voor mij heengaande. Jezus zegt: "Wanneer Hij zijn schapen uitgedreven heeft, dat ze Hem volgen", Joh. 10 : 14, en het is een zoet volgen, als zij Zijn heerlijke persoon zien, en Zijn gezegende stem horen, want zij kennen Zijn stem door de kracht die er mee vergezeld gaat; daarom: "Waar de stem des Konings is, daar is heerschappij". Pred. 8 : 4.

Zij kennen Zijn stem ook door de vernedering, die zij teweegbrengt; want zij vernedert de ziel en doet ze smelten in een waar berouw voor Hem. "Spreek, Heere, want Uw knecht hoort", 1 Sam. 3 : 10. Zij kennen Zijn stem ook door de zoete trekkende invloed die zij uitoefent; want Hij trekt iedere genegenheid der ziel in liefde tot de goede Herder.

En hoe aangenaam en zoet is het met David te zingen: "De Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in 't spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil". Ps. 23:1-3. Zij kennen Zijn stem ook door het vertrouwen, dat zij schept, want hoe gelukkig kan de ziel dan zeggen: "Deze is mijn God, ik heb Hem verwacht". Exod. 15:12.

Zij kennen Zijn stem ook door de gezegende tevredenheid die zij meebrengt; en hoe zoet is het te zeggen: "Beter is een weinig met de vreze des Heeren, dan een grote schat en onrust daarbij! Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os en haat daarbij". Spr. 15 : 16, 17.

Dan bevinden en gevoelen zij tot hun troost, dat de godzaligheid een groot gewin is met vergenoeging. 1 Timoth. 6 : 5.

Sommige belijders zeggen ons, dat er geen bevindelijke godsdienst is, maar het arme kind van God, dat ontkleed en gekleed is, ontledigd en vervuld, gewond en geheeld, uitgehongerd en gevoed, gedood en levend gemaakt, veroordeeld en verlost, weet dat zijn godsdienst begint met gevoel, voortgaat met gevoel en hij hoopt de wereld te verlaten door gevoel en bevinding van de liefde, barmhartigheid, genade en vriendelijkheid van zijn dierbare Herder, die Zijn schapen heeft liefgehad en Zijn leven voor hen gegeven heeft. En bij tijden hoopt hij, als zijn arme, beproefde, bestreden, geslingerde en dikwijls schipbreuk lijdende ziel, de haven der eeuwige rust zal binnengaan, hij dan boordevol zal zijn van het gevoel en der liefde van zijn Verbonds-God en Zaligmaker, zodat hij zal juichen en zingen tot in alle eeuwigheid : "Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft door Zijn eigen bloed, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid". Openb. 1 :5, 6.

Maar om weder te keren. Ik kon noch zien, noch geloven hoe 't mogelijk zijn kon, mijn weg te vervolgen, zonder dat ik een smaad op de waarheid bracht, dat wil zeggen, dat ik nooit in staat zou zijn met mijn huisgezin rond te komen en mijn schulden te betalen, als ik zo bleef voortgaan.

In deze doolhof verkeerde ik bijna een veertien dagen en deed niets dan zuchten, kermen en wenen. Bijna drie weken lang waren mij mijn tranen tot spijze, dag en nacht; en ik durfde mijn moeiten zelfs niet aan mijn beste vriend uit de gehele kerk te kennen geven, want over dat verbazend grote salaris van drie pond per week werd wat gepraat, in de huizen en in het openbaar, op de preekstoel en in de kerkbank, oost, west, noord en zuid van Trowbridge; en allen stonden er verbaasd over wat die leraar toch met zijn geld deed. Doch nadat ik heen en weer geslingerd was geworden, getobd en gezwoegd had, plannen gemaakt en ontwerpen daargesteld, vele tranen geschreid tot mijn kracht vergaan was en ik gebracht was geworden om te zien dat ik geen haar wit of zwart kon maken, dat mijn lengte bepaald was en ik door al mijn overleggingen geen el daartoe kon doen, en welke verbeelding ik ook in mijn hart maken mocht, des Heeren raad moest en zou bestaan, werd ik verwaardigd de wapens der vijandschap neder te leggen en als een arme blinde, belaste, hulpeloze ellendige voor God in te vallen.

Ik kreeg te pleiten op de tedere barmhartigheid van Hem, Die zal verlossen; en toch kon ik met die tekst geen zier verder komen, dan "Hij heeft verlost".

Hier bleef ik liggen met mijn droefheid en last, tot op zekere morgen, zo ik mij wel herinner, een week of vijf nadat ik toegestemd had in het voorstel om zelf mijn huur te betalen, en twee maanden in het jaar vrij te nemen en te prediken waar de Heere voor mij de weg ontsluiten zou.

Op die morgen bracht de postbode mij een brief, die een uitnodiging bevatte een paar Zondagen te Londen te komen prediken voor mijn oude vriend en broeder Ds. Robins. Hij predikte daar in de Conwaystraat voor een aantal mensen, die onder Huntington gekerkt hadden, doch die na zijn dood zich hadden afgescheiden.

"O", dacht ik, "wat kan dit beduiden?" En ik beefde van het hoofd tot de voeten.

"O", riep ik uit, "ik zal nooit drie of vier Zondagen voor het oude volk van Ds. Huntington kunnen prediken".

Ik was nog niet vergeten de vreselijke schok, die mij door het lijf ging, toen ik op een avond in de week, toen ik te Londen vertoefde, aldaar in de Conwaystraatkerk predikte, en het aanzien van Huntington mij bijna van vrees deed sterven.

Volgens mijn gevoelen kwam ik nog al tamelijk wel door mijn predikatie heen, maar toen ik geëindigd had, werd ik door zodanige vrees bevangen, dat ik beefde als een blad.

Ik begon eens te overdenken, wat ik gezegd had en zag zoveel zaken, die ik niet genoemd had en toch had moeten noemen, dat de gehele predikatie mij tenslotte een samenstel van verwarring toescheen. Ik noemde mijzelf een dwaas, gedurende al de tijd, dat zij het vers zongen na de predikatie.

"Hoe zal ik het nu maken", dacht ik, "als ik in de consistoriekamer kom? Zij zullen mij in stukken trekken en mij zeggen naar Jericho te gaan en aldaar te blijven totdat mijn baard gewassen is. 1 Kron. 19 : 5. Mij dunkt, ik hoor ze al tot elkaar zeggen: Hoorde gij ooit tevoren zo'n onkundige dwaas?"

Doch toen ik in de consistoriekamer kwam, kwamen er velen naar mij toe en spraken vriendelijk tegen mij en hoopten, dat de Heere mij nabij wilde zijn; maar overigens dacht ik toch te bemerken, dat er ook waren, die blij schenen te zijn, dat de avond voorbij was. Met dit alles voor de geest, dacht ik: "Hoe zal ik daar drie of vier Zondagen kunnen doorbrengen?" Somtijds achtte ik het het verstandigst hun te berichten dat ik niet komen kon; doch het onderhoud dat ik eens met Ds. Huntington gehad had, kwam mij onder de aandacht. De Heere was mij toen nabij geweest en het was vrij wat beter uitgevallen, dan ik gevreesd had.

Daar een kort verslag van het onderhoud, dat ik met de heer Huntington gehad heb, aan enige lezers misschien belangstelling kan inboezemen, zal ik er enige bijzonderheden uit noemen.

Verscheidene jaren vóór ik begon te prediken, was ik op zekere avond bij een bidstond, die ik volgens mijn gewoonte wel meer bijwoonde. Er was daar ook een persoon tegenwoordig, die mij een boek wilde lenen, dat naar hij zei tot titel had : "Het Koninkrijk der Hemelen ingenomen door gebed", en geschreven was door Huntington, een kolendrager.

"Dank u wel", zei ik, "het is niets dan wat Arminiaans geklets, want de titel van het boek verraadt het mij".

Hij zei mij echter, dat het geheel overeenkomstig mijn bevindingen was, en dat hij niet twijfelde, of ik zou er genoegen in hebben. Ik nam het dus en o, wat een aangename avond had ik, toen ik dat gezegende boek las! Een duizendste deel van mijn gewaarwordingen kan ik nooit beschrijven. Dan schreide ik, dan lachte ik, dan weer loofde en prees ik God, totdat mijn ziel zo overweldigd werd, dat ik nauwelijks wist of ik op aarde was. Ik las er in tot bijna de dageraad opging en o, wat een vereniging des harten gevoelde ik met die waarde man Gods! Ik deed een plechtige belofte aan God, dat als Hij mij in Zijn voorzienigheid ooit in zijn nabijheid bracht, ik hem dan wilde gaan vertellen, welk een zegen ik onder het lezen van zijn boek genoten had.

Het jaar vóór hij stierf, was ik leraar der Baptistenkerk, namelijk de "Hoop-kapel" te Rochdale. Wij zaten toen namelijk onder schulden, wat de kerk betrof, wel een tweehonderd pond en de leden wensten, dat ik door het land zou gaan collecteren, want wij werden door de wet bedreigd, als wij niet zorgden, dat het geld er kwam. Dus ging ik op reis, door verschillende streken heen, totdat ik ook in Londen kwam.

Toen ik daar was, kwam deze tekst met kracht op in mijn gemoed: "Doet geloften en betaalt ze de Heere uwen God". Ps. 176 :12. O, hoe krachtig kwam in mijn gemoed: "Beloofde gij God niet, toen gij las "Het Koninkrijk der Hemelen ingenomen door gebed", dat als God in de weg Zijner voorzienigheid u bracht ter plaatse waar die waarde man Gods woonde, gij hem zoudt opzoeken en hem vertellen, hoe de Heere dit boek aan uw ziel gezegend had? Nu zijt gij in de plaats waar hij woont".

Ik riep uit: "Wel, Heere, help mij mijn gelofte te betalen".

Evenwel had ik een neiging in mijn hart om terug te gaan, want, dacht ik, ik ben zo'n onkundige dwaas, en wat zou hij wel denken, als zo'n dwaas hem komt bezoeken?

Maar de tekst hield aan: "Doet geloften en betaalt ze de Heere uwen God".

Ik kwam dus tot het besluit om te gaan, en zei tot mijn vriend bij wie ik logeerde: "Kom, gij moet eens meegaan en mij wijzen waar Ds. Huntington woont, want ik moet mijn geloften de Heere betalen". Ik vertelde hem al mijn werkzaamheden die te voren hadden plaats gehad, doch hij legde niets dan struikelblokken in de weg, mij zeggend dat hij er van overtuigd was, dat Ds. Huntington niet met mij zou willen spreken, temeer niet, als hij er de lucht van kreeg, dat ik een baptist was. Doch ik zei hem nu, dat ik mijn geloften de Heere betalen moest, want dat ik geen vrede had, tenzij ik daaraan voldaan had. Wij gingen dus op weg en hij bracht mij aan zijn huis, dat gelegen was als ik het goed herinner op een plaats genaamd Hermesheuvel, Pentonville. Ik belde aan en toen de knecht de poort geopend had, vroeg ik een onderhoud met Ds. Huntington, als het gelegen kwam.

Hij vroeg mij mijn naam en waar ik vandaan kwam, en of Ds. Huntington kennis aan mij had.

Ik zei hem van neen, maar dat het mij aangenaam zou zijn, hem enige minuten te spreken.

Daarop verzocht hij mij hem te volgen tot aan de voordeur en zei dat hij het binnen even vragen zou of er gelegenheid voor bestond. O, wat kwam er een duisterheid over mijn ziel en wat beefde ik, terwijl hij binnen was gaan vragen. Ik gevoelde een heimelijk verlangen dat er een boodschap komen mocht, dat ik niet ontvangen kon worden. De man kwam echter met de boodschap, dat ik hem volgen moest. En o, wat schudde en beefde ik, toen ik zijn studeervertrek binnentrad, waar ik aan hem voorgesteld zou worden. De goede oude man zat aan zijn tafel met zijn muts op, zijn bijbel lag open voor hem en in mijn ogen zag hij er precies uit als de oude profeet Elia. Doch ik beefde zo erg, dat ik nauwelijks een woord kon zeggen en gedurende enige ogenblikken wist ik ook niet wat ik zeggen moest.

Tenslotte zei ik evenwel, dat ik verscheidene jaren geleden zijn boek "Het Koninkrijk der Hemelen ingenomen door gebed", gelezen had en dat het toen en ook dikwijls daarna, mijn ziel zeer ten zegen geweest was. Ook zei ik hem een gelofte gedaan te hebben, dat als ik ooit kwam in de plaats waar hij woonde, ik hem dit wilde gaan vertellen.

Maar de goede oude man sprak geen woord en keek niet eens naar mij en ik zat zo verlegen en zo besloten, dat ik niets wist te zeggen en gedurende een paar minuten werd er dan ook geen woord gesproken. Ten slotte zei ik: "Het is genade als wij arme zondaren zijn".

De oude man keek op en zei . "Er zijn veel arme zondaren, die van de zaak niets afweten".

"Ja". hernam ik, al bevende, ik geloof ook, dat die er zijn"; en toen stotterde ik zo goed en kwaad als dit ging: "Maar het is genade als de Heere ons gebracht heeft daar, waar wij te weten komen, dat wij arme, verloren zondaren zijn".

De goede oude man keek weer op en zag mij recht in het gezicht en waarlijk, het scheen mij toe, alsof hij door zijn blik mij van de stoel wilde afslaan, waarop ik zat, en wederom sprak hij : "Er zijn veel arme zondaren, die van de zaak niets afweten".

Toen liet hij zijn hoofd weer vallen.

Arme, onkundige, blinde dwaas, ik zat te zweten en te beven en wist niets te zeggen, maar gezegend zij de dierbare Vertrooster! Hij scheen in mijn hart en bracht mij in gedachten, waaraan ik behoefte had, ja Hij gaf mij in een ogenblik een zoet overzicht van de weg door welke Hij mij geleid had.

Toen antwoordde ik de oude heer, dat het waar was, dat er duizenden arme verloren zondaren zijn, die niet van de zaak afweten, doch ik geloofde, dat als God de Heilige Geest de dode zondaar levend maakt, zijn blinde ogen opent en hem doet zien, dat hij een arme verloren zondaar is, Hij hem dan niet verlaat, totdat Hij het ook in zijn hart doet verstaan, wat het is een verlost zondaar te zijn en doet weten wat de liefde van God is en de zoetheid daarvan, als Hij ze in het hart openbaart.

De oude man keek op en zei: "Wat kent gij van de liefde Gods? Wat is zij? En wat zijn de vruchten daarvan als zij gekend en in het hart ondervonden wordt?" En wederom liet hij het hoofd vallen. Ik zei, dat ik hoopte, dat de dierbare Geest mij in staat zou stellen, om rekenschap te geven van de hoop die in mij was met zachtmoedigheid en vrees. Toen begon ik hem te vertellen, waar de Heere mij voor het eerst ontmoet had. als ik verkeerde in een gal van bitterheid en samenknoping en ongerechtigheid en hoe Hij mij eensklaps omgehakt had, ja geslacht en gedood aan de genoegens der zonde, waarin ik gewoon was te leven, en ze als mijn spijs en drank te genieten. Verder vertelde ik hem, hoe ik dag en nacht gezwoegd en gewerkt had om enige gerechtigheid te verkrijgen, op hope, dat God mij dan genade wilde bewijzen. Ik ging voort met te verhalen, dat de wet der werken, als een heilige wet, in mijn consciëntie werd geopenbaard en dat ik haar bevonden had te zijn een letter die doodt, en de bediening des doods en der veroordeling, en hoe lang ik gelegen had in de buik der hel, met de toorn Gods in mij, niet meer hoop hebbend dan de duivelen, om ooit barmhartigheid te zullen verkrijgen. Ik zei hem ook honden, ja ieder schepsel zelfs, benijd te hebben, die geen ziel hadden, die voor God zou moeten verschijnen en dat ik er van overtuigd was, dat de zielen die hier verkeerd hadden, nooit wederom trachten zouden hun eigen gerechtigheid op te richten. Toen vertelde ik hem, waar en wanneer de Heere vrede, liefde, barmhartigheid, bloed en vergiffenis aan mijn ziel had geopenbaard, hoe toorn, schrik, schuldgevoel, gevangenschap, ellende en hel waren weggevloden en hoe liefde, barmhartigheid, vrede, vergiffenis en vrijheid in mijn hart in de plaats kwamen, met de gezegende en zoete vruchten, die maanden aaneen daarop volgden.

Maar o, wat werd er merkbaar op het gelaat van de waarde man.

Hij keek op en terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden, loofde hij God voor hetgeen Hij mij had willen leren en ik geloof, dat hij wel twintig bewijsredenen uit Gods Woord bijbracht, dat dit de onderwijzing was van de gezegende Geest van God.

Wij beiden weenden en loofden God voor de vrije en ongehouden genade, geopenbaard in het redden, onderwijzen, bewaren, ondersteunen, uithelpen en vertroosten, zodat wij met Paulus konden zeggen: "Door de genade Gods ben ik wat ik ben". 1 Cor. 1 : 10.

Nadat wij lang en aangenaam met elkaar gesproken had en, zei ik hem voor welk doel ik in Londen was en dat ik hoopte, dat de Heere mij geroepen had om aan arme zondaren te vertellen, wat Hij voor mijn ziel gedaan had. Ik vertelde hem ook, dat ik de leraar was

in een kleine Baptistenkerk te Rochdale in Lancashire en dat wij een nieuwe kerk gebouwd hadden; dat wij echter een zeer arm volk waren en dat ik door sommige gedeelten van het land ging om enige bijstand te bekomen, voor welk doel ik nu naar Londen gekomen was. Eveneens zei ik hem, dat God, Die mijn hart kende, wist, dat het niet mijn bedoeling was aan hem iets te komen vragen, doch dat ik hem alleen kwam bezoeken en gewenst had te zien, uit liefde tot zijn persoon om der waarheid wil.

De oude man zei, dat hij mij niet durfde aanmoedigen, om onder volk te collecteren, aangezien zij hun eigen kerk gebouwd hadden, die veel geld gekost had.

Ik zei, dat hij in hetgeen hij sprak gelijk had, en dat ik dit ook niet wilde doen. Daarop opende hij zijn tafellade, nam al het zilver dat hij daarin had er uit en gaf het mij in de hand, zeggende: "Ik geef u dit voor uw huisgezin".

Ik dankte hem voor zijn vriendelijkheid en loofde de Heere, dat Hij zijn hart had willen neigen om zo troostelijk tot zo'n arme worm te willen spreken. Juist wilde ik hem toen wij scheidden de hand drukken, toen het mij plotseling inviel dat hij dit misschien wel wat al te vrij vinden zou. Ik zegende hem derhalve in de naam des Heeren en verliet de kamer; maar hij deed mij stilstaan en zei: "Laat ons elkaar de hand geven, voordat wij scheiden". Hij stond toen op, kwam naar mij toe en greep mijn hand, doch nooit zal ik vergeten met welk een hartelijkheid hij mij de hand schudde, alsook de woorden die hij tot mij sprak.

Sedert zijn deze mij een bron van troost geweest als ik bij ogenblikken bijna in vertwijfeling was weggezonken. De woorden waren deze: "Moge de Heere, de God van Abraham, Izaäk en Jakob, u zegenen en met u gaan".

O, met welke gewaarwordingen verliet ik het huis en wat loofde en prees ik de Heere! En o, de zoetheid van die zegen bij ons scheiden, die telkens en wederom in mijn ziel vloeide: "Moge de Heere, de God van Abraham, Izaäk en Jakob, u zegenen en met u gaan".

En de Heere ging met mij op een zeer wonderlijke wijze; want ik verkreeg de tweehonderd pond, en ik keerde naar Rochdale terug met blijdschap en vrede.

Deze tussenkomst van Gods rechterhand, kwam mij vers onder de aandacht toen ik de uitnodiging der vrienden in Conwaystraat in mijn gemoed overdacht. Zij bemoedigde mij zeer, en ik geloof, dat er iets van diezelfde zalving in meekwam, die ik gevoelde toen Ds. Huntington de woorden bij ons scheiden in zijn studeervertrek sprak: "Moge de Heere, de God van Abraham, Izaäk en Jakob u zegenen, en met u gaan".

Ik besloot aan de vrienden in Conwaystraat te schrijven, dat als het God beliefde, ik overeenkomstig hun verzoek, bereid was over te komen. Ik schreef dus een brief, dat als het Gods wil was, ik op de bepaalde tijd daar zou zijn.

Maar o, wat had ik een worstelingen met God in het gebed, voor de tijd daar was, en wat vrezen en bezwijmingen bij ogenblikken in mijn hart, of niet de Heere mij aan mijzelf zou overlaten; want als ik aan mijzelf overgelaten was, heb ik wel zulk een bitterheid, gevangenschap en ellende in de preekstoel ondervonden, dat ik dit werk erger vreesde dan de strop, als de Heere er niet in was. Gedurende vier of vijf dagen voor de tijd dat ik gaan moest, bevochtigde ik de troon der genade met mijn tranen, of de Heere mij Zijn gunst wilde doen ontmoeten, beide voor lichaam en ziel; want Hij kende de omstandigheden in mijn huisgezin en dat ik nergens om hulp had uit te zien, noch enige arm had, om op te vertrouwen.

Toen ik met de wagen van huis reed, ging mijn ziel bijna de gehele weg over, tot God in gebed uit, dat Zijn goedheid voor mijn aangezicht mocht heengaan. Ik ondervond daarin zulk een vrijheid tot de Heere, dat het mij ten zeerste verwonderde en menige zoete en dierbare belofte kwam met kracht in mijn ziel, waaruit ik een zoet vertrouwen kreeg dat de Heere met mij zou zijn. En geloofd zij de naam des Heeren, want ik bevond Hem de waarmaker van Zijn Woord, want niet één woord viel er van al de goede woorden die Hij mij op de weg beloofd had.

Hij zegende het woord der bediening aan de harten van velen, en ik geloof dat zij geestelijke dingen verkregen en daarom ook mij met blijmoedigheid lichamelijke dingen mededeelden.

Zelfs dacht ik soms dat mijn hart gebarsten zou hebben vanwege de bewijzen hunner vriendelijkheid, want velen kwamen tot mij, God erkennend voor hetgeen ze genoten hadden en zij zeiden mij, dat het een lichte zaak was, tijdelijke dingen te geven.

De gehele weg van huis naar Londen had ik bijna niets dan tranen, benevens zuchtingen en gebeden of God met mij zijn wilde en gedurende mijn terugreis van Londen naar huis toe, had ik niets dan lof, prijs, aanbidding en dankzegging en bewondering voor Zijn goedheid, barmhartigheid en genade, door mij onkundige en onwaardige in mijzelf, de mond te openen, om een weinig tot Zijn eer te mogen spreken, alsook dat Hij de harten van Zijn volk geopend had om mij met lichamelijke goederen te dienen. O, wat had ik een vergenoegen en blijdschap toen ik huiswaarts keerde, want door hetgeen zij mij gegeven hadden, werd ik in staat gesteld het grootste deel der schulden waaronder ik zozeer gebukt ging, af te doen. Immers een vier of zes weken van te voren, kon ik niets anders denken, of deze zouden mijn ondergang te Trowbridge veroorzaakt hebben. O, wat kon ik mijn God loven en prijzen, dat Hij mij arme blinde dwaas geleid had de weg die ik niet geweten had; dat Hij de

duisternis voor mijn aangezicht ten lichte gemaakt had en het kromme tot recht; ja al deze dingen voor mij had willen doen. Ik loofde Zijn dierbare naam dat Hij mij niet verlaten had en geloofde in mijn hart dat Hij dit ook nooit doen wilde, want ik gevoelde zo'n zoet, ootmoedig en gezegend vertrouwen dat ik bij herhaling uitriep : "En zou ik mijn God ooit weer wantrouwen? Zal ik ooit weer wanhopen aan Zijn barmhartigheid, ziende hoe wonderlijk Hij Zich geopenbaard heeft in zulk een weg?"

Gedurende enige tijd daarna bewandelde ik een tamelijk effen pad, doch het was voor mij een ongewone weg lang uit de oven te zijn en toch denk ik, was er nooit een arm schepsel, die harder tobde om er uit te blijven en die hem meer vreesde.

Doch het is mijn ervaring te allen tijde geweest, dat Gods raad zal bestaan; laat de duivel en mijn hart voornemen, uitvoeren of zeggen wat zij willen, Hij zal het derde deel in 't vuur brengen en Hij zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Hij zal 't beproeven, gelijk men goud beproeft: zij zullen Zijn Naam aanroepen en Hij zal het verhoren; Hij zal zeggen: Het is Mijn volk, en het zal zeggen: De Heere is mijn God. Zach. 13: 9.

Zulke belijders der godsdienst dus, die niet in het vuur gebracht zijn geworden, hoedanig hun oordeel ook zijn moge, behoren niet tot het derde deel en hebben ook nooit de bitterheid beproefd, die gepaard gaat met de verbranding en vernietiging van al hun vleselijke godsdienst, evenmin hebben zij gekend de zoetheid van het horen van eens Vaders stem: "Het is Mijn volk", noch minder wat het is, daarop te antwoorden: "De Heere is mijn God. Maar Ik zal in 't midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op de Naam des Heeren betrouwen". Zeph. 3: 12. "Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit die alle redt hem de Heere". Ps. 34: 20. "In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, ik heb de wereld overwonnen". Joh. 16:33. "Wij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods". Hand. 14: 22.

En God geeft Zijn eigen verklaring over degenen die veilig in de heerlijkheid zijn aangeland: "Deze zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams". Openb. 7 : 14.

Wee dan over zodanige belijders der godsdienst, die niets kennen dan blijdschap, en niets afweten van droefheid; bij wie het altijd dag is en die geen nacht kennen; enkel geloof en nooit enige twijfelingen; altijd vrede hebben en nooit kermen onder schuldgevoel; altijd sterk zijn en nooit zwak; niets dan zaligheid in hun mond hebben, doch nooit geen veroordeling in hun ziel gevoeld; die altijd de vorm verheffen, maar die ook altijd de kracht der waarheid verloochenen; die altijd hoog opgeven van de letter van het woord, maar met verachting spreken van des Geestes toepassing van het woord aan het hart; die met een wonderlijke ijver de ordinantiën bijwonen, maar nooit kenden wat het is tot God te kermen, of Hij hun ternedergeslagen zielen als hun Vertrooster onder de bediening dier ordinantiën wilde ontmoeten.

Enige van hen zullen wonderwel spreken over de leerstellingen der genade, maar nooit hebben zij gekend, wat het is de troon der genade met hun tranen te besproeien, en dat God de Heilige Geest deze leerstellingen wilde doen druppen als de regen, en Zijn stille reden in hun zielen doen vloeien als de dauw. Arme schepselen, zij weten van deze dingen niets bij zielsondervinding, want zij zijn voor de wijze en verstandige belijders verborgen, en worden slechts den kinderkens geopenbaard; en daarvoor dankte de lieve Zaligmaker Zijn Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard, ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U! Luc. 10:21.

En waarom, o mijn ziel, zijt gij niet onder zodanige belijders? Is het omdat gij Zijn gunst verdiend hebt, meer dan zij? O, neen, het is alleen daarom, dat de God en Vader van alle barmhartigheid en vertroosting het zo hebben wilde.

Lof en eer zij U, o heilige God en Vader, dat ooit Uw liefde en keus gevallen is op een kind der hel, als ik ben.

Eer, lof, majesteit en heerlijkheid, krone voor eeuwig Uw hoofd, o Heilige God, de Zoon, de Vader gelijk en eenswezend met Hem, dat Gij U ooit hebt willen verwaardigen, mijn natuur aan te nemen, in vereniging met Uw Goddelijke persoon, de heilige wet gehoorzamend en alle derzelver eisen rechtvaardig hebt willen vervullen; der Goddelijke gerechtigheid, beledigd door mijn vervloekte zonden, hebt genoeg gedaan; de dood overwonnen hebt en hem die het geweld des doods had, dat is de duivel; opgevaren zijt in de hoogte, bezit genomen hebt van de erfenis, en eeuwig leeft om voor mij te bidden.

En o, Gij Heilige God, Gij gezegende Geest, eenzelfde wezen met de Vader en de Zoon; eer, lof, majesteit en heerlijkheid, tot in alle eeuwigheid, dat Gij mijn arme ziel hebt willen ophalen uit de puinhopen van de val; mij hebt willen doden aan alle werken der gerechtigheid, die ik doen kon; een rechtvaardigende gerechtigheid en verzoenend bloed aan mijn hart hebt geopenbaard; en in mijn geest getuigenis hebt gegeven, dat ik een erfgenaam van God ben, en een mede-erfgenaam met Christus.

O, Gij hebt mij bewaard, gedurende al deze jaren tot op dit ogenblik toe, dat ik niet gevallen ben tot een prooi van wereld, vlees en duivel. Gij hebt telkens en wederom een banier in de ziel opgericht, als de vloeden van gruwelijke, verschrikkelijke en niet te noemen lasteringen, mijn arme bevende ziel in zulke vertwijfelingen hadden ingedompeld, dat ik het veel malen als een verloren zaak had opgegeven. O heilige, gezegende drieëenheid van personen, Vader. Zoon en Heilige Geest, één God; die de rede niet kan vatten, maar die het geloof gelooft, de liefde omhelst en de lof aanbidt, lof zij Uw heilige Naam!

Het is in Uw licht dat wij het licht zien, het zijn Uw toelachingen, die mij vrolijk maken, het is Uw sterkte en kracht in mij, die mij staande houdt en kracht verleent, het is Uw Geest der genade en der gebeden in mijn hart uitgestort, die mijn ziel het gebed doet uitstorten tot U; het is Uw dierbare gift des geloofs en Uw dierbare kracht die het geloof in oefening brengt en mijn ziel in staat stelt met vertrouwen tot U te komen en te zeggen : "Mijn Heere en mijn God", het is Uw dierbare tegenwoordigheid als mijn Vader, mijn Vriend en mijn eeuwig al, die een kerker verandert in een paleis.

Meer en meer ben ik overtuigd, dat ik zonder U niets kan doen. O, wil mij steeds bewaren, steeds onderwijzen, steeds ondersteunen, O, laat mij nooit over aan mijzelf, want twee zijn beter dan één.

Enige tijd nadat dit hemels gezicht was weggenomen, begon ik uit te zien naar de dag van tegenspoed, want ik heb toch altijd bevonden, dat God de een tegenover de ander zet, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets dat na hem zal zijn. Pred. 7 : 14.

Ik had mij verbonden te gaan prediken, zo ik mij wel herinner, te Wallingon, Londen en Brighton. De tijd, dat ik gaan moest, brak aan.

Mijn jongste kind was op die tijd juist drie jaar geworden en van al de afgoden die ik ooit had, geloof ik, dat dit kind wel de grootste van allen was. Het was een meisje en haar naam was Rhoda. O, wat was mijn ziel aan dit kind verbonden! Alles wat zij zeide of deed, was goed in mijn ogen en aangenaam voor mijn hart. Mijn vrouw zei mij dikwijls, dat zij er van overtuigd was, dat mij dit kind ontnomen zou worden en ze stond er verbaasd over dat ik er zoveel mee ophad.

Toen ik van huis ging, kuste de kleine meid mij en riep mij vaarwel toe. Zij volgde mij in de gang en riep andermaal : "Vader, toe, geef mij nog een kus", en toen ik aan de deur gekomen was, kwam zij mij achterna met tranen in haar mooie ogen, zeggende : "Vader, toe, geef mij er nog een", en een zeer bezorgde blik op mij werpend, die als het ware mijn ziel doorsneed, zei zij : "Vader, zal ik u ooit weerzien?"

O, dit ging mij door de ziel als een dolk. Ik moest echter het kind en mijn huisgezin verlaten, doch de gehele weg, de straat af, kon ik mij niet weerhouden te wenen, want ik vreesde, dat ik het kind in deze wereld niet meer zien zou, en dit was in waarheid zo, ik zag haar nooit weer.

Ik ging op reis, roepende, biddende en vragende, dat God mij en het kind wilde sparen en dat ik het genoegen zou mogen hebben, het wederom te ontmoeten als ik thuis kwam. Het was de eerste brief, geloof ik, die ik van huis ontving, die mij meldde, dat het kind erg ziek was, maar naar hun beste weten, scheen het niets dan een koude te zijn. Maar o, het was zulk een koude, die mij het bloed in mijn aderen deed stollen, van het hoofd tot de voeten toe. Ik riep, snikte, kermde, maar ik vond geen toegang of vrijheid tot God; en o, wat kwamen mij haar woorden en tranen bij ons scheiden weer helder voor de geest: "Vader zal ik u ooit weerzien?"

O, wat riep ik uit: "Spaar het kind; o Heere, wijs mijn aangezicht niet af; o, wil het kind wederom oprichten". Met al mijn krachten trachtte ik de Heere er toe te brengen, dat Hij zeggen zou : "Deze krankheid is niet tot de dood, maar ter heerlijkheid Gods". Joh. 11 : 4. Maar ik kon Hem in 't minst niet bewegen, en Hij gaf mij geen antwoord. Ik verlangde zeer naar een volgende brief, om te weten hoe het met het schepseltje was, maar toen ik deze ontving, bevatte hij de mededeling, dat het kind nog niet beter was, doch dat zij hoopten, dat het zou herstellen.

Zo leefde ik dan tussen hoop en vrees, totdat ik te Brighton aankwam. Wat had ik een nare reis van Londen naar Brighton. Somtijds noemde ik mijzelf een dwaas, dat ik mij verbonden had om naar Brighton te gaan; dan weer vreesde ik vanwege mijn ellendige opstand; want beide, mijn consciëntie en oordeel waren overtuigd, dat "God te wijs was om te kunnen dwalen en dat Hij niet van harte plaagt". Ja, ik was in mijn oordeel overtuigd, dat "het lot in de schoot geworpen wordt en het gehele beleid daarvan van de Heere is".Spreuk. 16:33. En dat welke gedachten ik ook vormde, ik geen el kon toedoen tot de lengte, die God voor mij bepaald had. Ik poogde met al mijn krachten het kind in de hand van God over te geven, om met bedaardheid en lijdzaamheid te mogen zeggen: "Uw wil geschiede", maar ik kon niet. Ik ben er vast van overtuigd, dat een lijdzaam berusten in de wil van God, eerst geboren wordt als vlees en bloed ten onder gebracht is; en dat het een gift van God is, zowel als de wedergeboorte. Ik wist dat het mij gemak en troost geven zou, indien ik daartoe geraken kon, maar ook wist ik bij ervaring, dat er geen andere weg is om er toe te komen, dan het

tot ons komt.

En wat is het gemakkelijk in Zijn handen te vallen en onze eigen wil te verliezen, als Zijn liefde, barmhartigheid en genade in ons komt en ons de noodzakelijkheid doet zien voor iedere slag die wordt toegebracht.

De volgende morgen, nadat ik te Brighton was aangekomen, kwam er een brief met zwarte rand. Ik schudde en beefde van het hoofd tot de voeten. Het was mij alsof de band mijner lendenen werd losgemaakt.

Toen ik de brief geopend had zag ik alras, dat het kind dood was; en wat ik toen gevoelde, is mij onmogelijk te schrijven of uit te drukken. Ik moest diezelfde avond prediken, maar ik was overtuigd, dat dit mij onmogelijk was. De vrouw des huizes waar ik logeerde, trachtte zoveel zij immer kon mij te troosten, doch tevergeefs, want somtijds dacht ik mijn verstand te zullen verliezen.

Een poosje voordat ik prediken moest kwamen deze woorden in mijn gemoed: "Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder, maar een goed woord verblijdt het". Spreuken 12:25.

Ik ondervond inderdaad het eerste deel van de tekst, en voor zover de Heere mij daartoe in staat stelde, predikte ik daarover diezelfde avond, en ik mag geloven, dat de Heere het aan een of twee mensen heeft willen zegenen, die het wisten wat bekommernis des harten is.

Nauwelijks echter had ik mijn predikatie geëindigd, of de oude slang viel zo onbarmhartig op mij aan, dat ik vreesde in de predikstoel in hopeloze vertwijfeling te zullen neerzinken. Somtijds geloofde ik, dat het kind verwaarloosd was en als ik maar thuis gebleven was en mijn eigen huis verzorgd had, het nog wel in leven zou zijn. Toen kwam er in mij op, dat ik de oorzaak was van de dood van het kind en dat ik het inderdaad vermoord had. O, de tobbingen, de smarten, de kwellingen mijns harten, die ik gedurende weken aaneen doorworstelde, totdat het de Heere behaagde mij uit te helpen, gaat alle beschrijvingen te boven 1 Somtijds werd er zulk een toorn en boosheid tegen God in mijn hart geworpen, omdat Hij mijn kind weggenomen had, dat ik sidderde en elk ogenblik verwachtte, dat Hij mij om die duivelse, ellendige en lasterlijke gedachten, die er tegen Zijn majesteit in mijn gemoed oprezen, zou doden. Uit alle macht worstelde ik tegen deze gruwelijke aanvechtingen. Ik bad er tegen zoveel ik vermocht, maar al mijn bidden, wensen, tranen, kermen en zuchten schenen ijdel, want zij woedden nog des te meer.

Toen ik thuis kwam, werd het nog hoe langer hoe slechter, zo, dat ik in waarheid geloofde dat het met mij gedaan was en dat mijn einde zou zijn in zwarte wanhoop. Ik werd echter bij een tekst gebracht, die mij meer dan enige andere bleef aankleven "O, Heere, ik wordt onderdrukt, weest Gij mijn borg". Jer. 38 : 14.

"Maar dat is geen tekst voor u", zei de duivel, "het is de uitroep van een kind van God, doch wat u betreft, gij zijt een openbare huichelaar en zult ten laatste als een afvallige aan de kaak gesteld worden". Maar ik kon, veroordeeld of niet veroordeeld, niet nalaten met de tekst uit te roepen: "O, Heere, ik word onderdrukt, weest Gij mijn borg!"

En gezegend zij Zijn dierbare Naam, op Zijn eigen tijd verscheen Hij en fluisterde in mijn ziel : "Zijt stille en weet, dat Ik God ben".

En o, wat een bedaardheid en stilte kwam er toen in mijn hart, zodat niet een opstandige gedachte zich voordeed en er kwam zo'n zoete onderwerping aan Zijn hemelse wil en welbehagen in mee, dat ik met hart en mond uitriep: "De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd". Job 1 : 21. "Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen". 1 Sam. 3 : 18. "Doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt". Matth. 26 : 39.

Nu kon ik de roede kussen en Hem, Die ze besteld had, en ik kon van ganser harte zeggen: " 't Is mij goed dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde". "De wet Uws monds is mij beter dan duizenden van goud of zilver". Ps. 119:71, 72. Ik kon nu van mijn kind afzien en God in mijn hart loven, dat Hij het weggenomen had, mij van mijn afgod ontdaan en mij tot mijzelf gebracht had.

"En Hij zal zitten, louterende en hetzelve reinigende en Hij zal de kinderen van Levi reinigen en Hij zal ze doorlouteren als goud en als zilver; dan zullen zij de Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid". Mal. 3 : 3. "Van al haar ongerechtigheden en van al haar drekgoden zal ik ze reinigen". Ezech. 36:25.

"En Ik zal het derde deel in het vuur brengen, en Ik zal ze louteren gelijk men zilver loutert, en Ik zal ze beproeven gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen (o gezegend zal! Zij zouden liet nooit doen, maar alleen door dit almachtig zal) en Ik zal ze verhoren". Zach. 13 : 9. Hier is een gezegend souvereine vrije wil, die mijn ziel goed doet: "Ik zal zeggen: het is Mijn volk".

Hoe en waar zal Hij zeggen : "Het is Mijn volk"? Zijn zoete stem fluistert in de ziel en geeft getuigenis aan hun geest, dat zij des Heeren zijn; en dan zullen zij zeggen en dan moeten ze zeggen en zij kunnen niet anders dan zeggen : "De Heere is mijn God". O, wat had ik na deze verschrikkelijke beproeving gedurende enige tijd een zoete en hemelse bedaardheid in mijn ziel. Mogelijk zijn er wel belijders, die lachen zouden over zulke kleine beproevingen, als bijvoorbeeld een kind te verliezen, en als zij dit doen dan heb ik geen steen om op hen te werpen, want ik heb ook zo gedacht en wel gezegd ook, en heb mij wel verwonderd hoe een kind van God opstandig kon zijn en murmureren tegen God, om het wegnemen van een kind.

Toen God mijn eerste kind van mij wegnam, was ik zo zalig gesteld als mijn ziel maar houden kon, want ik zag en gevoelde, dat Hij geen onrecht deed en dat Hij niet van harte plaagde. Ik dacht toen, dat het maar een lichte zaak was een kind te verliezen en ik heb dan ook menig arm kind van God hard geslagen, omdat ze opstandig tegen God waren, die toch geen onrecht doen kon. Doch toen ik op dezelfde plaats kwam en werd overgelaten aan de duivel, vlees en bloed, bevond ik, dat er nooit zo'n opstandeling geweest was als ik; en om het even, wat de zaak is, of hoe klein ze ook is, als God ons aan onszelf overlaat, zal de duivel ons te machtig zijn. Ik moet mij houden aan de oude tekst, omdat hij zich voortdurend aan mij als waarheid openbaart : "Zonder Mij kunt gij niets doen". Joh.15 : 15. "Ik vermag alles door Christus, Die mij kracht geeft". O, wonderbare werken en wonderlijke weg van een Verbonds-God! Waarlijk, de dichter zegt zeer zoet:

God komt in onbekende weg
Zijn wond'ren verrichten,
Waar 't verstand moet zwichten.
Zijn voetstappen zijn in de zee,
Hij rijdt vlug en zeer gezwind
Op de vleug'len van de wind.

God bergt in Zijn schatkaam'ren,
Waaruit Zijn wijsheid blijkt
En waarvoor alles wijkt;
Zijn Goddelijk' raadsontwerpen,
Zijn souverein Raadsbesluit,
Voert Hij op Zijn tijd uit.

Grijp, kind van God, grijp verse moed,
De wolken die gij vreest,
En u doen staan bedeesd,
Zijn vol van kost'lijk goed.
Zij zullen zegeningen
Op uwen hoofde bringen.

En o, wat al zegeningen braken er door de wolken heen, die ik zo zeer gevreesd had! Het duizendste deel daarvan kan ik niet zeggen, want er kwam een zegen uit voort, waarom ik bijna twintig jaar gebeden had; ik bedoel de redding van mijn vrouw.

Toen de Heere mij eerst in vrijheid stelde, werd zij zeer op mijn ziel gebonden. O, wat worstelde ik met de Heere, of het Hem behagen mocht haar ogen te openen; en somtijds ontving ik zulke gezegende getuigenissen van Zijn dierbaar Woord, dat Hij mijn gebed hoorde en dat Hij mijn bede zou vervullen, dat mijn ziel er zich reeds in verheugen kon, vast gelovend, dat ik deze zaak beleven zou en dat mijn God zich betonen zou te zijn een gebedshorend en gebedsbeantwoordend Jehova.

Op andere tijden daarentegen was het precies het omgekeerde met mij, dan kwam de vrees bij mij op, dat ze een vat des toorns was, tot het verderf toebereid.

Ik begeerde zeer van haar, dat ze onder de prediking des Woords zou opgaan, als ze gelegenheid vinden kon, maar al dikwijls wierp ze mij tegen, dat ik de predikatiën en bidstonden achterna liep voor wel twintig man en dat zij van oordeel was, als een mens zijn huisgezin verzorgde, zijn plicht deed en voorts op de barmhartigheid van God vertrouwde, het meer dan genoeg was.

O, deze uitdrukkingen gingen mij gewoonlijk als dolksteken in de ziel! Dan ging mijn ziel wederom uit, met zulke worstelingen in het gebed tot God, dat naar het mij toescheen, ik gemakkelijker zou hebben kunnen sterven, dan dat ik deze zegen zou moeten ontberen.

Op zekere dag, in het bijzonder een dag die ik nooit vergeten zal, nog voor ik begon te prediken, waren wij in zeer scherpe beproevingen ten opzichte van onze tijdelijke omstandigheden. Mijn vrouw had een kind aan de borst en wij waren al een hele tijd zonder eten geweest. Ik had mijn werk thuis gebracht en was naar de winkel geweest, om enige mondbehoeften te kopen. Terwijl deze werden klaargemaakt zakte zij in elkaar en kreeg een zeer ernstige toeval. Elk ogenblik verwachtte ik, dat het met haar gedaan zou zijn. Ik wist niet waar ik gaan of staan zou en geraakte bijna mijn verstand kwijt. De gewaarwordingen die ik had, laten zich niet beschrijven. Ten laatste kwam zij weer bij, doch verscheidene dagen daarna was zij er zeer door aangetast. En o, wat werd mijn ziel nu vreselijk geschud. Want de duivel wierp mij wreed voor de voeten : "Bekijk nu uw toestand eens : met vijf kleine kinderen, tot over de oren in de schuld en uw vrouw nooit meer in staat om uw huisgezin te doen. God zal haar verstand wegnemen en het gebruik van haar ledematen, en gij zult in het armhuis terecht komen en daar in zwarte wanhoop sterven". De bittere folteringen der ziel die ik gedurende drie of vier dagen had, kan geen tong uitdrukken noch pen beschrijven.

Maar ik kreeg een klein hoopje, dat de Heere de machtige was om haar op te richten en dat Hij kon maken, dat zij geen benauwd, heden meer kreeg.

Nu begon ik te bidden, van de ochtend tot de avond bijna, of de Heere het gunnen wilde, dat zich geen benauwdheden meer voordeden; doch na enkele dagen kreeg zij weer een ernstige toeval. Nu scheen alle hoop vervlogen en het kwam mij voor, dat het al te vergeefs was daarom langer te bidden, want, dacht ik, God zal mij nooit willen horen.

Wat ik doormaakte zoal tussen de twee of drie maanden, naar ik mij herinner, weet God alleen, want zij had somtijds een en somtijds tweemaal per week een benauwdheid. Soms dacht ik te kunnen bemerken, dat haar vermogens zeer gekrenkt waren. O, welke taferelen werden mij dan voor ogen geschilderd! Dan weer geloofde ik, dat ik haar van haar zinnen beroofd zou zien en van het gebruik van haar ledematen; en dan brulde de duivel: "Waar is uw God, waar zijn uw gebeden? Nu, gelooft gij nog, dat zij een vat der genade is? Waar is nu uw goede hoop, waarvan gij gesproken hebt? Het woord van God zegt: "De hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in het hart uitgestort is, maar gij staat beschaamd over uw hope". O, wat zonk ik neder in de put van twijfelmoedigheid en ik kon slechts zuchten: "Laat de put zijn mond over mij niet toesluiten". Ps. 69 : 16.

En nu begon de duivel mij te bedreigen dat mij nog veel erger dingen zouden overkomen als ik het wagen durfde, te kermen, te zuchten of zelfs aan God te denken; doch daaraan kon ik mij niet onderwerpen, want kermen moest ik en ik zei hem ook openhartig dat ik moest zuchten, al zou ik er om verdoemd worden. De verzuchtingen lagen in mijn hart en ik kon ze niet tot zwijgen brengen en dat kon de duivel ook niet. Ik moest dus aanhouden tot God uit te roepen : "Laat de put zijn mond over mij niet toesluiten".

Maar op zekere avond toen ik naar de bidstond was geweest en door het veld huiswaarts keerde, werd het geval van mijn vrouw betreffende haar ongeluk zo krachtig en met zulk een gewicht op mijn hart gebonden, dat het mij onmogelijk toescheen, het langer te kunnen dragen. Ik ging derhalve in een groot veld, en wel in het midden daarvan, naar mijn berekening, want, dacht ik, het is een zeer donkere avond en niemand zal mij dan kunnen zien of horen dan alleen God.

Hier viel ik op de grond met zulk een last op mijn ziel, dat het mij was, alsof ik hand noch voet bewegen kon; en hier lag ik zuchtend en uitroepend tot en worstelend met de Heere. Ik vroeg, smeekte Hem niet boos op mij te zijn en ik verzekerde Hem dat ik niet kon, niet moest en niet wilde opstaan van die plaats, totdat Hij aan mijn verzoek voldaan had. Ik legde het voor Hem neder, dat mij of mijn bede moest geschonken worden, of op die plaats sterven; toen deze woorden, als ik met Hem worstelde, in mijn gemoed kwamen: "Laat mij gaan, want de dageraad is opgegaan". Gen. 32:2.6, maar mijn ziel riep uit en ook mijn mond: "Ik laat U niet gaan, tenzij dat Gij mij zegent".

Hier lag ik geheel lijdelijk in Zijn handen, wat leven of dood betrof en ik zei Hem, als het meer tot Zijn eer verstrekken kon om mijn verzoek te weigeren en mijn arme beladen, belaste, bedroefde en verdrukte ziel uit haar lichaam te nemen, dat Zijn wil geschiede. Doch aanstonds daarop verscheen Hij met zulk een heerlijkheid en majesteit, dat mijn ziel geheel overstelpt werd van blijdschap en Hij sprak deze woorden: "U geschiede gelijk gij wilt". Matth. 15:28.

Gedurende enige ogenblikken kon ik noch spreken, noch mij bewegen, want Zijn heerlijkheid kwam met zulk een kracht in mijn ziel, dat ik mij voor enkele minuten geheel verloor. Maar wederom sprak Hij en met de woorden: "U geschiede gelijk gij wilt", kwam er zo een licht en kracht mede, dat ik die woorden beantwoorden kon. O, wat antwoordde mijn ziel met ootmoedigheid: "Heere, mijn verzoek is dat mijn vrouw geen toevallen meer zal hebben; dit is mijn bede, wijs mijn aangezicht niet af, maar vergun mij uit tedere barmhartigheid mijn bede". Hierop antwoordde Hij met een vriendelijke toelaching: "Het is geschied gelijk gij verzocht hebt".

En o, wat een vertrouwen gevoelde ik in mijn hart, dat God mijn verzuchtingen gehoord en beantwoord had! Ik sprong op als een held, die van de wijn verkwikt is. Niet één duivel was er meer te zien, of werd er gehoord, want de zon was over mij opgegaan en zij waren in haar holen wedergekeerd. Nu keerde mijn ziel tot haar werk van lofzegging en liefde tot mijn God en Zaligmaker want ik was als een losgelaten vogel uit de strik des vogelvangers, de strik was gebroken en ik was ontkomen. Ps. 124:7.

Toen ik thuis kwam was het al zeer laat en mijn vrouw zat in vrees en angst, dat mij iets mocht overkomen zijn, maar ik zei haar dat alles in orde was.

Ik kon mij niet inhouden, maar moest uitroepen: "Goeie ziel, gij zult nooit geen toevallen meer hebben, want God heeft mijn gebeden beantwoord".

Arm schepsel! Zij zei : "Ik wens, dat u de waarheid moge zeggen".

Uit het volle van mijn hart antwoordde ik: "Gezegend zij mijn God, het is afgedaan, want de Heere heeft het mij gezegd".

Het is nu tussen de dertig en veertig jaren geleden, en zij heeft sindsdien geen toeval meer gehad. O! de goedertierenheid van een Verbonds-God en Vader! Hoe menigmaal heb ik wel gezongen en mij vermaakt uit de 116e Psalm: "Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen. Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen".

De banden des doods hadden mij omvangen; en de angsten der hel hadden mij getroffen, ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ik riep de naam des Heeren aan, zeggende: "Och, Heere, bevrijdt mijn ziel". De Heere is genadig en rechtvaardig; en onze God is ontfermend. De Heere bewaart de eenvoudige, ik was uitgeteerd doch Hij heeft mij verlost. Mijn ziel keert weder tot uwe rust, want de Heere heeft aan u welgedaan.

Nu ontwaarde ik wederom een zoete vrijheid in het gebed, dat Hij haar ogen wilde openen en haar brengen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Ik riep, of de Heere haar ziel redden wilde, en daar Hij zo vriendelijk was geweest, om mijn gebeden tot herstel van haar lichaam te verhoren, Hij ook mijn verzuchtingen wilde horen, die ik voor haar ziel opzond. O, wat heb ik in een tijdsbestek van twintig jaar al veel malen geloofd dat ik die zegen verkrijgen zou; en ik heb Zijn dierbare Naam daarvoor gedankt en geloofd vele jaren vóór ik die bevestigd zag.

Somtijds dacht ik, dat het niets was dan vlees en bloed, en dat al mijn tranen en gebeden alleen voortkwamen uit een natuurlijke liefde en toegenegenheid.

Maar God zij geloofd, ik heb het mogen ervaren, dat mijn gebeden waren opgesteld door de Heilige Geest en dat ze tot voldoening van mijn ziel gezegend zijn beantwoord geworden.

Nadat ik van Brighton was wedergekeerd, bespeurde ik gedurende verscheidene weken een grote omkeer in mijn vrouw, maar, dacht ik, het komt misschien doordat wij het kind verloren hebben en dan zal het eindigen in niets dan natuurlijke droefheid.

Maar op zekere avond was zij in zulk een benauwdheid des harten, dat zij het niet langer verbergen kon. Zij barstte in een vloed van tranen uit, uitroepend: "O, ik ben verloren, ik ben voor eeuwig verloren; en ik geloof, dat ik mijn verstand kwijt zal raken en krankzinnig worden".

Daarop zei ik haar, dat ik hoopte, dat haar verstand zou gebracht worden, overeenkomstig de beste zin van het Woord Gods en ik vroeg haar of haar ellende voortvloeiende uit het verlies van het kind.

"O, neen", zei ze, "het kind raakt mij zozeer niet, het gaat over mijn onsterfelijke ziel, die voor eeuwig verloren is".

Nu vroeg ik haar hoe zij er toe gekomen was over haar ziels toestand te gaan nadenken, waarop zij mij zei, dat vóór ik van huis ging en dus vóór het kind ziek werd, ik even tevoren predikte over de verschrikkelijke staat der goddelozen, die in hun zonden werden afgesneden en de vreselijke eeuwigheid, waarin deze arme zielen gebracht zouden worden, om de toorn van een rechtvaardig God te ontmoeten. "Toen", zei ze, "riept gij deze woorden drie malen achtereen uit: O, eeuwigheid, eeuwigheid, eeuwigheid!"

"O", sprak zij, "dit ging in mijn hart als een zwaard en ik zag en gevoelde dat ik het juist was, die de eeuwige toorn tot in alle eeuwigheid dragen moest".

O, de blijdschap die ik in mijn hart ontwaarde, toen zij mij dit mededeelde.

"Prijst de Heere", riep ik met hart en tong uit. "God toont u deze dingen niet, om uw ziel naar de hel te doen gaan".

Ik geloofde met mijn ganse hart, dat het het werk van God was en ik gevoelde een zoete opening des harten, om tot haar te spreken van de barmhartigheid, genade en vriendelijkheid van een dierbare Jezus, voor elk verloren en verslagen zondaar. Doch hoe meer ik trachtte haar te vertroosten, hoe meer zij uitriep : "Ik ben verloren! Ik ben verloren! Ik ben niet onder het getal dergenen, waarvoor Hij stierf! O, wat zal ik doen en waar zal ik heenvlieden?"

"O", riep zij uit, "Ik kan niet zien hoe het mogelijk is, dat God mij genadig kan zijn".

Ik kon niet anders dan zeer met haar te doen te hebben in haar nood; maar toch moest ik God loven en prijzen, dat Hij haar gebracht had onder een gevoelig besef van haar verloren staat.

Ik zei haar, dat God op Zijn eigen tijd haar vreugde en troost openbaren zou, dat zij niet alleen een verloren, doch ook een verloste zondares was. Maar arm schepsel! zij kon dit niet overnemen, totdat de heugelijke tijd daar was, dat zij werd overgenomen en dus was zij besloten tot het geloof, dat geopenbaard zou worden. Gal. 3:23. Vele malen verzocht de duivel haar een eind aan haar leven te maken, maar toen de bestemde tijd aanbrak om Zion genadig te zijn, verloste God haar en dat zeer dierbaar.

Ik predikte over deze woorden, Efeze 3 :18, 19: "Opdat gij ten volle kondt begrijpen met al de heiligen welke de breedte en diepte, en hoogte zij. En bekennen de liefde Christi, die de kennis te boven gaat".

Ik toonde naar de mate mijner gaven de eigenschappen dergenen die bij deze liefde belang hebben en God zond het woord in haar hart, delgde al haar overtredingen uit als een nevel en verzekerde haar, dat Hij haar had liefgehad met een eeuwige liefde en haar daarom getrokken had met goedertierenheid. O, de blijdschap en vreugde, waarmee zij uit de kapel kwam! Wij woonden toen niet in de stad en wij hadden de gewoonte, alvorens wij naar huis gingen, nadat de godsdienstoefening was afgelopen, een ogenblik te vertoeven bij een van onze diakenen. De vrouw des huizes nu vroeg haar of zij woensdag niet aankwam, om een kop thee te drinken, eer de avonddienst aanving. Zij antwoordde daarop zeer vrijmoedig en opgeruimd: Ja, als de Heere mij daartoe in staat stelt, zal ik dat doen".

Ik keerde mij om en zag haar aan en zei: "Hoe kunt gij er aan denken om woensdagavond hier naar toe te komen, wat is dit voor u? Gij zegt, dat gij niet tot dat volk behoort en dat de dingen van Gods Koninkrijk niet voor u zijn".

Doch zij antwoordde met een lachend en vergenoegd gezicht: "Loof de Heere, ik weet wat het is de liefde van God te gevoelen en ik ben verzekerd, dat ik er een ben van diegenen, die bij de liefde van God betrokken zijn, want ik gevoel haar dierbaarheid in mijn hart".

O, het licht der heerlijkheid, dat in mijn ziel scheen, dat de dag was aangebroken, die ik zo zeer begeerd had, om dit met mijn ogen te zien en met mijn oren te horen! En o, de vernedering des harten voor God, dat Hij mijn gebed beantwoord had, ofschoon de duivel mij zo dikwijls gezegd had, dat ik het nooit zou zien. Maar wat mij het allermeeste met verwondering vervulde, dat God mijn mond had willen gebruiken om ze uit het koninkrijk des duivels uit te halen en nu wederom om haar ziel uit de kerker te brengen en te zetten onder de prinsen Zijns volks. Ik loofde en dankte God en zei Hem, dat mijn wachten en uitzien gedurende twintig jaren nu rijkelijk beloond was geworden, ja, dat de zegen te groot scheen te zijn voor zo'n ellendig schepsel als ik was. Wat hadden wij na deze gebeurtenis blijde en aangename nachten en dagen. Alles scheen een poosje goed te gaan, in 't bijzonder met mijn vrouw, want het was gedurende een korte tijd alles liefde en dankzegging met haar.

God zij geloofd! Hij leidde en onderwees haar zo dierbaar, dat wij één hart, één weg en één zin hadden in de dingen van Gods Koninkrijk. Niet lang daarna begonnen haar vertroostingen te verminderen en de fonteinen des groten afgronds werden binnen in haar geopend, opdat zij leerde zien, welk een duivels hart zij omdroeg.

Ik begon te bespeuren, dat zij onder een grote duisternis des geestes kwam en zeer achterhoudend werd om van de dingen van het Koninkrijk Gods te spreken. Vele dingen begonnen haar verkeerd voor te komen, terwijl de duivel haar zeer plaagde, dat het alles misleiding en bedrog was met haar. In een van deze verwoede aanvallen voerde hij aan, dat haar ongeluk veroorzaakt was geworden door mijn prediking en zelfs bracht hij het somtijds zover, zoals zij mij naderhand, nadat zij uit deze verzoekingen verlost was geworden, mededeelde, dat hij haar aanporde, om mij van kant te maken.

Op zekere avond toen ik uit de kapel thuis kwam, verwonderde ik er mij over, wat haar toch wel schelen kon. Ik had getracht de aangevochten kinderen van God te bemoedigen en had in de predikatie onder anderen gezegd: "Komt, gij van de duivel voortgesleepte zielen, God zal u op Zijn tijd bevrijden".

Toen ik thuis kwam, keek ze niet erg vriendelijk en al aanstonds vroeg zij mij, of ik dat gepast noemen kon voor de dag te komen met zulke uitdrukkingen als "van de duivel voortgesleept".

"Ik heb veel in de Bijbel gelezen", zei zij, "doch nooit heb ik daarin gelezen van een van de duivel voortgesleepte ziel. Ik heb veel van Huntington's werken gelezen, doch zulk een uitdrukking er nooit in aangetroffen; en ik heb ook enige werken gelezen van Ds. Gadsby en ik heb hem ook verschillende keren horen prediken, maar zulk een uitdrukking heb ik hem nooit horen doen. Ik weet eigenlijk niet waar gij het vandaan haalt. Het scheen mij zo'n plattelands uitdrukking, dat ik beschaamd werd om uwentwil en ik niet wist waar mijn aangezicht te verbergen".

Maar ik gaf geen acht op hetgeen zij zei.

"Arm schepsel", dacht ik, "weldra zult gij een weinig leren verstaan, wat "van de duivel voortgesleept" beduidt".

En zo geschiedde het; want zij kwam in zulk een geestestoestand en werd zo aangevallen om te geloven, dat mijn prediken oorzaak was, dat ze in deze toestand verkeerde, dat zij besloot in een andere kapel te gaan. Dus ging ze op een avond in de week naar een andere kapel, doch zij kwam er uit, nog ellendiger dan zij er naar toe gegaan was.

Ik vroeg haar, waar zij geweest was. Zij zei mij, dat ze in een andere kapel geweest was.

"Wel", zei ik, "en hoe is het u bevallen?"

"Wel", antwoordde zij, "laat mij van de duivel voortgesleept" nog liever hebben dan wat ik daar gehoord heb. Men heeft mij gezegd dat ik niets heb te doen dan mijn plicht na te komen, leven overeenkomstig mijn voorrechten, waken en bidden, God op Zijn Woord aangrijpen en vertrouwen in de verdiensten van Christus en dan zou alles wel zijn, maar niet een enkel woord van bemoediging werd er gesproken voor zulk een ongelovige, slechte, duivelse ellendelinge als ik ben".

Ik kon mij niet van het lachen weerhouden; toch leed ik met haar in haar nood en ik wist, dat de Heere op Zijn eigen tijd zou verschijnen.

In deze toestand bleef zij, somtijds zeer geplaagd, totdat ik enige tijd daarna geleid werd om te prediken over deze woorden : "Om de, verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen zal Ik nu opstaan, zegt de Heere; Ik zal in behoudenis zetten, die Hij aanblaast". Psalm 12 : 5.

God bracht het woord op haar geval thuis en zij kwam uit de kapel vol blijdschap en vrede, verhogende de vrije, soevereine en onderscheidene genade. Waarlijk, haar voet was op een rotssteen gesteld en een nieuw lied in haar mond gegeven, een lofzang haren Gode. Psalm 40:4.

Ja", zei ze, "ik vermag alle dingen door Christus, Die mij krachten geeft".

En zij heeft zich nadien nooit meer bits uitgelaten over mijn ongepaste uitdrukkingen, want zij leerde een weinig kennen, wat het was van de duivel voortgesleept te worden. Geloofd zij Zijn Naam! Al Zijn kinderen zullen van de Heere geleerd zijn en de vrede Zijner kinderen zal groot zijn. Jes. 54 : 13.

En ofschoon zij menigmaal neergebogen gaan, zo moeten zij wederom opstaan, want de Heere richt de gebogenen op. Ps. 146 : 8.

Ofschoon zij zo vele nachten doormaken, de morgen zal gewis komen, vergezeld van vreugde en blijdschap; ofschoon zij vele dagen van tegenspoed hebben, de dag van voorspoed volgt daarop; ofschoon zij vele winterse dagen beleven, waarin niets dan zuchten, kermen en allerlei ellende hun deel is, toch staat de lentetijd aan te breken.

En o, wat een hemels genoegen, als onze liefde tot de ziel spreekt. "Staat op, mijn Vriendinne, mijn schone en komt; want ziet, de winter is voorbij; de plasregen is over, hij is over gegaan. De bloemen worden gezien in den lande, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in onzen lande. De vijgenboom brengt zijn jonge vijgjes voort en de wijnstokken geven reuk met haar jonge druifjes; staat op, mijn Vriendinne, mijn schone en komt". Hoogl. 2 : 10 -13.

Maar wat kunnen wij zonder de Heere doen? Zijn mond verklaart het: "Blijft in mij en ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van haarzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen". Joh. 15 :4, 5.

En ik geloof van ganser harte, dat al degenen, die door God onderwezen worden, gedurende hun gehele leven deze les leren moeten, dat zij zonder Christus niets en met Christus alles kunnen doen.

Doch om tot mijn verhaal terug te keren. Toen ik van Brighton thuis kwam, bevond ik mij in zeer beproevende omstandigheden in de weg der voorzienigheid; want behalve verdrukkingen in mijn huisgezin, moest ik betalen het schoolgeld voor de kinderen en huur en belastingen, daarbij waren kleren en mondbehoeften zeer duur en meest alle kinderen, als zij aan tafel kwamen, telden voor mannen en vrouwen. Ik was dus inderdaad zeer in de verlegenheid en kon geen weg uitdenken om uit deze moeilijkheden te geraken of ook iedere schuldeiser het zijne te geven. En toch waren er enige van mijn belijdende vrienden, die het maar altijd een wonder bleef, wat ik met mijn geld deed; immers drie pond per week en zij konden geen andere gedachten vormen, of ik moest er heel wat van overhouden. Maar ik bevond juist het tegenovergestelde, want ik zag dat ik steeds meer in de schulden geraakte en hoe ik er uit komen moest, wist ik niet.

Omtrent deze tijd kwam er een huis te huur, een grote mijl buiten de stad. Ik ging het huis eens bekijken en vond het een tamelijk flink huis, met een grote tuin. Het stond op wat men noemt de "Trowler weide". Er was ook gelegenheid om één of twee koeien te houden en naar ik vernam werd de bewoner van het pand het recht verleend, om als de tijd daarvoor was, de koeien op de weide te laten lopen. Het pand beviel mij uitstekend, want er was een flinke boomgaard bij, vol appelbomen en een goede moestuin en het scheen mij juist de gelegenheid, waar ik in staat zou kunnen geraken om uit mijn schulden te komen.

"Landbouwers", dacht ik, "zijn er het beste aan toe en dan wil ik ook wel landbouwer worden". Ik beoogde hiermee niet rijkdommen te verkrijgen, maar alleen om uit mijn tegenwoordige moeilijkheden te geraken en ik achtte het ook een rechte weg, alles in het werk te stellen, om dit doel te bereiken. Behalve dat, zou ik mijn huisgezin kunnen onderhouden en de mensen een beetje ontlasten.

Toen ik thuis kwam, vertelde ik aan mijn vrouw, waar ik geweest was en dat het huis mij zeer wel aanstond en dat het buiten kijf de aangewezen plaats was voor ons. Zij deelde echter mijn zienswijze niet; ook kon zij niet geloven, dat de Heere Zijn zegen er op schenken wilde, "want voor mij staat het vast", zei zij, "dat, wat gij ook ter hand neemt buiten de bediening van het Evangelie, niets zal gedijen, daar ik geloof, dat gij van het Evangelie leven moet".

En zo bleek het ook te zijn, doch ik kon het niet geloven, alvorens het te hebben geprobeerd, want ik dacht, Paulus werkte ook met zijn handen, en ik was vast besloten dit ook te doen, opdat ik niet zo afhankelijk van mijn vrienden behoefde te zijn. Immers sneed het mij door de ziel van deze en gene te horen zeggen dat enigen het zeer verkeerd van mij vonden de mensen zodanig te belasten als ik deed. Ik besloot dus ten volle, dat ik het huis zou huren, ofschoon al mijn oprechte vrienden het mij ontraadden.

Dus ging ik heen en huurde het. Binnen enige weken reeds moest ik het huis betrekken en daar het tegen Mei ging, zoveel ik mij herinneren kan, begon ik de boomgaard te verzorgen en de tuin met aardappelen en andere groenten te beplanten, nodig voor mijn huisgezin. Ik had de wonderlijke verwachting, dat het eerste jaar reeds de huur, die ik moest betalen, geheel zou kunnen overleggen en dat ik langzamerhand dus mijn schulden zou kunnen afdoen. Eindelijk kwam ik in mijn nieuwe woning, maar ik vond het verhuizen een dure karwei, daar dit vergezeld ging met het aanschaffen van enige noodzakelijke dingen. Van een vriend had ik twintig pond geleend, om mijn kleine boerderij in orde te maken en toen ik al mijn grond met aardappelen en andere groenten beplant had, ging ik naar de markt en kocht wat varkens. Als ik het wel heb, hadden wij er vijftien en ik dacht deze op de weide te brengen; maar bij het eind der rekening kwam het uit, dat ik zelf wel in de weide gemoeten zou hebben, want al spoedig bevond ik, dat ik mijn veestapel in geld moest omzetten, of dat het anders verkeerd uitgekomen zou zijn. Doch toen ik de varkens ten verkoop aanbood, werd mij gezegd, dat magere varkens geen geld waard waren en men raadde mij aan ze te vetten. Dit zou in elk geval meer lonend zijn, dan ze te verkopen in deze conditie, want dan kan men ze "even goed weggeven". Ik ging dus naar de meelverkoper en deze keurde het goed, dat ik zo, veel gerstemeel krijgen zou als nodig was om negen of tien varkens vet te maken. Zodra ik echter de varkens begon te mesten, zei mijn vrouw, dat zij geloofde dat vette varkens ook in prijs zouden dalen, zowel als magere; en waarlijk het kwam er op uit; want toen ik ze gedood en schoongemaakt had, brachten ze nog niet een derde deel op van hetgeen ik mij had voorgesteld. Wat betrof de oogst van de aardappelen, die ik in de boomgaard geplant had, daarvan kwam niets, want zij verrotten in de grond, ofschoon ik de opbrengst wel op groot twintig zakken geschat had. En de appels, die ik berekend had, dat de halve huur zouden hebben opgebracht, hadden met elkaar nog geen drie gulden waarde. Ja, het scheen, dat de Heere was uitgegaan mij tot een tegenpartij en dat Hij ieder voornemen verijdelde; en toen ik de rekening eens ging bezien, bevond ik, dat ik door het in huur nemen van dat huis, met al de aankleve van dien, een veertig pond meer schuld had, dan toen ik er gekomen was. O, ik dacht, dat ik van mijn verstand zou beroofd geworden zijn.

Eén dag zal ik nooit vergeten. In mijn ellende ging ik in de boomgaard en zette mij onder een appelboom, en o, wat ging mijn ziel tot God uit of Hij zo vriendelijk zijn wilde, mij te tonen, waarom mij al die tegenspoed overkomen was; en ik smeekte Hem met mijn ganse hart, dat Hij het verklaren wilde, indien ik verkeerd gedaan had.

Hier worstelde ik met hart en ziel tot het de Heere behaagde mij te antwoorden met deze woorden: "Niemand die in de krijg dient wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij die moge behagen, die hem tot de krijg aangenomen heeft". 2 Tim. 2 : 4. O, wat werd ik klein onder dit woord; en terwijl ik weende en voor Zijn aangezicht beleed, dat ik verkeerd gedaan had en Hem smeekte of Hij het mij vergeven wilde, klonken deze woorden in mijn ziel: "En weet gij niet, dat degenen die de heilige dingen bedienen van het heilige eten? En die de altaar steeds bij zijn, delen met de altaar? Alzo heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van dit Evangelie leven". 1 Cor. 9: 13, 14.

En wat een licht en heerlijkheid schenen er in die woorden uit hetzelfde hoofdstuk, vers 7, 8, 9, 10, 11 : "Wie dient ooit in de krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde en eet niet van de melk der kudde? Spreek ik dit naar de mens? Of zegt de Wet hetzelve niet? Want in de wet van Mozes is geschreven : Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen? Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; overmits die ploegt, op hoop moet ploegen; en die op hoop dorst, moet zijner hoop deelachtig worden. Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe dat lichamelijk is maaien?"

O, wat kwam mijn ziel in vernedering en smolt zij weg aan Zijn gezegende voeten en hoe duidelijk zag ik, dat degenen die geen geestelijke dingen maaien, zeer ongaarne van tijdelijke goederen mededelen. Zo klaar als de middag zag ik, dat wij te dier tijd enigen van dat soort onder ons hadden, die van mijn prediken geen geestelijk voordeel trokken, anders zouden zij het niet zo'n moeilijk werk gevonden hebben tot mijn onderhoud mede te delen. Maar God toonde mij, dat ik geen acht geven moest op hun woorden en hoe zij mij aankeken. O, hoe tijdig kwamen deze woorden in mijn ziel: "Wat gaat het u aan? Volg gij Mij". Joh. 21 : 22. "Als Ik u uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft het u ook iets ontbroken?" Luc. 22:35. En mijn ziel antwoordde: "Niets Heere".

En hoe dierbaar bracht de Heere mij in herinnering de weg die Hij mij geleid, had, de hulp en uitreddingen, die Hij tot op die dag mij geschonken had, en dat Hij mij zeer aangenaam had uitgeholpen in al mijn wederwaardigheden; en deze woorden klonken zeer zoet. "Hij heeft verlost; Hij heeft verlost".

"Ja", riep ik uit, "en ik hoop, dat Hij nog verlossen zal".

Hoe duidelijk zag ik nu de noodzakelijkheid van al wat mij wedervaren was, want ik was bijna verslonden door de dingen van deze wereld en somtijds zo woest als een beer, die van zijn jongen beroofd is, en dit omdat ik mijn zin niet kon krijgen. Ik zeg het tot mijn schande, dat ik bij tijden zo'n toorn en boosheid in mijn hart tegen God en de mensen voelde opborrelen, dat ik niet anders kon denken, of God had mij overgegeven aan een gruwelijke vermetelheid; en hoe ik gedurende verscheidene maanden door mijn prediken heengekomen ben, weet God alleen; want ik kan het niet zeggen. Het was met mij weinig anders dan donkerheid, hardheid, gevangenschap en ellende, want mijn hoofd en hart waren gestadig hard in de weer; en als God het ene kasteel deed omver tuimelen, bouwde ik het andere op; als Hij op deze plaats mijn weg met doornen omtuinde, was ik op een andere plaats druk bezig er doorheen te breken. Eens op een Zaterdag geloofde ik zeker, dat ik krankzinnig zou worden, want ik kon maar geen tekst vinden. Alles liep verkeerd thuis, en somtijds braken de varkens uit hun hok en liepen de tuin in. Zij wroetten de weinige aardappelen die ik daar nog had om, rukten de kool uit de grond, kortom bedierven alles wat in hun nabijheid kwam. Een Zaterdag komt mij vers in het geheugen. Zij waren toen ook in de tuin geweest en ik had ze er uit gedreven, niet al te best geluimd. Naar ik dacht had ik ze zo goed opgesloten, dat het wel niet mogelijk zou kunnen zijn, dat ze er weer uitbreken konden. Het was echter nog geen twee uren daarna, toen ik pas een beetje tot bedaren gekomen was, en ik poogde te bidden om een tekst, dat mij de tijding gebracht werd, dat de varkens in de tuin waren.

"O", dacht ik, "de duivel moet in de zwijnen gevaren zijn"; en ik geloof dat hij er ook niet ver vandaan was, toen ik bij hen kwam, want hij woedde zeer sterk in mij, en het was een wonder dat ik weerhouden werd van te vloeken, want inderdaad deed een godslasterlijke boef nooit zoveel vloeken in het openbaar, dan ik er binnen in mijn hart gewaar werd.

Toen ik ze weer in hun hok opgesloten had en ik in mijn kamer was gekomen, overviel mij schrik en ontsteltenis, vanwege de gewaarwordingen die ik in mijn hart gehad had. Ik liet mijn moede hoofd hangen en wenste nooit geboren te zijn geweest. Ik kon niet zien noch ontwaren dat er meer genade in mijn hart was, dan er was in het varken. "Voorzeker", riep ik uit, "ik ben bedrogen, en ik bedrieg de kerk van God. Wat kan ik anders verwachten dan dat de wraak en toorn mij vervolgen, en mij tenslotte zullen storten in die hel, die ik rechtvaardig verdiend heb".

Hoe ik de volgende dag heb kunnen prediken, kan ik niet zeggen, maar het ging zoals het ging, en wat mij het meest verwonderde, dat hoezeer ik ook was opgebonden, het Woord van God niet gebonden was, want Hij gaf getuigenis aan het woord Zijner genade, door het roepen en in vrijheid stellen van vele zielen.

O, de vervloekte ongelovigheid, die bij tijden in mijn hart kwam!

Hoe kunt gij bewijzen, dat de Bijbel het Woord van God is? Of hoe kunt gij bewijzen dat er een God is? Zie eens op die en die, zij vloeken en zweren, zij breken de sabbatdag en geven niet om God, mensen noch duivel, en zie eens hoe hun alles meeloopt waaraan zij de handen slaan; en is het wel waarschijnlijk, als er een God is, dat Hij zulke goddelozen zou willen verdragen? En bekijk dan eens u zelven, en menige anderen die belijden van Gods volk te zijn en die geloven dat de Bijbel het Woord van God is en zie eens hoe gij geplaagd, gemarteld en gedwarsboomd wordt en alles komt juist tegenovergesteld uw wensen en begeerten. En let dan eens op de toestand waarin gij verkeert, met uw enorme schulden en ondanks uw streven en wensen om ze kwijt te worden, zinkt gij al dieper en dieper weg.

Somtijds zakte ik onder deze gewaarwordingen zo diep weg, dat ik geloofde er nooit meer van te zullen opstaan, en dit zou ook mijn geval geweest zijn, was niet Hij, Die de opstanding en het leven is, tot mij gekomen, en mij weder opgehaald had onder de appelboom zoals ik reeds gemeld heb. O, ik lag zo lijdelijk als een kind in Zijn armen.

Loof Zijn dierbare Naam. Hij verbrandde al mijn vleselijk waardeloos puin tot as, en daar lag ik aan Zijn voeten, onder de aandoeningen mijner ziel, belijdend mijn laagheid en dwaasheid. Ik zei Hem, met mij te doen, zoals het goed was in Zijn ogen, en dat ik niets zijn wilde, als maar Hij verheerlijkt werd. En zijnde onder de appelboom, wat gevoelde ik een gezegende verandering, als Hij gaf sieraad voor as, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest, opdat ik zou genoemd worden een eikenboom der gerechtigheid, opdat Hij verheerlijkt werd. Jes. 61 : 3.

Mijn ziel was nu gewillig elke last te dragen die het Hem behaagde mij op te leggen en waarlijk ik gevoelde Zijn juk zacht en Zijn last licht. Nu werd mijn ziel van dag tot dag in het gebed uitgeleid dat Hij mij een weg openen wilde, dat ik de plaats verlaten en weer in de stad wonen kon.

Op zekere dag zat ik in de tuin; wij hadden er toen, denk ik, bijna tien maanden gewoond, en nog twee maanden restten er, dan moest de huur betaald worden. Als ik mij goed herinner, bedroeg deze twee en twintig pond. Ik bezweek bijna bij de gedachte hoe ik de huur bij elkaar zou krijgen en dan de eigenaar te waarschuwen, dat ik het huis verlaten zou. Terwijl ik over deze dingen nadacht, kwam er iemand uit Trowbridge, die ik van aanzien kende, mij vragen of ik voornemens was het huis dat ik bewoonde, te verlaten.

Ik zei, dat dit juist het geval was.

"Wel", zei hij, "ik ben in de stad niet erg gezond en ik geloof dat een wandelplaats als deze, mij goed zou doen; als gij er dus niets tegen hebt, wil ik het overnemen".

Hierop antwoordde ik, dat ik blij zou zijn, als hij dit deed.

"Maar", zei hij, "ik zou er dan met een veertien dagen uit moeten, want de lente is op komst, en ik heb frisse lucht nodig".

"Goed", hernam ik, "hoe eer hoe liever, want ik ben het geducht moe".

Ik ging dus naar de eigenaar om te weten of hij er genoegen mee nam, die man als huurder te willen nemen, en mij te willen ontslaan als ik hem de huur voor het jaar betaalde.

Hij zei, dat hij de man kende, en er niets tegen had.

Maar o, wat prees en loofde ik de Heere, dat Hij op een zo onverwachte wijze een weg had willen openen, dat ik het huis verlaten kon, zonder dat ik zes maanden van te voren had moeten waarschuwen. "Loof de Heere, mijn ziel", riep ik uit, "Hij is de machtige om uit te helpen".

Zo ging ik dus naar de stad, waar ik een huis aantrof dat ledig stond. Ik dacht dat dit ons wel geschikt leek en huurde het, en binnen een week, geloof ik, waren wij uit onze oude woning vertrokken en hadden van onze nieuwe woning bezit genomen. Maar o, wat was het mij bang om het hart, toen ik mijn schulden eens ging op, tellen! Het scheen mij onmogelijk deze ooit te zullen kunnen betalen; en wel duizendmaal noemde ik mijzelf een dwaas, zo gehandeld te hebben.

Doch God zij geloofd! een belofte bevond ik herhaaldelijk de waarheid te zijn: "Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft". Jes. 40:29

Ik had nergens anders te gaan dan tot Hem, wiens het vee is op duizend bergen en wiens al het goud en zilver is, en mijn ziel riep dag en nacht tot Hem, of Hij voor mij verschijnen wilde.

Ik was genezen van het beramen van plannen en ontwerpen om uit mijn moeiten te geraken, daar bittere ervaring mij leerde, dat dit de weg was, om er al dieper en dieper in te komen.

Wat is het een zegen als God ons doet afzien van onze eigen wijsheid en dat wij onze zorgen stellen in de hand van een Verbondsgod, Die altijd was, altijd is, en altijd zijn zal de getrouwe in hetgeen Hij beloofd heeft!.

En zo bevond ik het ook in dit geval; want Hij leidde mij uit door een weg, die ik niet wist, en maakte de duisternis voor mijn aangezicht tot licht en het kromme recht, zodat mijn ziel opsprong van vreugde.

Sommige leden der kerk hadden medelijden met mij. Zonder dat ik er wetende van was, hielden zij onder enige leden van de kerk en sommigen, die gewoonlijk in de kerk kwamen, een collecte, die diende ter tegemoetkoming in het verlies, dat ik geleden had. Ik was werkelijk verlegen met de vrijgevigheid van velen van de vrienden, want als ik mij goed herinner, collecteerden zij meer dan twintig pond.

O, wat loofde mijn ziel de Heere voor deze rijke gift!

"Waarlijk", riep ik uit, "de harten van alle mensen zijn in de hand des Heeren; en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde". Dan. 4:35.

Het duurde niet lang of ik verdeelde het geld onder mijn schuldeisers. Deze uitkomst bemoedigde mij tot de Heere te blijven roepen, want ik had op zekere plaats nog tien pond schuld, die ik binnenkort op een of andere wijze zou moeten betalen, maar hoe er toe te komen, wist ik niet. Doch mijn ogen waren op de Heere en ik had ook nergens anders heen te zien dan naar Hem. De zaak bleef zo tot op de dag vóór ik het geld betalen moest, en er was niet de minste waarschijnlijkheid van welke kant ook, dat ik het geld bekomen zou. En o, wat viel ik in een vlaag van ongeloof! "Morgen is de dag en geen mogelijkheid om het te krijgen; en wat zullen uw vrijgevige vrienden er wel van zeggen, als zij zullen horen, dat gij nog tien pond schuld meer hebt, die gij niet betalen kunt. Ja, en wat zouden zij er van maken als zij eens wisten, dat gij bij anderen nog voor zoveel maal tien pond in de boeken staat".

O, wat riep ik tot de Heere! Maar o, hoe zoet vloeiden de dierbare beloften in mijn ziel! Dierbare beloften, als zij komen, waar ze net van pas zijn! Dan is er niet één woord te veel of te weinig. Waarlijk: "Een rede op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen". Spr. 25 : 11.

"En hoe goed is een woord op zijn tijd". Spr. 15 :23. Ik bevond ze zeer goed en dierbaar, want laat de duivel ook komen van welke kant het hem behaagt, God zond mij een belofte, dat Hij het voorzien zou. En zo kwam het uit de volgende morgen, want de postbode kwam aan de deur met "een schelling en elf stuivers!"

O, de klank van "Een schelling en elf stuivers!" Zij deed mijn ziel opspringen van vreugde.

Het was immers een brief van mijn waarde oude vriend en broeder Ds. Gadsby. Ik had hem al spoedig geopend en het eerste waarop mijn oog viel was een biljet van tien pond. Ik liep mijn slaapkamer in en viel op mijn bed, lovende en prijzende mijn God, tot ik niet meer kon. Petrus had niet meer bewondering, liefde en blijdschap toen hij zijn opperkleed omgordde en zich in zee wierp om bij zijn Heere te komen. Met mijn genegenheden omvatte ik Zijn voeten, waste ze met tranen van blijdschap en droogde ze af met het haar van mijn hoofd. Neen, zulke openbaringen van de wonderbare liefde en goedheid van God kunnen ondervonden, maar niet uitgesproken worden.

Nadat ik de Heere voor de tien pond geloofd en gedankt had, begon ik de brief te lezen. Mijn vriend begon met zegeningen te leggen op het hoofd van onze dierbare Heere, die op zo'n wonderlijke wijze was voorgekomen als de God der voorzienigheid. Toen ging hij voort mij mede te delen, dat hij een vriend was gaan bezoeken, die ook mijn vriend was en dat in de loop van het gesprek zijn vriend had gevraagd, hoe Jan het maakte. Hierop had hij geantwoord, dat hij geloofde, dat hij in zeer moeilijke omstandigheden verkeerde.

"Niet lang geleden", zei mijn vriend G., "heb ik een brief van hem gehad, waarin hij mij mededeelde, dat hij zeer vreesde niet te Trowbridge te zullen kunnen blijven". Hierop, zoals de brief verder meldde, stak mijn goede vriend de hand in zijn zak en haalde er een biljet van twintig pond uit, zeggende: "Stuur hem dit, hij zal het kunnen inschikken, maar zeg hem niet wie het gegeven heeft". "Nu", zo vervolgde de brief, "daar gij enig geld schuldig zijt in Manchester, zal ik tien pond onder mij behouden, totdat ik van u hoor, en als gij het nu niet betalen kunt zal ik indien gij dit wenst, de andere tien pond toezenden".

O, de gewaarwordingen in mijn gemoed zijn nauwelijks te beschrijven! Geen tong zou het kunnen zeggen, noch geen pen beschrijven hoedanig ik gesteld was.

"Waarlijk", riep mijn ziel uit, "de Heere heeft grote dingen gedaan, dies ben ik verblijd".

O, wat wordt een ziel door zulke dierbare uitreddingen als deze bevestigd in en bekrachtigd door de liefde, barmhartigheid, genade en getrouwheid van een Verbonds-God jegens zichzelf en Zijn dierbare kinderen, die tot het uiterste gedreven, niet weten wat ze doen moeten. Hoe zielverkwikkend is het te zien en te ontwaren, ja een levend getuige er van te zijn, dat God zijn roepen gehoord en beantwoord heeft! En hoe dierbaar kunnen zij dan deze woorden tot de hunne maken: "Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen. Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies ik Hem in mijn dagen zal aanroepen". Psalm 116: 1, 2.

Het is des Heeren eigen mond, die van hen getuigt: "Gij zijt Mijn getuigen, zegt de Heere, dat Ik God ben en er is geen andere dan Ik". Jes. 43: 10.

Het duurde niet lang of ik schreef mijn te allen tijde getrouwe vriend Ds. Gadsby een brief, waarin ik hem meldde dat ik de tien pond in goede orde ontvangen had, daarbij welk een zegen ik genoten had en ook hoe ze mij van pas kwamen. Voorts, dat ik wenste, dat hij de andere tien pond zou besteden ter afdoening op hetgeen ik te Manchester schuldig was.

O, de wonderen van een Verbonds-God en Vader. O, wat had ik gedurende enige tijd een gezegend vertrouwen, dat God er mij doorheen helpen en Hij mij de dag doen beleven zou, waarop Hij mij in staat stellen wilde mijn schulden af te doen. Ik geloof als de vaste waarheid, dat de genade Gods bevindelijk in het hart gekend en gevoeld, een mens eerlijk maakt in al zijn handelingen en dat zij hem doet begeren de leer van God zijn Zaligmaker te verheerlijken door zijn gedrag in eigen gezin en daarbuiten. O, hoe dierbaar is bij tijden de zaak van God en de waarheid in zijn hart en wat smekingen en tranen stort voor God uit, dat hij bewaard mag blijven van Zijn dierbare Naam te onteren, opdat de onbesnedenen niet zouden kunnen zeggen: "Aha, zo is het naar onze wens".

O, wat is mijn ziel wel van vrees ontsteld geweest, dat dit mijn geval zou zijn. Tot hiertoe echter heeft de Heere mij bewaard en op dit ogenblik nog moet ik zeggen : het is door de genade Gods, dat ik ben, die ik ben.

Op de "Trowle weide", was het mij tot klaarheid gebracht, dat God wilde dat ik van het Evangelie leven zou, en ik zag zo klaar als de zon aan de hemel schijnt, dat ik niet kon verhinderen, dat zij die geen geestelijke dingen uit mijn bediening ontvingen, allerlei soort van redeneringen tegen mij uitbrachten. Ik was echter onderwezen, dat het mijn zaak was daarop geen acht te geven, doch mij met al mijn noden en behoeften tot God te wenden.

En geloofd zij de Heere, Hij heeft te allen tijde de harde woorden somtijds over mijn persoon gesproken, ten goede en tot profijt van mijn ziel doen gedijen; hoewel het ook waar is dat zij menigmaal een scherpe beproeving waren voor vlees en bloed, als ik daarvan moest horen. God echter gaf mij de genade, om tot Hem te komen, opdat Hij mij wilde onderzoeken en beproeven, want God kent mijn hart, dat ik niets wenste te doen dan hetgeen Zijn goedkeuring kon wegdragen. En altijd heb ik bevonden, dat de Heere al hetgeen ik meegemaakt heb, heeft doen medewerken ten mijnen nutte en ter verheerlijking van Zijn Naam. O, wat een gezegend iets is het, als de Heere ons vergunt met al onze wederwaardigheden tot Hem te komen. Dit is toch veel beter dan te leunen op een vleselijke arm.

Ik werd nooit toegelaten op een vleselijke arm mijn betrouwen te stellen, omdat Hij mij in de steek liet; anderzins geloof ik niet, dat er ooit zo'n dwaas geweest is als ik, die ter rechter- en ter linkerzijde uitzag en die iedere vleselijke toevlucht omhelsde, totdat zij mij begaf.

Dan riep ik de Naam des Heeren aan, en de Heere stond altijd op ter mijner hulp en bewees Zich te zijn een God van nabij en niet een God van verre. En zo ooit een arme ziel directe hulp van node had, dan was ik het.

Ik was belast en terneder gedrukt met een groot gezin en somtijds vreesde ik nooit in staat te zullen zijn mijn schulden te kunnen betalen, terwijl menigten rondom mij wachtende en uitziende waren, dat mij iets overkomen mocht, opdat ik Trowbridge zou moeten verlaten. En somtijds was ik zo opgesloten door duisternis en verwarring, dat ik vast geloofde nooit meer te zullen kunnen prediken en dan was ik mijzelf een wonder, hoe ik zo aanmatigend zijn kon om het te durven wagen. Maar geloofd zij de Heere, Hij bestuurde het te mijnen nutte, want telkens werd ik genoopt door geween en smekingen met Hem te worstelen, of Hij het in mijn hart openbaren wilde, dat Hij mij tot het werk der bediening geroepen had. Menigmaal is mij dit duidelijk geweest, maar als de duivel mij beroofd en geplunderd en mij in de gevangenis opgesloten had, dan kon ik noch vooruit noch achteruit zien, maar alles was mij volkomen duister en dan miste ik alle troost.

Ik heb licht genoeg om te onderscheiden, wat een ongelukkig schepsel ik ben, wat een dwaas ik ben, wat een beest ik ben, wat een helwaardige rebel ik ben, maar dit verschaft mij geen troost. Ik heb niemand nodig, die mij, als ik hier verkeer, behoef te zeggen, dat God Zijn voornemen handhaven zal en dus niemand dit zal kunnen keren, ook behoeft niemand, hetzij lid, hetzij leraar mij te zeggen, dat Gods genadebesluit even onveranderlijk is als God zelf, maar welk een troost verschaft zulk een geloof als dit aan mijn ziel, als ik vrees, dat ik niet tot Gods volk behoor?

Ik moet dezelfde geest hebben, getuigende met mijn geest, gelijk in de dagen die achter mij liggen, om hetzelfde ootmoedige vertrouwen voort te brengen, dat Hij mijn Heere en Meester is en ik Zijn onwaardige dienstknecht, opdat mijn ziel voldoening vinden moge. Niets minder dan dit kan mij troost en vrede geven ten opzichte van het werk der bediening.

En o, hoe menigmaal heeft God mijn ziel dierbaar opgebeurd uit de woorden van 1 Cor. 1 :26 -29, als ik was neergezonken in droeve twijfel en vrees, dat Hij mij nooit gezonden had en dit wel nadat ik de bewijzen gesmaakt had, die ik in het eerste deel van mijn levensbeschrijving heb weergegeven: "Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar den vleze, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen. En het onedele en verachte, heeft God uitverkoren, en hetgeen niet is opdat Hij hetgeen iets is te niet zou maken. Opdat geen vlees zou roemen voor Hem".

O, als de Heilige Geest deze dierbare woorden in mijn ziel fluisterde, toen ik elk uur met Hem worstelde, om te weten of het mogelijk was, dat zo'n onkundige worm, zo'n ellendige worm, zo'n niet, Zijn dienstknecht zijn kon, hoe tijdig zijn zij mij dan wel voorgekomen, en als door het zout smakelijk gemaakt. O, gezegende, heilige zalfolie van God de Heilige Geest, die met het Woord in de ziel druipt! Welk een vernedering brengt zij teweeg; welk een vertrouwen, welk een liefde, lof, aanbidding, stort zij uit, welk een ijver voor de eer en heerlijkheid van God, brengt zij in mijn ziel! Ja somtijds, als ik onder de kracht van deze woorden, even gelijk een kind was nedergezegen, heb ik gezegd: "Doe met mij, Heere, zoals het in Uw ogen goed is; hier ben ik; een arm, dwaas schepsel; verheerlijk maar Uw wijsheid door zo'n dwaas; hier ben ik, een verachtelijk schepsel, verheerlijk maar de rijkdom van Uw barmhartigheid en genade door mij en nevens mij hier ben ik, 't ellendigste en zwakste schepsel op de gehele wereld, verheerlijk maar Uw kracht in mij; hier ben ik, een niet en nog minder dan niets, verheerlijk maar Uw machtig zelven om de dingen die niets zijn uit niets te voorschijn te roepen, om te beschamen de dingen die zijn, opdat geen vlees zou roemen voor U, doch opdat hij die roeme, roeme in de Heere".

En hoe zoet heeft dan de dierbare Vertrooster in mijn ziel gesproken : "Hebt gij nooit gelezen, uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt gij uw lof toebereid?" Matth. 21 : 16.

En hoe dierbaar kwamen onmiddellijk daarop deze woorden: "En Jezus kennende de gedachten hunner harten, nam een kindeke en stelde dat midden onder haar, en zeide tot hen : zo wie één van deze kinderkens zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij, en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Dien, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste van allen is, dezelve zal groot genaamd worden". Marc. 9.

Als God de Heilige Geest, zulke gezegende getuigenissen als deze, in mijn ziel geeft, als antwoord op het gebed, dan sta ik zo moedig als een leeuw, dan vrees ik niemands afkeuring en zoek niemands toejuiching. Dan kan ik mijn God loven en danken, dat Hij mij waardig geacht heeft om Zijns Naams wil smaadheid te lijden en kan ik zeggen in nederigheid met vertrouwen des harten : "Waartoe ik gesteld ben een prediker, een apostel, en een leraar der heidenen. Om welks oorzaak ik ook deze dingen lijd; maar word niet beschaamd. Want ik weet in Wien ik geloof heb, en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand bij Hem weggelegd, te bewaren tot op die dag". 2 Tim. 1 : 11, 12.

Ik sta er niet zo verwonderd over, dat er zoveel leraars zijn, die verachting uitgieten op een bevindelijke godsdienst, want hoe is het mogelijk, dat zij, die nooit bevindelijk leerden verstaan de diepte der ellende hunner eigen dwaasheid, hunner eigen geringheid, hunner eigen nietigheid, en zodoende menen dat het een vreselijke vermetelheid van zo'n ellendige zou zijn, om de mond te openen in de naam van een heilig God. Zij hebben bijgevolg geen kennis van de smarten, en het zuchten en kermen, dat niet onder woorden gebracht kan worden. Ik zeg, hoe is het mogelijk voor de zulken, iets te kunnen zeggen van een bevindelijk werk, als zij daarvan volstrekt onkundig zijn. Zij kunnen daar niet in komen, tenzij het eerst in hun harten komt. Maar mijn ziel heeft het aan beide kanten ondervonden, zodat ik niet anders kan dan naar de mate der gaven die God mij verleent, gedurig voor het volk te komen met hetgeen ik getast, gesmaakt en gevoeld heb; zodat de noodzakelijkheid mij is opgelegd, om een bevindelijke godsdienst te verdedigen. Loof de Heere mijn ziel, dat Hij u heeft willen onderwijzen in het ondervindelijke van Zijn waarheid en hoe zoet het is, als zij drupt als de regen en vloeit als de dauw!

De ziel die dit kent is een sprekend getuige, dat het niet is door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest, zegt de Heere der heirscharen. Zach. 4: 6. En dat het Koninkrijk Gods niet is gelegen in woorden maar in kracht. 1 Corinthe 4:20.

En zo ben ik hier te Trowbridge al voortgetobd, meer dan twee en twintig jaren, veelal in zwakheid, in vrees en in veel beven. En ik ben er van overtuigd, dat mijn rede en mijn prediking niet is geweest in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar God lof, het was de kracht Gods tot zaligheid voor vele dierbare zielen.

Spoedig brak de tijd aan, dat ik weer wat schulden moest afdoen en ofschoon mijn schuldeisers mij ongemoeid lieten en geen acht op mijn schulden gaven, ik zelf echter was er meer over bekommerd dan zij; want ik droeg de wetenschap om, dat mijn bezoldiging te dier tijd niet voldoende was, om mijn huur, belastingen, brandstof, kleren, schoolgelden mijner kinderen en mondbehoeften, kortom wat in een huisgezin nodig is, te dekken.

De tijd, was weer daar, dat ik naar Londen moest, om voor een maand een plaats te vervangen.

Een zware last nam ik met mij mee, want al mijn schulden staarden mij in het aangezicht en ongeloof deed mij aan de hand, dat ik deze nooit te boven zou komen en dat, hoewel de Heere menigmaal mij uitgeholpen had, Hij het nooit weer doen zou, want ik had Zijn barmhartigheden op zodanige wijze misbruikt, dat ik Hem geheel vermoeid had. O, wat zonk ik weg in twijfelmoedigheid en wat vreesde ik, dat het spoedig met mij gedaan zou zijn. Want hiervan was ik overtuigd, als God Zijn hand van mij afgetrokken had, dat het dan kwijt was. O, wat beefde ik toen ik te Londen kwam, uit vrees, dat de Heere mijn mond zou toesluiten en dat ik geen woord zou kunnen voortbrengen. Want dit was mij tweemaal in het openbaar op de preekstoel overkomen, dat ik genoodzaakt was voor het volk te gaan nederzitten en dit is voorwaar geen kleine doding voor het vlees, althans zo bevond ik het. Hierdoor was ik onderwezen geworden dat als God sluit, er niemand kan opendoen, en als Hij opent, er niemand kan sluiten.

O, welk een zegen heb ik menigmaal uit deze toesluitingen mogen ondervinden! God heeft ze wel honderd malen, mij ten goede beschikt, opdat ik als een klein kindeke aan Zijn dierbare voeten zou nederliggen en Zijn Majesteit eerbiedig smeken zou, dat Hij mij niet verlaten wilde. En hier heb ik mij genoopt gevonden om te roepen en elk ogenblik te smeken, dat de Heere geliefde te openen mijn ogen om te zien, mijn hart om op te merken en mijn mond om te spreken, en dat Hij de waarheid wilde brengen in de harten van het volk, opdat Hij mocht verheerlijkt worden.

Toen de Zondagmorgen aanbrak, had ik er een levendige indruk van, dat als de Heere Zich daar niet vertegenwoordigde, het niets dan een ledige klank zou zijn, die niet verder komen zou dan tot het oor. Maar lof zij Zijn Naam! Hij gaf mij een geopende deur, om de dingen voort te brengen, die ik geproefd, getast en ondervonden had van het woord des levens; en ik geloof, dat de Heere getuigenis gaf aan het Woord Zijner genade, dat mijn ternedergeslagen geest geheel verlevendigde en vertroostte. En mijn ziel werd bemoedigd om al haar last op Hem te werpen, Die beloofd had, dat Hij mij ondersteunen zou. Dit mocht ik doen met het zoet vertrouwen, dat Hij nog zorgen wilde en dat Hij mij tot eer van Zijn Naam door iedere ongelegenheid zou heenhelpen.

Maar kwam ik er toe mijn schulden te overzien en dat met een groot gezin en het waarschijnlijke, dat ik er al meer en meer in zou geraken, o, dan zonk ik vademen diep in één ogenblik.

Inzonderheid was dit het geval, als ik er over ging nadenken hoeveel tongen er wel losgekomen waren en Oost, West, Noord en Zuid van Trowbridge het had over wat voor een persoon ik toch wel zijn moest, die drie pond per week durfde nemen, die als een edelman leefde, terwijl vele arme leden nauwelijks te eten hadden. Ja, enigen stonden er van te kijken, hoe ik het aandurfde tegen de begeerlijkheid te prediken, daar ik zelf drie pond per week nam. Soms, als ik in de duisternis en in het ongeloof verkeerde, vond ik zulke redenen zeer hard; maar o, welk een zegen hebben deze arme schepselen mij door de goede hand van een Verbonds-God wel toe, gebracht; en o, de vele keren, dat dit het middel geweest is, om mijn ziel open te leggen voor de Doorzoeker des harten. Zeer dikwijls, als ik deze redeneringen ter ore kwam, ben ik wel op de knieën gevallen en heb mijn hart voor Hem opengelegd en Hem gesmeekt mij te doorzoeken en te beproeven, en het mij, indien ik daaraan schuldig stond, te tonen, want ik wist dat Hij was "een God der wetenschappen en dat Zijn daden zijn recht gedaan". 1 Sam. 2: 3.

Ook wist ik, ik had een goddeloos bedriegelijk hart, dat mij menigmaal bedrogen had; dus heeft mijn ziel wel uitgeroepen met David: "O, God, doorgrondt mij en kent mijn hart, mijn hart is naakt en geopend voor U; roof ik van Uw arme kinderen hun tijdelijke goederen? Ben ik een gierig mens? Bedrieg ik anderen en mijzelf? O, Heere, maak het mij bekend".

En wat een zoet en gezegend antwoord ontving ik uit deze woorden : "Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen. Geliefden (o, wat verheugde dat woord mijn ziel), geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God. En zo wat wij bidden ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren en doen hetgeen behagelijk is voor Hem". Joh. 3: 20, 21, 22.

O, wat voelde ik een vrede, liefde en blijdschap tot de God mijner goedertierenheden, uit mijn ganse hart kon ik nu bidden voor mijn vijanden, die op mijn hinken wachtend waren, dat God in tedere barmhartigheid, indien het Zijn wil was, hun ogen en harten wilde doen zien en gevoelen de liefde, barmhartigheid en genade van een God des Verbonds.

Arme schepselen! zij zijn het middel geweest om mij menig keer tot de Heere te doen gaan, met zuchten, gekerm en geween.

En de Heere heeft mij ontmoet in goedertierenheid en mij gegeven "sieraad voor as, vreugde-olie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwde geest", zodat ik bij slot van rekening geen oorzaak heb te klagen over hun harde woorden of boos op hen te zijn, want ik draag de overtuiging om, dat dit alles heeft meegewerkt mij ten goede. O, hoe kon mijn ziel met Hem pleiten, gelijk een man pleit met zijn vriend, dat Hij mij in mijn bezoek aan Londen nabij wilde zijn, opdat Zijn lieve kinderen geestelijke dingen mochten maaien en dat God het in hun harten schenken wilde mij van hun tijdelijke goederen mede te delen en ik naar huis mocht wederkeren met die tijdelijke weldaden, waaraan ik behoefte had. Ik had zulk een zoete en vrije toegang in het pleiten voor Zijn aangezicht, dat ik wegsmolt in verwondering, liefde en lofzegging; en belofte op belofte vloeide in mijn ziel met zulk een kracht en zoetigheid, dat ik niet twijfelen kon of God wilde al mijn beloften vervullen naar de rijkdom Zijner heerlijkheid door Christus Jezus. O, wat is het een barmhartigheid, dat arme, door de storm geslingerde, verdrukte kinderen van God een God hebben tot Wie zij de toevlucht kunnen nemen; een God, naar Wiens wil hemel, aarde, hel, engelen, mensen en duivelen zich schikken moeten! En wat had ik moeten aanvangen, als dit niet het geval geweest was? Ik weet het niet. De duivel trachtte met alle macht mij er telkens toe te krijgen mijn schulden te overzien en bracht mij voor ogen hoe onmogelijk het was, dat mij zoveel zou gegeven worden als nodig was om mijn verblijf te Trowbridge te kunnen bestendigen; maar de Heere versterkte mij door Zijn Geest naar de inwendige mens, zodat ik in staat werd gesteld op Hem te vertrouwen en om alles in Zijn hand over te laten.

En ik bevond mijn God zo waar als Zijn belofte. Want de Heere liet inderdaad Zijn leer druppen als de regen en Zijn rede vloeien als de dauw, zodat de harten van het volk geopend werden en hun beurzen ook. Het is mijn ervaring, dat de weg om iets te kunnen missen door het hart loopt; en als alle toevlucht mij ontviel, dan heeft mijn oog in mijn tegenspoeden gezien op Hem, Die de weg door het hart maken kan, want Hij zegt: "Het vee op duizend bergen is Mijne, en het goud en zilver is Mijne". Derhalve, als mijn ziel overmocht, dat Hij de harten dergenen die Hij veel gegeven had, wilde bewegen, om tot mijn behoefte mede te delen, wie kan daar iets tegen inbrengen?

Toen mijn bezoek aan Londen ten einde liep, werd mijn hart inderdaad verbroken bij het zien van de milddadigheid van liet volk, zelfs op de laatste avond, dat ik mijn afscheid van hen nam, overlaadden zij mij met geschenken. Even voor ik de consistorie verliet, nadat ik gepredikt had, kwam er iemand binnen, die mij de hand gaf en mij vroeg of ik, als ik thuis kwam, nog schrijven moest aan Ds. Gadsby.

Ik zei hem, dat ik dit van plan was.

"Wel", hernam hij, "ik ben hem nog vijf pond schuldig voor boeken; kunt gij het geld voor mij aan hem toezenden?"

Ik zei hem, dit te willen doen, indien hij het wenste.

Toen zei hij : "Hier is tien pond en zeg hem, dat mijnheer N. de vijf pond gestuurd heeft, die hij hem voor de boeken, die hij van hem gehad heeft, schuldig was; en (voegde hij er aan toe) neem dan de andere vijf pond voor uzelf".

O, wat een glans van heerlijkheid scheen er in mijn ziel van een gebedsverhorend, wonderdoend en beloftehoudend God! En wat loofde, dankte en prees ik Zijn Naam in die avondstond.

Toen ik in mijn slaapkamer gekomen was, telde ik mijn geld op en bevond, dat ik voldoende had, om de oude wagen weer uit de sloot te helpen. O, ik viel op mijn knieën met het geld voor mij en loofde, prees en dankte mijn God zoveel ik vermocht.

David en de ganse gemeente Israëls konden niet meer verblijd zijn toen zij uitriepen "Geloofd zijt Gij, Heere God onzes vaders Israëls, van eeuwigheid tot in eeuwigheid! Uwer, o Heere, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want alles wat in de hemel en op de aarde is, is Uwe; Uwe, o Heere, is het Koninkrijk en Gij hebt U verhoogd tot een hoofd boven alles. En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken. Nu dan, onze God, wij danken U en loven de naam Uwer heerlijkheid. Want wie ben ik en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U en wij geven het U uit Uw hand. Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders, onze dagen op aarde zijn als een schaduw en daar is geen verwachting". 1 Kron. 29 :10 -15.

O, wat verheugde zich mijn ziel. Ik had niemand nodig om mij te zeggen, dat het mijn plicht was, om God te beminnen, te prijzen en te gehoorzamen, want ik ondervond het, dat God te beminnen, te loven, te aanbidden, te gehoorzamen, te dienen en te behagen mijn spijs en drank was; en daar tegenover achteloos, zorgeloos en onverschillig te zijn, mijn smart en droefheid. Ik ben er een sprekend getuige van, dat de goedertierenheid van God de mens tot bekering leidt, wat ook sommige belijders van de godsdienst daarvan mogen zeggen. O, wat zag ik uit naar die stonde, dat ik mijn vrouw zou kunnen mededelen wat de Heere voor ons gedaan had! Had ik vleugels als een duif gehad, ik zou daar spoedig heengevlogen zijn. En wat hadden wij een zoete tijd, toen ik thuis kwam, in het beschouwen van de goede hand Gods, die voor mij uitgegaan was en ons zo rijkelijk voorzien had van de dingen, die wij zo zeer behoefden. Waarlijk, het was een tijd van verootmoediging, beter te ondervinden, dan het kan worden uitgedrukt.

Het duurde niet lang of ik begon de buit te verdelen onder degenen die hem toekwamen en dit was juist op tijd, want ik dacht, dat enige schuldeisers een beetje ongeduldig werden. Het beantwoordde aan zijn oogmerk, zodat ik wonderbaarlijk weer rechtop kon gaan. O, wat kon mijn ziel bidden, om het puik der zegeningen, dat zij rusten mochten op het hoofd van die waarde zielen te Londen, die geestelijke dingen door zulk een worm als ik ontvangen hadden en die zo milddadig van hun tijdelijke goederen hadden medegedeeld. Aan hen te denken was mijn ziel dierbaar, want zij waren in de hand Gods het middel, dat ik te Trowbridge bleef. Hoe ook sommige lieden over mijn groot inkomen ooit mogen denken of spreken, God weet, dat ik de waarheid zeg. O, wat heb ik het veel malen een barmhartigheid bevonden, te kunnen gaan tot een God, Die het verborgene des harten kent en die rechtvaardig oordelen zal! En hoe menig keer heb ik het wel bewonderd, dat sommige leraren, die vrij wat groter inkomen, hadden dan ik en niet half zo'n groot gezin, hierover niet werden lastig gevallen. Doch ik bemerkte, dat het niet zozeer ging over het inkomen, maar over de waarheid, die ik predikte, in haar eigen oorspronkelijke eenvoudigheid, zonder wijsheid van woorden van mensenvinding en omdat ik deze niet verkrachten wilde naar de smaak van hoogmoedige belijders, voor wie zij was een reuk des doods ten dode. Dit verbitterde hen zeer en daar zij de waarheid van God, die Hij mij prediken deed, niet konden ter neder werpen, lasterden zij over mijn groot inkomen. Maar God zij geloofd, Hij wist wat ik nodig had, beter dan zij; en Hij kende al mijn noden en behoeften. En gedankt zij Zijn dierbare Naam, ik heb nog nooit één behoefte gehad, hetzij naar lichaam of naar de ziel, die Hij niet heeft vervuld op Zijn eigen tijd, en ik geloof, dat Hij zulks ten einde toe zal willen doen.

De volgende beproeving, die mij te binnen komt, was inderdaad een zeer scherpe, namelijk een afscheiding van de kerk door sommigen onzer leden. Doch God zij geloofd, het einde daarvan was beter dan zijn begin, want alles kwam goed uit en naderhand hebben wij God talloze malen daarvoor moeten danken.

Hoe waar is het woord van God: "Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn". Amos 3:13. En wederom: "Een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, valt". Luc. 11 : 17.

Jaren achtereen deden wij niets dan lappen en herstellen, doch het was van weinig nut, ja diende nergens toe, dan om de breuk des te wijder te maken. Nog niet lang was ik te Trowbridge, of ik bemerkte, dat er enigen in onze gemeenschap waren, die het met de anderen over enige punten niet best konden vinden, ofschoon zij weliswaar ook beleden mij als een dienaar van God te ontvangen, ja velen van hen dankten zelfs God in het openbaar, dat Hij mij te Trowbridge gezonden had. Maar inderdaad geloof ik, dat er onder die juist waren, die God met meer vrijheid zouden gedankt hebben, als het Zijn wil geweest was mij uit Trowbridge te doen vertrekken. Het woord van God blijft altijd waar: "Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen". Matth. 7 :20.

"Als zij mij enige keren gehoord hadden", zo zeiden zij, "hadden zij alles gehoord wat ik kon voortbrengen". Zij zeiden er ook van overtuigd te zijn, dat mijn prediking nooit een vergadering in stand houden zou, zodanig, dat het onderhoud van mijn kostbaar gezin geen bezwaar opleverde. Ik geloofde, dat zij wensten en vurig begeerden, dat dit het geval mocht zijn. Doch welk een voorstelling ook in de harten der mensen zijn moge, niettemin zal de Raad des Heeren bestaan. Zijn vast bepaald oogmerk was mij te Trowbridge te brengen, recht tegenover al mijn vleselijke begeerten. En het bewijs is er, dat Zijn vast besluit is geweest mij aldaar te houden, want nu ben ik al vier en twintig jaren op deze plaats en dat niettegenstaande mijn ellendig ongeloof en de boosheid van velen, die gedurig hebben uitgezien naar mijn vertrek.

Het verwonderde mij niet zozeer, dat enigen een groot gebrek in mijn prediking bespeurden, meer verwondering gaf het mij dat niet allen dit bemerkten, want ik zelf bemerkte, ondervond en betreurde dit en ik ben er van overtuigd, dat nooit iemand mij voor zo'n onkundige kon of kan aanzien, als ik mijzelf zie. O, hoe menigmaal ben ik naar de kapel gegaan, dat de duivel de gehele weg over brulde: .

"Gij dwaas, de mensen zullen u door en door bezien, want gij gaat op met dezelfde stof als gij verleden Zondag gepredikt hebt". En dit was het, wat sommigen van die lieden zeiden: "Hij komt met een nieuwe tekst, maar wij hebben telkens weer dezelfde zaken". En dit was werkelijk de volle waarheid, want laat de tekst zijn die hij zij, ik moest toch op hetzelfde punt of wel niet ver daar vandaan terecht komen, namelijk: trachten aan te tonen de verloren, erbarmelijke staat en het totale onvermogen van de mens, hetzij vrome of goddeloze. Daar tegenover moest ik verhogen de vrije, souvereine, verkiezende en onderscheidende genade in de Heilige drieëenheid, geopenbaard in het zaligen van de uitverkorene die daarvan getuigenis ontvangt in zijn hart, door de onderwijzing van de Heilige Geest. Verder, dat dit werk zijn vruchten draagt en openbaart in handel en wandel tot versiering van de leer van God onze Zaligmaker.

Ja, dat het aan allen, die rondom ons zijn, getuigenis geeft, dat "de genade Gods ons onderwijst, dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld". Titus 2 : 12.

Dit is geweest de inhoud van mijn prediken sedert mijn mond is geopend geworden en zeer waarschijnlijk zal dit zo blijven, zolang de Heere mij vergunt in Zijn Naam te spreken.

Op zekere morgen kon ik mij niet van lachen weerhouden. Een van onze leden kwam bij ons aan huis en nadat wij een weinig met elkaar gesproken hadden, zei hij mij, dat hij gekomen was om zijn hart eens te ontlasten en beoogde daarin oprecht te zijn. Gedurende een zeer lange tijd, zei hij, verkeerde hij in een zeer verwarde en donkere toestand en hoe meer hij de kapel bezocht, hoe harder er duisterder hij werd. Het kwam hem en meer anderen voor, dat mijn prediking niets was dan koekoek één gezang, zodat men er tenslotte van moest walgen.

Ik zei hem, dat ik al dikwijls van mij zelf gewalgd had, maar wat kon ik er aan doen?

Voorts zei ik, dat ik gaarne nieuwe dingen zou voortbrengen, als ik maar kon en voegde er aan toe, dat als hij mij de weg aanwijzen kon om de mening van sommige duistere gedeelten van de Schrift te leren verstaan, ik er zeer blij mee zou zijn, want ik was zeer onkundig. Hij geraakte geheel uit zijn humeur en zei, dat ik trachten moest uit de gelijkenissen te spreken en voor het volk te komen met nieuwe dingen., opdat het maar niet altijd hetzelfde zou zijn van het begin van het jaar tot aan het einde. Ook zei hij, dat het zo nooit lang stand houden kon, want hij was overtuigd, dat men het niet zou willen verdragen.

O, wat viel de duivel op mij aan toen hij liet huis verliet! Hij stelde mij voor ogen, dat mijn tijd te Trowbridge nu kort zijn zou, dat het volk bijna uitgeput was, dat mijn prediken niets te beduiden had, "want dienaren van God", zei hij, "voeden het volk met de wetenschap en verstand, maar uw prediking vult ze op met niets dan duisternis en verwarring. Kijk eens op uw huisgezin en de omstandigheid waarin gij verkeert en wat zal dan het einde daarvan zijn anders dan schande?"

Ik trachtte daarop in de gelijkenissen in te dringen en besloot dat ik zou bidden, lezen en mediteren, opdat ik iets nieuws voor het volk zou kunnen voortbrengen en ze voeden met wetenschap en verstand.

En ik begon te lezen en te bidden en trachtte te mediteren, doch niets kon vat op mij krijgen en ik kon niets bespeuren dan menigten van duivelse dingen in mijn hart. Maar wat de Bijbel aangaat, hoe meer ik om licht bad en hoe meer ik er in las, hoe donkerder hij mij toescheen, zodat ten slotte de gehele Bijbel van het begin tot aan liet einde een verzegeld boek voor mij was en wat mijn inzien betreft, had ik niet meer begrip van de waarheid in de Schriften dan een beest.

O, wat riep mijn ziel uit :"Heere, ik ben een beest voor U! Kan het mogelijk zijn, dat Gij mij als de Uwe wilt erkennen en zegenen, zulk een draak, zulk een uil, zulk een volkomen dwaas, zulk een kind in kennis en zulk een oude schelm in de zonde?

O, wat zal ik beginnen, de Zondagmorgen op komst en geen tekst, geen kennis? O, kan het mogelijk zijn, dat ik voor het volk durf verschijnen? Hoe kan ik opgaan, zo'n arm, wanstaltig wezen, die het volk zo lang reeds tot een last is en nu Zaterdagavond en er nog erger aan toe dan ooit? Wat zal ik aanvangen, waarheen mij wenden? O, het gekerm en de diepe verzuchtingen die van de bodem mijns harten opstegen! En o, hoe klonk het dan door mijn ziel: "Het volk verwacht dat gij zult komen met iets nieuws en degelijks, dat hen voeden kan met wetenschap en verstand; maar inplaats daarvan hebt gij niet met al, de Bijbel is geheel een verzegeld boek voor u; God heeft u verlaten en het haalt niets uit voor u, als gij weer ooit zoudt trachten uw mond te openen om te prediken".

Maar laat des Zaterdagsnachts, als mijn arme ziel, naar het mij voorkwam in zwarte wanhoop ternederzonk zonder één straaltje hoop, kwamen deze woorden van de Koning der koningen en Heere der heren, van Hem, Die het bevel heeft over engelen, mensen en duivelen: "Ik zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben; Ik zal ze doen treden door de paden die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor haar aangezicht ten lichte maken en het kromme tot recht; deze dingen zal ik haar doen en ik zal ze niet verlaten". Jes. 42 : 16.

Ik wist dat ze van Hem kwamen, door de kracht die er mede gepaard ging: "Want waar de stem des Konings is, daar is heerschappij". Pred. 8:4.

En welk een gepastheid naar mijn toestand, en welk een zoetigheid, moed, vertrouwen, verootmoediging brachten ze in mijn ziel te weeg. Uit de grond mijns harten riep ik uit : "Heere, het is genoeg, het is genoeg. Als Gij zulk een blind schepsel wilt leiden, als Gij de duisternis voor mijn aangezicht ten licht wilt maken, en het kromme tot recht en mij nooit verlaten, wat kan ik meer behoeven, meer wensen of meer willen hebben? Gij zijt mijn deel, mijn leven, mijn licht, mijn al in al".

Looft Zijn dierbare Naam! Als Hij komt en Zijn dierbare persoon, Zijn liefde, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en kracht en heerlijkheid aan ons openbaart, als de God van onze zaligheid, wat kan dan ontmoedigen? Dan is de rechtvaardige zo moedig als een jonge leeuw. Het is van weinig belang wie ons scheef aanziet, als God ons toelacht, eveneens doet het weinig ter zake welke tong er tegen ons opstaat; als de dierbare Zaligmaker van Vrede spreekt, wie kan beroeren?

En zo heb ik ook ondervonden.

De volgende morgen ging ik naar de kapel, terwijl mijn ziel de Heere als een kind aanhing en zich op Hem verliet dat Hij de duisternis voor mijn aangezicht tot licht maken zou, en mij doen verkondigen wat Hij mij in de binnenkamer geleerd had. En geloofd zij de Heere, Hij onderwees mij om vele arme, hulpbehoevende, twijfelmoedige, blinde schepselen op te sporen, die juist verkeerden in de toestand waarin ik geweest was en zij kwamen als wormen uit hun holen te voorschijn en betoonden zich nu mannen te zijn. O! hoe zoet werd deze dierbare tekst voor mijn ziel ontsloten en wat een heerlijkheid, zoetheid en vrede vloeide daaruit in mijn hart "En hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot Uw vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid deszelven lijdens, hetwelk wij ook lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het is tot Uw vertroosting en zaligheid. En onze hoop van U is vast als die weten dat gelijk Gij gemeenschap hebt aan het lijden, Gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting". 2 Cor. 1 : 6, 7.

O, wat bad ik in mijn hart tot God voor mijn vriend, die mij gezegd had, dat ik moest trachten te spreken uit de gelijkenissen; want ofschoon hij niet tot mij gekomen was in een vriendschappelijke weg, toch deed de Heere het mij ten nutte gedijen. Hij immers was het middel in des Heeren hand om mij te doen verstaan, dat de Bijbel, geheel en al, een raadsel was voor vlees en bloed en dat niemand een tekst geestelijk kan verstaan, dan alleen als de Geest het openbaart. "Want wie van de mensen weet hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen die in hem is? Alzo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest die uit God is; opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn. Dewelke wij ook spreken, niet met woorden die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegend. Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden". 1 Cor. 2: 11 -14.

Looft onze God! Hij is Zijn eigen uitlegger, en Hij wil het openbaren. Ik heb die lieve man sindsdien menig keer gezegend, dat hij bij mij gekomen is en mij gezegd heeft dat ik behoorde uit de gelijkenissen te spreken; want wel honderdmaal ben ik er toe gebracht, met de discipelen te vragen: "Heere, verklaar ons deze gelijkenis"; en ik geloof, dat alle discipelen van onze Heere Jezus Christus bevindelijk van God onderwezen worden, dat zij volkomen dwaas zijn, en wel in het bijzonder Gods uitgezonden dienstknechten, die Hij als de Zijnen erkent en die Hij zegent in het werk der bediening. Deze houdt Hij voortdurend onder het gevoelig besef dat zij noch, wijsheid, licht, leven, liefde, geloof, gebed, ijver, nederigheid, noch ook bruikbaarheid hebben, noch enig goeds, dan voorzover God dit geeft en mededeelt aan hun harten. En zij weten ook wel door zielservaring, dat "alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven (ja mijn ziel weet dat het van boven komt), van de Vader der lichten afkomende, bij welke geen verandering is of schaduw van omkering". Jac. 1 : 17.

Ja de gezonden dienstknechten des Heeren weten het dat alle weldadigheid van een Verbonds -God, vrije giften zijn, en van boven komen, wanneer het Hem behaagt, zoals het Hem behaagt en waar het Hem behaagt.

Zij ook weten wel, wat het zeggen wil, "wijsheid te ontbreken" en "het van God te begeren", met veel zuchtingen, roepingen en tranen en dit veelal vergezeld met veel wanhopige, vurige pijlen van de duivel, die hen doet waggelen als een dronken man. Veel malen zijn zij ten einde raad, ja weten niet wat te doen, zodat zij met David moeten uitroepen : "Ik hef mijn ogen op naar de bergen,vanwaar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van de Heere, Die hemel en aarde gemaakt heeft". Psalm 121 :1, 2.

Het is voor hen van geen nut te lopen tot doctor Gill, doctor Doddridge, doctor Goodwin, doctor Hawker of doctor Huntington; zij moeten komen tot de onfeilbare Doctor Jezus; want Hij draagt de sleutelen der kennis en des verstands, Hij opent en niemand sluit en Hij sluit en niemand opent. Hij kan de schuldige conscientie reinigen en in een ogenblik doen verstommen alle vervloekte aanklachten van de duivel, die de ziele doen terneder zinken. Hij verandert de nacht in de dag, zuchtingen in lofgezangen, een stinkenden kerker in een paleis, ledigheid in volheid, vloeken in zegeningen, zwakheid in kracht, ziekte in gezondheid, dood in leven en het vonnis der veroordeling in zaligheid.

O, dierbare Jezus! dierbare Jezus! tot wie zullen wij heengaan, anders dan tot U? Gij en Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens.

De Heere kent mijn hart, dat ik geen smaadheid leggen wil op de geschriften en werken van de mannen Gods, die nu in de heerlijkheid zijn, noch op die dergenen, die op weg zijn naar de heerlijkheid en de waarheid van God met hun pennen verdedigen. Ik geloof, dat God ze gezegend heeft, nog zegent en wil blijven zegenen ten nutte van Zijn duurgekochte kerk en dat tot het eind der eeuwen toe. En het is mijn zielsverzuchting, dat God nog vele mannen moge verwekken, bekwaam om Zijn waarheid te verdedigen, in deze dagen van een ledige belijdenis. Mannen, die onderscheid kennen tussen vorm en wezen, tussen letter en geest, tussen een ledige en een waarachtige belijdenis, tussen de zuivere tale Zions en het praten der

geveinsden. O, dat het de Heere behaagde veel zulke mannen uit te stoten!

Mij aangaande evenwel, ik moet getuigen van wat ik in mijn eigen ziel ondervonden heb en ik geloof met waarheid te kunnen zeggen, dat ik uit de werken van anderen nooit iets heb kunnen ophalen, dat voor mij van enig nut geweest is op de predikstoel. En ofschoon ik ze erkend en bemind heb en hun geschriften mijn ziel persoonlijk veel goeds gedaan hebben, zo waren deze mij toch voor de preekstoel evenals had ik er nooit één woord van gelezen. Wat een onderscheid is er tussen vele der tegenwoordige leraren in hun prediken en mijn hinkende wijze van prediken! Ik kan een andermans briefje niet op de predikstoel brengen, want ik kan er geen weg mee, maar ik geloof, dat er in deze tijd honderden leraren zijn, die belijden dienaren van God te zijn en die toch een ellendig figuur maken zouden, als zij de werken van anderen niet ter hunner beschikking hadden. En ik vrees zeer, dat het hun meer boeken papier gekost heeft om hun redevoeringen uit te schrijven, hun verdelingen en onderverde1ingen en toepassingen klaar te maken, dan het hen ooit uurtjes gekost heeft in geween en smekingen tot God in het verborgen, of Hij het hen in het openbaar vergelden wilde. Mij dunkt, er is één tekst, die velen van de heren van de toga mogen voegen aan het einde van iedere volzin van hun redevoeringen, hetzij dit betreft, leerstellingen, ondervinding of praktijk, namelijk: "Ach mijn heer, want het was geleend". 2 Kon. 6 : 5.

En God weet toch, ik heb niet één steen om op hen te werpen, want als Hij in Zijn voorzienigheid de weg had willen openen, nu een vijf en twintig jaren geleden, dat ik de "verklaring van Dr. Gill" had kunnen kopen, ik dit niet zou hebben nagelaten; maar ik was zo arm, dat ik ze niet krijgen kon. O, wat heb ik er wel naar verlangd. Ik herinner mij nog hoe op die tijd een bijzondere vriend mij hierin gepast tegenkwam.

Hetgeen hij zei, trof mij als een slag, die mij geheel ter neder velde in het haken naar dodemans-hersenen. Ik vroeg hem mij een gunst te willen bewijzen.

"En dat is?" vroeg hij.

"Wel", antwoordde ik, "ik heb al enige tijd een grote begeerte om de "verklaring van de Bijbel van Dr. Gill" te kopen, en als u nu zo vriendelijk zoudt willen zijn mij een handje te helpen, zal ik u dankbaar zijn".

Ik twijfelde in 't geheel niet, of hij zou dit zeker doen.

Maar zijn antwoord was: "Neen, ik wil u voor zoiets geen duit geven. Als ik behoefte had aan Dr. Gill, zou ik hem voor mijzelf kopen en niet voor u, om er op de preekstoel mee te pronken. Ga naar uw Heere en Meester; Hij kan u onderwijzen, beter dan alle doctors in de wereld".

O, wat een tijdige berisping was dit voor mijn ziel. Ik dankte er hem van harte voor en ik ging in mijn binnenkamer en sloot de deur achter mij toe en daar bad ik mijn hemelse Vader, dat Hij mij onderrichten en leren wilde en dat het Hem behagen mocht mij te verlossen van dat vurig begeren van een andermans werken. Want ik zag, dat dit ontsproot uit de hoogmoed van mijn hart en dat de drijfveer was inlichtingen en kennis te verkrijgen uit anderen, opdat ik in mijn bediening meer en groter schijnen zou in de ogen der mensen, niet in het oog van God. Ik weende voor Zijn aangezicht en beleed mijn dwaasheid, mijn hoogmoed en mijn laaghartigheid en smeekte Hem, dat Hij mij als een kind aan Zijn voeten houden wilde, om door Hem geleerd en onderwezen te worden. Ik heb dus niet één steen om op iemand te werpen, hier op aarde, neen, zelfs niet op een duivel in de hel; door de genade Gods ben ik, wat ik ben.

Maar om weder te keren. Ik bevond, dat de oude zuurdeeg, onder enigen in de kerk nog voortwerkte en gistte. Onder die namelijk, die uit de bediening geen vrucht voor zichzelven trokken en deze trachtten met alle mogelijke sluwheid de harten dergenen, die er werkelijk vrucht uit ontvingen, met vooroordeel te vervullen. Ontmoetten zij toevallig de een of andere arme ziel, die in vrijheid gesteld was geworden en wiens tong was losgemaakt om de verlossende liefde en het verzoenend bloed te prijzen en groot te maken, die ook niet anders kon als goed spreken van het instrument, dat daartoe gediend had, dan kwamen zij hier tegenop.

Hun zaak was, dat instrument in een verkeerd daglicht te stellen.

Het antwoord, dat ze dan aan zulke eenvoudige mensen, die hun ganse hart tegen hun uitlieten, omdat deze dachten oprechte vrienden van mij voor te hebben, gaven, was : "Ja, de leraar is een goed man en predikt de waarheid, maar hij heeft vele dingen, die zelfs zijn beste vrienden smarten. Wat denkt gij wel", zeiden ze, "van iemand die drie pond per week durft te nemen voor het prediken, terwijl sommigen van de kerk en de vergadering nauwelijks eten hebben?"

Arme schepselen! deze drie pond per week zat hen zo verkeerd in de keel, dat zij het niet konden verwerken.

Ontmoetten zij enige arme zielen, die in de duisternis wandelden en opgesloten waren in gevangenschap en die tot het huis des Heeren opgingen als een deur op haar hengselen, dan vroegen zij : "Wel, hoe gaat het met u?"

"O, ik ben ellendig, ik hoor geen enkel woordje tot mijn vertroosting; de Heere heeft Zijn aangezicht voor mij verborgen en ik vrees, dat Hij nooit weer verschijnen zal".

Ja", was dan hun antwoord, "waarde vriend, de zaken staan er naar bij voor ons als kerk; er zijn een aantal leden, die in een zeer geesteloze toestand verkeren; velen ook vrezen, dat het niet mogelijk zijn zal de zaak drijvend te houden. En welke waarschijnlijkheid is daar ook voor, als men let op de zware schulden die op de kapel rusten en dan drie pond per week te moeten opbrengen om de leraar als een edelman te onderhouden?"

Zo werkte die zuurdeeg van jaar tot jaar voort, tot eindelijk de tijd aanbrak, dat het geheel rijp was voor een scheiding, die ik al verscheidene jaren te voren vast geloofde te zullen komen. Wij hadden altijd tot op die tijd toe de gewoonte gehad buiten de kerk te dopen. Het geschiedde echter, dat de persoon, die zeggenschap had over de plaats aan de rivier die door de stad stroomde en waar ik en ook andere doopsgezinden doopten, bezwaar ging inbrengen dat ik daar doopte. Dit bezwaar grondde zich hierop, dat ik iemand was van zulk een bittere geest, die in mijn prediken iedereen afhakte en afsneed, uitgezonderd enige armzalige en nauw bekrompen schepselen, die net waren als ik zelf. Hij was dus besloten, mij niet meer toe te laten daar te dopen.

Een van onze diakenen ging toen de stad rond, ten einde een geschikte plaats om te kunnen dopen te ontdekken, doch hij kon er geen vinden. Hij stelde toen voor een vergadering van leden der kerk te beleggen, waarbij ik zelf tegenwoordig zou zijn. In die vergadering deed hij een voorstel een doopgelegenheid in de kapel te maken. Met dit voorstel kon ik mij geheel verenigen en ook de meerderheid van de vergadering was er voor. De minderheid verzette zich heftig hiertegen en het scheen, dat zij niet voornemens waren zich bij het besluit der meerderheid neer te leggen.

Ik gaf daar echter geen acht op, want ik droeg de overtuiging om, dat wij deden wat recht was in de ogen des Heeren; daarom keerden wij ons noch ter rechter- noch ter linkerhand, maar gingen recht door, niet achtend of zij ons goed of scheef aanzagen.

Wij kregen al spoedig de doopgelegenheid klaar en ik doopte er in. Enigen noemden mij een paus, enigen een tiran, anderen konden het niet vatten hoe ik nog rustig op mijn bed slapen kon. Daarbij kwam er brief op brief, allen ongetekend, die de zwaarste oordelen over mij uitspraken en waarin de bewondering was uitgedrukt, wat voor soort van geweten ik toch wel hebben kon, die zo menige godvrezende ziel uit de kerk bande, omdat zij zich niet konden schikken naar mijn pauselijk gebod.

Dit alles had echter geen invloed op mij, want ik ging recht door, overeenkomstig hun eigen regel, vervat in het kerkboek. Deze regel bestond reeds eer ik de bediening onder hen aanvaardde en luidde aldus : "Als er enig geschil ontstaat of verschil van opvatting, dan zal in zodanig geval de meerderheid beslissen en de minderheid heeft zich daaraan te onderwerpen". Dit geval was dus voorhanden en ik stond sterk door hun eigen verordening, die reeds in het kerkboek stond vóór ik nog hun leraar was. Twist op twist was hier het gevolg van, hoewel weldra de leiders der tegenpartij hun bezwaar tegen de doopgelegenheid in de kerk lieten vallen, maar zij wilden niet antwoorden op het afroepen van hun namen na de bediening van het Avondmaal. Enige tijd geleden was dit met algemene stemmen aangenomen, dienende om te kunnen nagaan wie er wel en wie er niet tegenwoordig waren. Maar de grote meerderheid der leden van de kerk kwam tot het besluit, dat leden, die niet akkoord gingen met de verordening zo deze in het kerkboek stond en bijgevolg deze niet wilden ondertekenen, voor de tijd van zes maanden zouden worden geschorst. En wanneer zij zich, als die tijd verstreken was, niet hadden willen onderwerpen aan het besluit der meerderheid, zouden zij als leden van de kerk worden geschrapt. Nadat de zes maanden verlopen waren, werden er, naar ik mij herinner, een dertig personen op deze wijze afgescheiden. Spoedig daarna gingen zij op zichzelf en voorzagen zich van een plaats, waarin zij hun godsdienstoefeningen hielden.

Dit voorval gaf echter een hele knak aan de zaak, omdat zij de zitplaatsen van zichzelf en hun huisgenoten opzegden. Wij hadden op die tijd, als ik mij goed herinner, tussen de zeven- en achthonderd pond schuld op de kapel; daarbij was het niet zo'n beste tijd in de handel, veel onverhuurde zitplaatsen, kortom, niets dan donkerheid van rondom. Nu en dan, als God mij overliet aan ongeloof en vleselijke redenering, was ik zeer terneergeslagen en vreesde somtijds wel, dat het volstrekt onmogelijk voor ons was de zaak staande te houden.

O, wat worstelde ik met God, dat Hij het voor ons wilde voorzien, en geloofd zij Zijn Naam, Hij deed mij veel dierbare beloften toekomen, die mijn ziel onder dit alles ondersteunden. Ja, Hij gaf mij menige zoete openbaring, dat Hij mij door alles heen helpen zou, tot eer en verheerlijking van Zijn Naam en ten goede van ons als kerk.

Ik was er sterk van overtuigd, dat dit ook zo zijn zou, zo zeker als ik overtuigd was van mijn eigen bestaan. En geloofd zij de Heere, ik heb deze weldaad mogen beleven en onze grootste tegenstanders zijn gedwongen geweest te zeggen : "De Heere heeft grote dingen voor hen gedaan". Ik geloof, dat het zowat een maand of zes was, nadat deze mensen waren afgescheiden, dat onze diakenen een vergadering belegden van enige leden, waarbij ook ik tegenwoordig was, om eens te onderzoeken wat er gedaan moest worden. De diakenen zeiden, dat het er met de kerk slecht bij stond en hoe de zaak op de been moest worden gehouden, wisten zij niet. Tevens vroegen zij mij, welke stappen er zouden kunnen worden gedaan, om het geld terug te betalen, dat nog schuldig was buiten de zevenhonderd pond op interest.

Ik zei hun, dat er slechts twee wegen openstonden om dit doel te bereiken en wel deze : de ene was zich te voorzien van een goedkoper leraar en de andere, als hiertegen bezwaar was, dat leraar en leden zich zouden verbinden tot een wekelijkse bijdrage om het tekort te dekken.

Van een minder bezoldigd leraar wilden ze geen van allen weten.

Toen zei ik, dat ik mij één gevoelde met hen allen en bereid was zoveel bij te dragen als diegenen, die het meest bijdroegen en dat ik met hen drijven of zinken wilde. "Maar", voegde ik er aan toe, om hen te doen weten, dat ik niet terugdeinsde een deel van de last te dragen, ofschoon ik tot over de oren in de schuld zat, "ik zal het dubbele geven van hetgeen iemand van u wekelijks zal willen bijdragen".

Allen gaven toe, dat dit een mooi aanbod was en zij waren er zeer tevreden over. Ik geloof, dat er vier personen waren, die twee schellingen per week zouden bijdragen en ik beloofde toen van mijn zijde vier schellingen wekelijks te geven.

Dit besluit deelden wij mede aan de leden der kerk en aan de gemeente en zij volgden ons blijmoedig en gaven milddadig naar hun vermogen. Twee jaren achtereen zetten wij deze bijdrage voort en betaalden het achterstallige af, uitgezonderd het bedrag dat wij op interest hadden. Maar als bij tijden vlees en bloed de overhand had, wat zaten wij dan in de put, zodat wij onszelf menigmaal afvroegen hoe het mogelijk zijn kon de zaak gaande te houden. Als ongeloof en vleselijke redenering hoogtij vierden, scheen alles tegenover ons gewapend. Maar wij werden geholpen, om als één man krachtig tot God te roepen, tot Hem, Die toch Koning en Meester is over engelen, mensen en duivelen, of het Hem behaagde Zich in gunst tot ons uit te laten.

En lof zij Zijn Naam! Hij heeft nooit en zal nooit verachten het gebed dergenen, die gans ontbloot zijn, maar Hij zal acht geven op hun geroep. O, wat een zoete getuigenissen gaf mij God in het midden van het vuur en het water waar wij doorheen moesten, dat wij komen zouden in een overvloeiende verversing, dat niemand mij zou aangrijpen om mij kwaad te doen; dat Hij mijn voor- en achtertocht wilde zijn; dat alle instrument tegen mij bereid niet zou gelukken en dat ik alle tong, die in het gericht tegen mij opstond, zou verdoemen. Hij gaf mij de verzekering, dat de arme worm de bergen dorsen en vermalen en de heuvelen stellen zou als kaf, ja dat de wind ze wegnemen zou; dat Hij de blinden leiden zou door een weg die zij niet kenden en door paden, die ze niet geweten hadden; dat Hij de duisternis voor hen ten lichte maken zou en het kromme tot recht en dat Hij dit doen wilde en hen niet verlaten.

O, gezegende, dierbare beloften! Hoe zoet en goed zijn ze wanneer zij ons worden toegezonden in zulke ogenblikken als ons de moed ontzinkt. Dan eet de ziel ze door het geloof als haar voortreffelijkst voedsel.

Mijn ziel kon met waarheid uitroepen: "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten; en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten". Jerem. 15 : 16.

Zodanig was het zoet vertrouwen mijner ziel onder de kostelijke dauw die uit de gezegende beloften in mijn hart nederdaalde, dat ik Hem loofde, dankte en aanbad voor Zijn goedertierenheden en teed're barmhartigheden, die Hij mij tot op dit ogenblik bewezen had, onder al hetgeen mij overkomen was. Ja mijn ziel kon Hem dank zeggen voor de scherpe beproevingen en verdrukkingen, die ons als kerk overkomen waren; want ik zag er een noodzakelijkheid voor dit alles in. Ik was ook overtuigd dat het ten goede medewerkte voor de toekomstige vrede en voorspoed voor ons als kerk en ter verheerlijking van onze wonderdoende God en Zaligmaker.

O, hoe gemakkelijk kon mijn ziel afleggen alle kwaadheid, en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen. En als een nieuw geboren kindeke zeer begerig zijn naar de redelijk e onvervalste melk van 't Woord, opdat ik door dezelve mocht opwassen. Gesmaakt hebbende dat de Heere goedertieren is. Tot welke ik kwam als tot een levende steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar. 1 Petr. 2: 1 - 4.

O, zoet smaken, dierbaar komen, als hoogmoed, gramschap, toorn en kwaadheid worden afgelegd! O, wat een zegen is de vrede Gods.

Het is de zegen, die alle verstand te boven gaat en harten en zinnen bewaart in Christus Jezus. Phil. 4 : 7. "Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest. Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk en aangenaam den mensen". Rom. 14 : 17, 18. De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap en vrede; en als God vrede geeft, wie kan dan beroeren?

En dit heb ik ondervonden de waarheid te zijn, in mijn eigen ziel. De Heere was met mij in de bediening en opende mijn mond om op de daken te verkondigen wat Hij mijn arme ziel zoetelijk in het verborgen geleerd had; zodat we weer spoedig een aanwas kregen, beide van leden der kerk en van de gemeente.

Menig lief schaap ook dat van de kudde was afgedwaald, kwam terug kruipen. Arme schepselen! Zij waren half dood van de honger en weer hartelijk verblijd enige kruimkens te mogen oppikken. Zij hadden geen zweep of geseling van mij nodig, want ik geloof dat ze die hadden in hun eigen consciëntie. Derhalve liet ik berispingen achterwege, want zij hadden er genoeg van. De Heere ging voort getuigenis te geven aan het Woord Zijner genade, Zondag op Zondag, zodat wij meer volk hadden in de kerk en in de gemeente dan wij vroeger gehad hadden. En wat de grootste zegen was? Vrede in de kerk, waarvan wij weinig genoten hadden geruime tijd achtereen.

Nu ging het zoals broeders behoren te doen, namelijk : "In vrede samen wonen".

Niet strijdende onder elkaar, wie wel de meeste zijn moge, want ieder wilde de minste zijn. Wij konden een weinig bekomen in hetgeen David uitdrukte in de 133ste Psalm: "Ziet hoe goed en hoe lieflijk is dat broeders ook te samen wonen. 't Is gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard Aärons; die nederdaalt tot op de zoom zijner klederen. 't is gelijk de dauw Hermons, en die nederdaalt op de bergen Zions; want de Heere gebiedt aldaar de zegen, en 't leven tot in der eeuwigheid".

En wat was mijn grootste zegen? Dat ik beweldadigd werd met een zoete omgang en gemeenschap met mijn Verbonds-God en Vader, en er kan niets van zijn plaats zijn als de zaken tussen God en de ziel vlak liggen.

Het is waar, er was genoeg rumoer van buiten, beiden door belijders en goddelozen teweeggebracht, want zij gaven mij allerlei scheldnamen, doch dit is van geen betekenis als er vrede en bedaardheid van binnen is.

Enige tijd daarna vonden wij het absoluut noodzakelijk, dat ik met een lijst zou rondgaan, want wij hadden zevenhonderd pond schuld tegen vijf procent en dit drukte zeer zwaar op ons. Mij was verscheidene jaren geleden beloofd, dat ik met een lijst gaan mocht onder het volk van de Gowertstraatkapel te Londen en ik dacht, dat ik de eerste keer, als ik daar weer zou moeten prediken, de gelegenheid maar moest waarnemen.

Toen ik daar echter kwam, bevond ik, dat de bestuurders van de Gowertstraatkapel er bezwaar tegen hadden voor die tijd, want zij waren voornemens zelf een inzameling te houden voor hun eigen kapel en zij zeiden mij, dat ik er van af moest zien tot op een andere gelegenheid. O, hoe zeer trof het mij te moeten horen, dat zij voor die tijd mijn inzameling niet van hun goedkeuring konden voorzien, temeer daar ik wist, dat één van onze diakenen ongeveer driehonderd pond van zijn geld moest terug hebben en als ik mij goed herinner, hadden wij toen vierhonderd pond van hem op interest. Zeer terneergeslagen ging ik uit de consistoriekamer en wist niet wat te doen; maar ik mag geloven, dat mijn ziel tot de Heere geleid werd om onderricht. Daar werd ik geholpen mijn hart voor Hem uit te storten, opdat Hij mij tonen wilde wat ik doen moest; want onze leden konden niet anders denken, dan dat ik met een lijst zou gaan en zij hoopten, dat de Heere voor mijn aangezicht wilde heengaan. De beheerders van de Gowertstraatkapel verwachtten dus, dat ik het deze keer niet doen zou.

Hierover riep ik tot God: "O, Heere, wat zal ik beginnen? Ik ben in Uw handen. Laat het U behagen mij te onderrichten; spreek, Heere, want Uw knecht hoort".

Terwijl mijn ziel worstelde en pleitte, dat Hij om Zijns Naams wil mijn verzuchtingen beantwoorden en mij tonen wilde wat ik doen moest, dropen deze woorden zoetelijk als regen en de kracht daarvan als de dauw in mijn ziel: "Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven en niemand kan die sluiten, want gij hebt Mijn Woord bewaard en hebt Mijn Naam niet verloochend". Openb. 3:8.

In enkele minuten brachten zij de zaak voor mij tot klaarheid, namelijk, dat ik de volgende morgen met mijn inzameling moest beginnen.

O, wat een kracht ging er met deze woorden gepaard! Wat een verootmoediging brachten zij in mijn hart en hoe verwonderde ik mij over Zijn goedertierenheid en tedere barmhartigheid, dat Hij het gebed voor zo'n hulpeloze worm wilde gadeslaan! Ik zag dat het vee op duizend bergen van Hem was en al het goud en het zilver Zijn eigendom. O, wat had ik een aangename nacht in het beschouwen van de wonderbare barmhartigheid, macht en goedertierenheid van mijn vriendelijke God en Vader. Mijn ziel riep herhaaldelijk uit: "Zou enig ding voor de Heere te wonderlijk zijn?" En weer riep ik uit: "Hebt Gij inderdaad voor mij een geopende deur gegeven, die niemand sluiten kan?"

En o, hoe zoet kwamen deze woorden bij vernieuwing: "Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten. Mijn aangezicht zal met u gaan en Ik zal u rust geven".

Wat verlangde ik naar de morgen, opdat ik het zien en weten mocht of de Heere waarlijk een deur ontsloten had.

Des morgens, direct na het ontbijt, ging ik naar iemand van de gemeente van de Gowertstraatkapel, die een bijzondere vriend van mij was. Ik zei hem, dat ik met een intekenlijst naar hem toegekomen was en dat ik hoopte, dat hij voor een tamelijk flink bedrag aan het hoofd der lijst in schrijven zou.

"Wel", zei hij, "wat noemt gij een flink bedrag? Want ik heb in mijn hart bepaald wat ik doen zal, en meer geef ik niet".

"Nu", antwoordde ik, "ik zou graag zien, dat gij voor vijf pond tekende".

"Dat is juist, zoals ik er over gedacht heb", zei hij.

Hij nam dus mijn boek, zette vijf pond voor zijn schoonvader en vijf pond voor zichzelf en gaf het mij terug, mij een gunstige uitslag toewensend in de Naam des Heeren. Daarna ging ik naar een andere vriend en zei hem, dat mijn bezoek betrof een inzameling voor onze kapel te Trowbridge.

"Goed", zei hij, "ik ben blij u te zien en van harte kan ik mijn penningske geven".

Daarop stak hij zijn hand in zijn zak en gaf mij vijf pond. Weer ging ik naar een ander en zei voor welk doel ik gekomen was, ondertussen hem mijn lijst tonend.

"Wel", zei hij, "ik veronderstel, dat ik moet doen zoals de anderen gedaan hebben".

Hij gaf mij dus ook vijf pond. Vandaar weer naar een ander, die ik mijn lijst ter inzage aanbood. Hij echter oordeelde, dat hij niet zoveel kon doen, maar zijn vrouw mengde zich er in en zei, dat hij niet bij de anderen ten achter blijven moest; hij gaf mij dus ook vijf pond.

Nadat wij een poosje met elkaar gesproken hadden, vertelde hij mij, dat er een bijzondere vriend van mij aan de overzijde van de straat woonde. Deze had mij altijd met veel genoegen gehoord als ik te Londen kwam en hij twijfelde niet of hij zou het zijne wel bijdragen. Ik ging er heen en trof hem thuis. Hij ontving mij met groot genoegen en nadat wij wat met elkaar gesproken hadden, zei ik, om welke reden ik hem kwam bezoeken. Zonder één woord te zeggen ging hij weg en haalde vijf pond voor mij.

Daarna hadden wij een zoet en innig gesprek, dat mij goed deed, want wij waren één hart en één ziel in de dingen van Gods Koninkrijk. Hij zei mij toen, dat hij wenste, dat ik een oude heer zou bezoeken, iemand, die mij gedurende vele jaren, dat ik Londen bezocht, met veel troost en aangenaamheid gehoord had en hij twijfelde niet of hij zou ook wel iets bijdragen. Ik geloof, dat hij May heette. Ik ging dus op weg en vond de plaats waar hij woonde.

Toen ik aan de deur geklopt had, deed de oude heer zelf open en nog voor ik tijd kreeg te spreken, stak hij zijn hand naar mij uit en zegende mij in de Naam des Heeren. Hij zei toen, dat hij hartelijk verblijd was, dat ik hem was komen bezoeken en begon mij toen te verhalen van de vele dierbare stonden, die hij gehad had onder mijn bediening, gedurende de jaren, dat ik te Londen kwam.

"Ik heb", riep de oude man uit, terwijl de tranen hem langs de wangen rolden, "de waarheid van God van uw lippen mogen ontvangen als een regen en Zijn reden als de dauw; en mijn ziel is onder uw bediening dikwijls, zeer dikwijls bevochtigd geworden".

Toen vertelde ik hem de reden waarom ik hem op dat ogenblik kwam bezoeken, namelijk dat wij met onze kapel te Trowbridge onder een aanmerkelijke schuldenlast gebukt gingen, en dat ik mij onder de noodzakelijkheid gebracht zag om voor bedelaar te fungeren en te beproeven of de beminnaars der Waarheid in hun hart hadden ons in beproevende omstandigheden te helpen. Voorts dat ik deze dag daarmee een begin gemaakt had en reeds enige vrienden voor dit doel bezocht had. Ik bood hem toen mijn lijst aan, opdat als hij dit verkoos, de personen, die ik bezocht had, kon nagaan. De oude heer weigerde echter er inzage van te nemen wat zijn buurlui gedaan hadden en zei : "Ik ben er zeer over verblijd, dat gij mij hebt willen bezoeken om mijn penningske voor de zaak van God en Zijn Waarheid te offeren; maar ik heb mij nooit laten leiden door wat anderen deden. Wat God mij in mijn hart geeft, dat geef ik, en als mijn vrienden vijf pond geven en ik heb in mijn hart vijf schellingen te geven, dan doe ik dat; want ik moet bij mijn eigen geloof leven en ik hoop dat de Heere mij altijd geven zal te doen, hetgeen Zijn goedkeuring kan wegdragen".

Daarop ging de oude man weg en haalde zijn bijdrage. Ik verwachtte dat dit vijf schellingen zou zijn; maar toen hij terugkwam telde hij mij vijf pond voor, zeggende: "Dit is ter tegemoetkoming in de schuld op uw kapel". En toen gaf hij mij nog vijf pond. "En dit", zei hij, "is om in uw huisgezin te gebruiken".

Ik barstte in een vloed van tranen uit, want ik kon mij niet inhouden. "O", riep ik uit, "uw vriendelijkheid breekt mijn hart in stukken!"

Ik was zo onder de indruk daarvan, dat ik nauwelijks één woord kon voortbrengen en de oude heer was ook zeer aangedaan. Hij loofde God en riep uit: "Hij heeft mij overvloedig gegeven en ik heb door uw mond geestelijke dingen ontvangen en nu is het mij een vermaak en genoegen van het tijdelijke mede te delen. Ja, ik kan mijn God danken dat Hij u gezonden heeft en mij verwaardigt om mijn offertje te mogen brengen".

Al schreiende scheidden wij en zegenden elkander in de naam des Heeren. Voor die eerste dag liet ik het hierbij en ik ging naar mijn logies, zo vol van de zegeningen des Heeren als mijn ziel maar bevatten kon. En o, hoe dierbaar kwamen deze woorden wederom: "Zie, ik heb een geopende deur voor u gegeven en niemand kan die sluiten", Openb. 3:8.

Wat een aangename nacht bracht ik door! Ik loofde, prees, dankte en aanbad mijn Verbonds-God voor Zijn goedertierenheid en tedere bemoeienissen, die Hij zo wonderbaarlijk betoond had. De eerste dag was de opbrengst volgens de lijst vijf en dertig pond en deze waren verkregen onder niets dan zegeningen en aangename woorden van de zijde der gevers.

Wat is het aangenaam, de goedertierenheden des Heeren voor ons aangezicht te zien heengaan en dat als antwoord op onze gebeden! Het schijnt dat ook Salomo de zoetheid daarvan gesmaakt heeft als hij zegt : "Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds en hoe goed is een woord op zijn tijd". En hoe zoet was het David: "Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen. Want Hij neigt Zijn oor tot mij : dies ik Hem in mijn dagen zal aanroepen" Psalm 116: 1, 2.

Maar o, de onwetendheid van duizenden onvruchtbare belijders der godsdienst, ten opzichte van een antwoord van God op het gebed. Hun blijdschap is in hun schone gebeden, maar de blijdschap van een kind van God is daarin, dat God Zich bewijst te zijn een gebedsverhorend en gebedsbeantwoordende Jehova. Het is een armzalige troost voor Gods kind als hij moet roepen en uitschreeuwen en dat de hemelen van koper schijnen te zijn, zodat hij zeggen moet

"Hij sluit de oren voor mijn gebed". Klaagl. 3:8.

Het is voor Gods kind een ellendig werk om te trachten troost te halen uit particuliere en openbare gebeden, als er geen antwoord op volgt.

Duizenden belijders vinden ruime troost en vrede daarin, zodanig als die is, en alleen daaruit vloeiende, dat zij zo ijverig zijn en hun plicht niet verzaken in het doen van hun huisgezingebeden zelf, want dan hebben ze reeds alles wat zij wensen en begeren, namelijk om van de mensen gezien te worden en hun goedkeuring weg te dragen en dan immers achten zij zich goed beloond. Maar het arme kind van God, ofschoon hij niet kan nalaten zijn huisgezin te zamen te roepen tot het gebed, want dan zou hij een schuld op zijn geweten laden, heeft niet zijn blijdschap en troost in de vorm. Want wat is het bijtijden niet een ellendig werk als zijn hart is als de onderste molensteen en hij nauwelijks weet hoe hij één woord zal voortbrengen. O, de vele keren dat hij in zijn consciëntie veroordeeld is door de vreselijke gewaarwordingen die hij heeft! Hoe menigmaal heeft die tekst mijn ziel wel doorpriemd, als ik van mijn knieën opstond: "Dit volk nadert Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij". Marc. 7:6.

O, zeer dikwijls heb ik van het hoofd tot de voeten gebeefd, uit vrees, dat het ten laatste zou uitkomen dat ik mijzelf en anderen bedrogen had; maar de Heere weet zijn kinderen te doen bidden uit de grond des harten om de barmhartigheden en zegeningen die hij beloofd heeft. Hij brengt ze daar waar ze Hem onmisbaar zien en gevoelen, en Hij neemt alle andere toevlucht weg, zodat niemand medelijden met hen heeft en er geen menselijke arm overblijft om hen te helpen. "De zotten worden om de weg harer overtredingen en om haar ongerechtigheden geplaagd. Hun ziele gruwelde van alle spijze; en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen. Doch roepende tot de Heere (ja die arme zielen, zij doen dit uit hun ganse hart; en geloofd zij de Heere, Hij hoort ze en beantwoordt ze op Zijn eigen tijd) en Hij verlost ze uit hun angsten". Psalm 107 :17 - 19.

Ja, Hij brengt ze door het vuur en het water en Hij zegt: "Zij zullen Mijn naam aanroepen en Ik zal ze verhoren. Ik zal zeggen: Het is Mijn volk, en zij zullen zeggen : De Heere is mijn God".

Dit is het wat ons met blijdschap, vrede en vertrouwen vervult, dat de Heere de onze is en wij de Zijne zijn. O, wat had ik een aangename nacht in het beschouwen van de goedertierenheid Gods, die Hij mij tot nu toe bewezen had op de weg door de wildernis.

Ik was er vast van overtuigd, dat de Heere met mij was en dat het Zijn goedkeuring wegdroeg dat ik deze inzameling deed; ook dat iedere schelling die ik krijgen zou vooraf bepaald en vastgesteld was in Zijn eeuwige raad. O, hoe zoet is het met Gods wil tevreden te zijn. Dag bij dag deed het mijn ziel goed, te zien hoe de Heere voor mij de deur opende in de harten des volks en mijn ervaring is altijd geweest dat dit de weg is in de beurs.

Hij zei Zijn discipelen, dat als iemand hen vragen zou: "Waarom ontbindt gij het veulen?" zij hem moesten antwoorden: "Omdat de Heere het van node heeft". Matth. 21 : 3.

O, hoe zoet en dierbaar waren eens deze woorden voor mijn ziel, toen wij met ons huisgezin enige tijd vóór ik begon te prediken, in een bijzondere verlegenheid verkeerden. In de winkel waar wij onze levensmiddelen kochten, hadden wij vrij veel schuld en wij konden er niets meer krijgen of wij moesten één pond betalen. Ik verzocht mijn vrouw naar de meester te gaan voor wie ik werkte, om hem te vragen of hij zo vriendelijk wilde zijn ons één pond te lenen.

Maar haar antwoord was : "Gij weet, dat hij tot al zijn volk gezegd heeft, dat hij hun geen geld meer lenen wil".

Ik zei daarop, dat hij in de hand Gods was, dat de Heere zijn hart kon aanraken en hij het bijgevolg niet zou kunnen weigeren als God het wilde dat hij het doen zou. Ten slotte ging zij er heen, want alle andere wegen schenen toegesloten. Toen ging ik in mijn slaapkamer om met God te worstelen en inderdaad had ik daar een tijd van worstelingen. O, wat kreeg ik een vrijheid tot de Heere in het pleiten op Zijn dierbare beloften en ik smeekte Hem, dat Hij voor haar wilde heengaan. En terwijl ik op mijn knieën lag, Zijn gezegende Majesteit smekende, sprak Hij deze woorden: "En indien iemand u vraagt, waarom ontbindt gij dat veulen? zo zult gij alzo tot hem zeggen: omdat het de Heere van node heeft". Luc. 19 : 31, 32.

O, in één ogenblik zag ik, dat de Heere zijn meester was en dat hij doen moest zoals hem God beval. En o, wat ging mijn ziel tot God uit: "Heere, geef het in zijn hart, laat hem niet toe te weigeren en laat hem er niet één woord tegen inbrengen".

En de Heere antwoordde mij zo liefelijk : "Het is geschied gelijk gij gebeden hebt". Mijn ziel was er zo door gesterkt, dat het mij was als had ik het pond reeds in mijn hand, ja ik dankte en loofde Hem er voor nog eer ik het ontvangen had, want ik was er van overtuigd, dat zij het meebrengen zou en zo geschiedde het ook.

Weldra keerde mijn vrouw terug en bracht mij het geld. Zij stond er ten zeerste verbaasd over, dat de meester zo opgeruimd was en niet één ongenoegelijk woord gezegd had. "Omdat de Meester het van node heeft".

Hoe zoet is het stil te zijn en het heil des Heeren te zien! De engel des Heeren handelde wonderlijk in Zijn doen en Manoah en zijn vrouw zagen toe. En het is inderdaad een gezegend zien, als wij de Heere voor ons zien henengaan.

Dit was mijn ervaring toen ik in Londen was met mijn inzamelingslijst, want deur voor deur werd mij geopend, wat mij zeer verwonderde. En wat mij ook zeer wonderlijk toescheen was, dat ik niet één verkeerd woord of norse blik ontving van al de personen, die ik in Londen bezocht. Het was mij duidelijk, dat de Heere voor mij uitging en de deur opende en er is altijd plaats genoeg als de Heere er is. Ik bleef reizen en prediken, totdat mijn lichaamskrachten het niet verder toelieten, zodat ik genoodzaakt werd het op te geven en naar huis te gaan. En ik geloof, dat ik juist zoveel geld had gekregen als wij nodig hadden, namelijk een bedrag van 182.75, 3 d. Alzo bevond ik Zijn Woord waarheid te zijn: "Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven en niemand kan die sluiten"'. Openb. 3:8.

Ik kwam thuis, zeer afgemat en zwak naar 't lichaam, maar krachtig en blijde in mijn ziel door het beschouwen van de vriendelijkheid en tedere bemoeienissen van een Verbonds-God, die zo dierbaar voor mij was heengegaan. Er was ook blijdschap en vreugde onder de broederen, als zij hoorden hoe de Heere de weg voor mij geopend had.

Arme schepselen! Zij hadden hard geworsteld aan de troon der genade of het de Heere behagen mocht de deur voor mij te openen en wat een blijdschap gaf het hun te vernemen, dat de Heere hun geroep beantwoord had. Geloofd zij Zijn Naam! Hij zal nooit de geest der gebeden geven en dan de zegen weigeren. Hij komt gewis op Zijn eigen tijd en in Zijn eigen weg: "Roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uit helpen en gij zult Mij eren". Psalm 50: 15. "Het zal Mijn Naam aanroepen en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De Heere is mijn God". Zach. 13 : 19. Zeer weinig belijders kennen God in deze weg, want hoe kunnen zij komen in deze zaken, als deze nooit in hen gekomen zijn? "Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden. Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hijzelf wordt van niemand onderscheiden. Want wie heeft de zin des Heeren gekend, die hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin Christi". 1 Cor. 2 : 14 -16.

Na enige maanden thuis vertoefd te hebben, ging ik in Sussex naar Brighton en Lewes en enige andere plaatsen met mijn intekenlijst en ook daar zag ik de tedere bemoeienissen Gods en de deur door Hem ontsloten, even wijd en aangenaam als te Londen. O, wat smolt mijn ziel telkens weg uit dankbaarheid tot God, bij het aanschouwen hoe de beminnaars der Waarheid in deze delen des lands, zo blijmoedig, ongedwongen en milddadig mededeelden ter vervulling van onze behoeften en dat aan een die zo onwaardig was en die geen aanspraak had op de minste van Zijn goedertierenheden. Als ik mij goed herinner bleef ik een maand of vijf weken onder hen en het bedrag, dat ik collecteerde te Brighton, Lewes en op enige andere plaatsen beliep tot 150,14,5. Wat een dankbaarheid gevoelde ik tot God, als de grote fontein van alle zegeningen en ook tot het volk als de instrumenten om mede te delen!

Het was zeer blijmoedig en had vrijwillig medegedeeld en naar ik mij herinner was er onder allen, die ik met mijn lijst bezocht had, èn te Brighton èn te Lewes slechts één persoon, die mij zonder wat te geven liet heen gaan. O, hoe dierbaar kwam die gezegende tekst wederom in mijn ziel: "Zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven en niemand kan die sluiten, want gij hebt kleine kracht en gij hebt Mijn Woord bewaard en hebt Mijn Naam niet verloochend". Openb. 3:8.

Mijn ziel lag verootmoedigd aan Zijn voeten en kon geen woorden vinden om Hem naar de wens van mijn hart te verhogen. Wat ging mijn ziel uit tot de Heere, dat Hij Zijn zegen beliefde uit te gieten op het volk, dat zo milddadig had bijgedragen! Ik bad Hem, dat Hij het honderdvoudig in hun handen belonen wilde. Ik hoop, dat ik nooit hun vriendelijkheid vergeten zal, want die is inderdaad zeer groot geweest, gedurende vele jaren en dat aan zo'n onwaardige als ik ben. En zelfs tot op de huidige dag zijn zij mijn ziel dierbaar, ofschoon de grote tegenstander, de duivel, voortdurend omgaat, zoekende wie hij zou mogen verslinden; want hij heeft reeds vooroordeel gezaaid in de harten van sommige kinderen Gods, dat zij de een de ander niet als broederen kunnen aanzien.

Hoe hartdoorgrievend is het als de duivel onder broeders tweedracht zaait! Dan stelt hij de een aan de ander voor niets minder dan een geveinsde; en dezelfde man, die in onze harten geopenbaard is en dat wel herhaaldelijk, als iemand waarmede wij konden leven en sterven, diezelfde man wordt als een witgepleisterde geveinsde uitgeschilderd, wanneer de duivel in onze harten werkt. O, wat is het een genade bewaard te worden in de liefde en vreze des Heeren. Want liefde doet de naaste geen kwaad en zeker ook geen broeder of zuster.

De vrucht des geestes is liefde, blijdschap, vrede en kan nooit toorn, boosheid of twist voortbrengen. Doch menigmaal heb ik de Heere geloofd en gedankt, dat Hij mij in staat gesteld heeft met een goede consciëntie te wandelen voor God en mensen. Welke harde woorden of zure gezichten ik ook heb moeten verduren, God zij dank, dat Hij mij in staat gesteld heeft om geen kwaad met kwaad te vergelden, want bij smartelijke ervaring weet ik, als ik word overgelaten aan de duivel en mijn eigen natuur, ik dan verval in alles wat hatelijk is; zodat ik geen steen kan opnemen om hem te werpen op mensen of op duivels.

Maar met aangenaamheid kan ik nog aan hen gedenken, ja heb nog vele tijden, dat ik voor hen bidden kan, dat de beste der zegeningen op hen moge rusten.

Ja met ernst mag ik de Heere vragen, dat wat ook moge plaats grijpen, Hij mij niet zal toelaten iets te doen, wat een schuld op mijn consciëntie brengen of Zijn Naam onteren zou. Mijns harten wens is, dat ik genade vinden moge om Hem te verheerlijken in lichaam en ziel; want van dag tot dag draag ik de overtuiging, dat ik zonder Hem niets doen kan. Maar geloofd zij Zijn Naam, ik heb ook tijden dat ik in triumf zeggen kan : "Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft". Fil. 4: 13.

Toen ik thuis kwam en de broeders mededeelde hoe de goede hand van onze God de deur voor mij geopend had, was het waarlijk een tijd van blijdschap en dankzegging.

Onze harten smolten er onder weg, als wij gedachten aan de goedertierenheid onzes Gods, bewezen aan zulke onwaardigen! en ik geloof, dat noch leraar noch volk, God van Zijn eer wensten te beroven. Wij konden ons van ganser harte verenigen met de Psalmist : "Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwe Naam geeft eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil". Psalm 115 : 1. Wij hadden waarlijk een tijd van opleving, doordat de Heere Zijn goedertierenheid in deze weg voor ons ontsloten had, en dat onze schuld was teruggebracht tot ongeveer driehonderd pond. En de Heere ging voort getuigenis te geven aan het Woord Zijner genade, 't welk mijn ziel zeer verwonderde, wetende wat een arm, hulpbehoevend, onkundig, dwaas, waardeloos, gering en veracht schepsel ik was. Wel honderd malen heb ik mij moeten aansluiten bij hetgeen de dichter uitdrukt:

Hij roept de dwaas, doet hem verstaan,
De rijkdom van genâ,
En bij hem vroeg of spá
D'eerzuchtige wijsheid vergaan,
Hij legt tot Zijne lof
Zijn hoogmoed in het stof.

En hoe vele malen hebben deze woorden mijn ziel doen smelten: "En Hij nam een kindeke en stelde dit in het midden van hun". Matth. 18 : 2 "O, Heere", heeft mijn ziel bij herhaling uitgeroepen, "neem het kindeke en houdt het bij U; laat mij niet één ogenblik aan mijzelf over, want twee zijn beter dan één; want als ik val en Gij zijt er niet, dan heb ik niemand om mij op te helpen".

Gedurende enige tijd ging ik zeer getroost mijn weg, doch allengs begon de Heere mij hard te beproeven, door het licht van Zijn vriendelijk aangezicht aan mij te onttrekken. O, in wat een vreselijke toestand van duisternis, verwarring, ellende en jammer geraakte ik, voor wel zes of zeven weken! Ik dacht waarlijk, dat de Heere op weg was om het te openbaren, dat ik niets anders was dan een geveinsde en dat ik na al mijn belijdenis, aan de kaak zou gesteld worden als een afvallige.

O, wat beefde ik als ik de preekstoel beklom en somtijds vreesde ik, dat mij een vreselijk oordeel treffen zou over mijn brutale vermetelheid om mijn mond te openen in de Naam des Heeren. Ik kon niet geloven, dat mijn prediking aan iemand kon gezegend worden.

In deze toestand verkeerde ik weken achtereen met geen enkel greintje van godsdienst, dan wat mij ellendig maakte; en naderhand bevond ik toch, dat het nog meer was dan wat duizenden onvruchtbare belijders ooit hadden.

Ik was er voor mijzelf van overtuigd dat het volk er van walgen moest om zo'n onkundige dwaas te beluisteren, en dat de een na de ander mij verlaten zou.. Het was mij onbegrijpelijk, dat zij mij zo lang verdragen wilden, want Zondag na Zondag kon ik niets voortbrengen dan treurige dingen, aantonende welke duivelse schepselen wij waren en daartegenover de grote verdraagzaamheid van God.

Maar inplaats van dat de opkomst onder de bediening verminderde, scheen zij veeleer toe te nemen. Dit vervulde mij met verbazing en herhaaldelijk moest ik mij verwonderen, hoe het mogelijk was, dat ze het onder zo'n dwaas schepsel konden uithouden. O, wat bracht ik al dagen en nachten door van niets dan ellende en jammer. Ik schreide, ik kermde, ik weende en zuchtte, doch kon niet geloven dat God daarop acht gaf en mijn ziel gevoelde een weinig van hetgeen de profeet Jeremia uitriep : "Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand de ganse dag veranderd. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. Hij heeft tegen mij gebouwd en Hij heeft mij met gal en moeite omringd. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen als degenen die over lang dood zijn. Hij heeft mij toegemuurd dat ik er niet uitgaan kan, Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met de uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd". Klaagliederen 3 : 3 -9.

En ik ben er zo zeker van overtuigd als ik overtuigd was van mijn eigen bestaan, dat niets minder dan een vernieuwde ontdekking van Hemzelf als mijn God aan mijn ziel deze kromme dingen recht maken kon. Ik weet uit eigen ervaring dat hetgeen Job zegt de waarheid is: "Indien Hij afsnijdt of besluit of vergadert, wie zal dan Hem afkeren?" Job 11:10 (Eng. vert.).

En David, de man naar Gods hart, ondervond hetzelfde, als hij uitriep: "Ik ben besloten en kan niet uitkomen".

Neen, de ziel kan niet tevoorschijn treden dan op des Heeren tijd.

"Gij zult niet met haast uitgaan, noch met der vlucht heengaan, want de Heere zal voor ulieder aangezicht heentrekken en zal uw achtertocht wezen". Jes. 52 : 12.

Loof de Heere! Tijden als deze, ofschoon zij dodend zijn voor vlees en bloed, zijn kostelijke leringen, niet bedoeld om ons te verderven, maar te heiligen, en ons te ontdoen van al onze afgoden, ja ook dienende om de vervloekte hoogmoed van onze natuur in het stof te leggen, en om ons te doen zien dat de Heere zowel zonder als met ons werken kan.

O, hoe walgde ik van mijzelf, hoe haatte ik mijzelf! Ja, ik had een afkeer van mijn eigen schaduw.

Tenslotte gaf ik het geheel en al op en besloot bij mijzelf, dat ik nooit meer prediken wilde, want ik kon noch leren, noch bidden, noch geloven, noch hopen, noch liefhebben, wat meer is ik geloofde waarlijk dat ik tweemaal verstorven en ontworsteld zijn moest. O, wat was ik een duivel in mijn eigen ogen. Een grote vergadering kon mij geen troost verschaffen, evenmin kon het mij opbeuren als het volk des Heeren mij vertelde dat de Heere het woord zegende. Ik was bang voor anderen te prediken en zelf verwerpelijk te zullen worden bevonden. Ik had nodig dat God de Heilige Geest weer eens met mijn geest getuigde dat ik Christus toebehoorde en dat Hij de mijne was.

O, hoe zuchtte mijn ziel uit: "Zeg tot mijn ziel, Ik ben uw heil". "O, gedenk mijner naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil, opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen, opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks, opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel". Psalm 106:5. "Voert mijn ziel uit de gevangenis om Uw Naam te loven". Psalm 142:8.

Dit was dag en nacht mijn geroep en lof zij Zijn dierbare Naam! het zuchten van de arme gevangene kwam tot Hem op en op Zijn eigen tijd bewees Hij dit tot verheuging van mijn ziel.

O, hoe dierbaar, krachtdadig en heerlijk daalde Hij af in mijn arme, ternedergedrukte ziel met deze woorden: "Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal ik nu opstaan zegt de Heere; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast". Psalm 12:6.

Wat een sterkte gaf dit aan mijn ziel! Het hief mij op uit de drek en zette mij onder de prinsen, en mijn ziel kon uitroepen: "Verblijdt u niet over mij, o mijn vijandinne, wanneer ik gevallen ben zal ik wederom opstaan, wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn". Micha 7:8.

Ja, ik kon zingen : "De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De Heere is mijn levenskracht, voor wie zou ik vervaard zijn? Of mij schoon een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen, ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop. Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken : Dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het Huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen in Zijn tempel. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden die rondom mij zijn en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja psalmzingen de Heere". Psalm 27 :1, 3, 4, 6

O, wat had ik een gezegende tijd van vrede en blijdschap in het beschouwen van de soevereiniteit, de macht, de majesteit, en heerlijkheid van een Verbonds-God, in mij te ontkleden en te bekleden, in mij te ontledigen en te vervullen, in mij te wonden en te helen, in mij te besluiten en te voorschijn te doen komen.

Loof de Heere! "Bij deze dingen leeft men en in al deze is het leven mijns geestes". Jes. 38 : 16.

Waar de aangename weiden van verkiezende liefde, barmhartigheid en genade zoet en aangenaam zijn voor de zielen van Christus' arme schaapjes, wordt "op en neer" wel gekend. O, wat loofde, prees en dankte ik God voor de beproeving die ik doorworsteld was. Ik zag er de noodzakelijkheid van in; en hoe passend was de taal van de Apostel: "En alle kastijding, als die tegenwoordig is schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengene die door dezelve geoefend worden". Hebr. 12:11.

O, de dierbaarheid van de waarheid van God door bevinding te leren kennen! Waarlijk, wij kunnen met vrijmoedigheid zeggen: "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten; en Uw Woord is mij geweest tot blijdschap en vreugde mijns harten". Jer. 15 : 16.

En wij zijn overtuigd dat David de waarheid sprak toen hij zei: "Hoe zoet zijn mij Uw redenen mijn gehemelte geweest! Meer dan honing mijn mond. De wet Uws monds is mij beter dan duizenden van goud of zilver". Psalm 119 : 103, 72.

Maar onze God heeft het zo bepaald en het kan niet te niet gedaan worden, dat nacht en dag, droefheid en blijdschap, voorspoed en tegenspoed onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn. "In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen". Joh. 16:13. En zo heb ik het altijd bevonden; maar, God zij geloofd! de overwinning is vast en zeker, laat de duivel en het ongeloof zeggen wat zij willen, en tot op deze huidige dag heb ik het ervaren, dat van al hetgeen Hij ooit beloofd heeft er niet één woord op deze aarde gevallen is. Zij zijn allemaal gekomen in de rechte weg, door de rechte middelen en ter rechter tijd. Waarlijk, Hij dwaalt niet, en Zijn beloften falen niet.

Ik ga nu verhalen een andere scherpe beproeving die mij wedervaren is. Dit was een van de scherpste beproevingen die ik mijn ganse leven ontmoet heb, zodat ik somtijds dacht dat mijn hartzenuwen het zouden begeven hebben.

Het betrof mijn jongste zoon, die de jongste is der tien kinderen nu in leven.

Ik was overeengekomen met iemand te Trowbridge, die kleermaker was, om hem in het vak op te leiden, en gedurende een paar jaar ging dit goed. Ik verwachtte dan ook dat hij zijn vak goed leren zou en goed oppassen. Maar op zekere dag, op een Woensdag, juist de avond dat ik in de kapel prediken moest, kwam hij tegen zijn gewoonte, niet naar huis om te eten. De vrees beving mij dat er iets gebeurd kon zijn en ofschoon onze mensen al zeiden, dat het geen twijfel leed of hij zou wel bij zijn zuster zijn, kon ik de gedachte niet kwijt, dat er iets niet in orde moest zijn. Derhalve liet ik onderzoeken of hij op zijn werk geweest was. Het antwoord, dat men mij bracht, was : "Neen, hij is er niet geweest".

O, wat schudde en beefde ik, toen ik dit hoorde! Ik zond boden uit, de gehele stad door, maar kon niets van hem te weten komen, zelfs hoorden wij niet van één mens, die hem in de stad gezien had. Hoe ik door mijn prediking heen kwam, is de Heere alleen bekend, want ik weet het niet. Ik kan mij niet herinneren, dat hij vóór die avond ooit één nacht van huis geweest was. Zover ik mij te binnen brengen kan, was hij toen zestien jaar en daar hij de jongste was, was ik er zeer bezorgd over. Wij wachtten tot een uur of twee des morgens, maar er kwamen geen berichten van hem en hij kwam niet opdagen. Inderdaad, wij konden evenzeer de gehele nacht opgebleven zijn, want wij konden de slaap niet vatten. De dag daarna zochten en informeerden wij op elke plaats, die wij konden uitdenken, maar wij hoorden niet van enige persoon, die hem gezien had of iets omtrent hem wist. In deze onzekerheid verkeerden wij tot des Vrijdags, omstreeks elf uur, toen iemand bij ons aan huis kwam om mij te zeggen, dat hij hem òf Woensdag òf Donderdag te Salisbury gezien had. Direct nadat ik dit bericht ontvangen had, stuurde ik om mijn schoonzoon, huurde een paard en sjees, leende tien pond en nadat wij gegeten hadden, gingen wij op reis naar Salisbury. Mij dunkt, ik zou hem kunnen gevolgd zijn al was het over zee geweest. Mijn hart was geheel vervuld over de jongen, zodat ik vast besloten was niet te zullen terugkeren vóór ik hem gevonden had. Ik vertrok uit Trowbridge met een zwaar beladen hart. "Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder". O, wat ging mijn ziel op de reis uit tot de Heere, dat Hij mij wilde leiden, opdat we de rechte weg gaan mochten. En terwijl ik Hem in het verborgene smeekte, dat Hij ons wilde leiden op de goede weg, deed Hij zeer aangenaam en dierbaar deze gezegende woorden in mijn hart afdalen : "En ziet, Ik ben met u; en Ik zal u behoeden overal waar gij henen zult trekken en Ik zal u wederbrengen in dit zelve land; want Ik zal u niet verlaten". Gen. 28: 15.

O, wat deed dit woord mijn ziel herleven! Het was de eerste belofte die ik kreeg sedert de jongen was weggelopen. Ik ontving er een sterk vertrouwen uit, dat ik goed deed de jongen achterna te gaan en was krachtig overtuigd, dat God ons op de rechte weg leiden zou en dat wij hem vinden zouden en terugbrengen in vrede.

Wij gingen dus verder, tot wij kwamen aan het huis "Halfweg" en daar vertoefden wij enige tijd om ons paard te voederen. Op het ogenblik echter toen wij in het rijtuig stapten om onze weg te vervolgen, kwam er een man naar buiten, die mij verzocht weer uit te stappen en mij toen vroeg hoe het met mij ging.

Hij zei mij: "Gisteren zag ik uw zoon Jan, op weg naar Winchester".

Ik stond er verbaasd van te kijken en dacht, dat de man zich vergist moest hebben. Hij beweerde echter, dat hij niet abuis geweest was, want hij kende mijn zoon evengoed als hij mij kende, daar hij ook uit Trowbridge kwam en naar Winchester geweest was om te werken. Wij gingen dus vandaar weg, terwijl mijn ziel rustte op de zoete belofte: "Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal waar gij heentrekken zult en Ik zal u wederbrengen in vrede!"

Wij kwamen veilig te Salisbury aan, alwaar wij overnachtten. Des Zaterdagsmorgens vroeg vertrokken wij vandaar naar Winchester en kwamen er, denk ik, omstreeks 11 uur aan. Hier informeerde ik naar hem in de zogenaamde "arbeidsbeurs voor kleermakers". Men deelde ons daar mede, dat hij er Donderdagnacht geslapen had, doch daar hij geen werk had kunnen vinden, des Vrijdags vertrokken was naar Southampton. Nadat wij ons een weinig verkwikt hadden, zetten wij de reis voort naar Southampton, waar wij ongeveer om drie uur aankwamen. Op onze informatie kregen wij het adres van de arbeidsbeurs. Ik ging er heen en vroeg de waardin, want daarvoor zag ik haar aan, of hier de vorige avond een jongeling geweest was, die naar werk zocht. Voor ik echter tijd kreeg nog meer te vragen, antwoordde zij : Ja, en ik zie, dat het uw zoon is, hij komt uit Trowbridge, in Wilts".

Mijn ingewanden ontroerden, zodat ik mij niet kon bedwingen en overluid weende.

"O, mijn arm kind, mijn arm kind", riep ik uit, "had hij iets te eten?"

Zij vertelde mij, dat hij eten gekregen had en de vorige nacht hier had doorgebracht.

"Ik vroeg hem", vervolgde zij, "of hij niet weggelopen was uit een goed kosthuis, want gij schijnt mij toe geen gewone landloper te zijn, waarop hij antwoordde, dat hij dit gedaan had en wenste weer thuis te zijn. Voorts dat hij niet wist wat hij doen moest, maar zijn vader had een vriend in Portsmouth en hij zou 's morgens daar naar toe willen en als hij dit bereiken kon, wist hij, dat ze hem te eten zouden geven. Ik had het voornemen", voegde zij er bij, "hem vanmorgen een flink ontbijt te geven, doch toen ik beneden kwam, was hij vertrokken".

Onmiddellijk ging ik naar de herberg waar wij het paard uitgespannen hadden en kwam daar te weten, dat binnen enkele minuten de badwagen zou aankomen, die op weg was naar Portsmouth. Wij verlieten dus het paard en de sjees en namen plaats op de wagen naar Portsmouth. Maar daar ik zeer vermoeid was en naar mijn gevoel te oordelen, bijna versleten, ging ik binnen in de wagen en daar er niemand in zat, had ik de gehele ruimte voor mijzelf. Soms kwam er in mijn gemoed op: "Misschien ligt hij dood in een sloot en is zo in de hel gestort voor een nimmer eindigende eeuwigheid".

O, wat riep ik in dat rijtuig tot God, dat Hij wilde gedenken aan Zijn belofte, waarop Hij mijn ziel had doen hopen en dat Hij niet wilde toelaten, dat de vijand mij verslinden zou. En o, wat had mijn ziel een vrije en zoete toegang tot God van Southampton tot Portsmouth toe, een afstand als ik mij goed herinner van bijna een en twintig mijlen. Nooit zal ik die tekst vergeten, die in mijn ziel afdaalde, als wij omstreeks halfweg kwamen van Southampton naar Portsmouth : "Gelijk hem een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen". Ps. 103 ; 13.

"O", riep mijn ziel uit, "wat zijn mijn gewaarwordingen tegenover mijn kind? Immers niets dan liefde, tederheid en toegenegenheid". En zodanig was mijn liefde tot mijn kind, dat zij al zijn boosheid en goddeloosheid bedekte. O, wat kreeg ik een overweldigend gezicht van de verkiezende liefde van God de Vader tot mij van eeuwigheid tot in eeuwigheid! "O", riep ik uit, "ik heb U lief, omdat Gij mij liefgehad hebt". O, het vernederend gezicht dat ik had van de liefde, zorg en medelijden van God de Zoon in het op Zich nemen van al mijn zonden en het dragen daarvan aan het hout! Die ook de vloek en de veroordeling, die mijn ziel zo rechtvaardig verdiend had te ontvangen uit de handen van een rechtvaardig God, had willen lijden en doorstaan. Hij toonde mij Zijn handen, Zijn voeten en Zijn zijde; en wat een verootmoedigend gezicht was dat!

"O", riep ik uit, "Mijn Heere en mijn God! O, goddeloze die ik ben, om de Heere des levens en der heerlijkheid te kruisigen!" En wat had ik een gezicht van de liefde, het medelijden en de vriendelijkheid van God de Heilige Geest, betoond in mij te roepen, te ondersteunen, te onderhouden, te beschutten en uit te helpen uit al mijn ellenden en moeiten, waarin ik ooit geweest was, tot dat ogenblik toe. Ik riep uit: "Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens!" Psalm 23: 6.

O, wat kreeg ik een inzicht in mijn goddeloze wegen tegenover zulk een vriendelijke Vader! Herhaaldelijk weende ik en riep uit: "Mijn lieve Vader, mijn kind heeft nooit in die mate tegen mij overtreden, als ik Uw goedertierenheid heb misbruikt en hoe kunt Gij zo een ellendeling liefhebben, die voortdurend van Uw pad geweken is?" Maar o, hoe dierbaar lachte Hij mij toe en fluisterde zeer aangenaam in mijn ziel : "Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. In zes benauwdheden zal Ik u verlossen en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. Als gij gaat door het water, Ik zal bij u zijn en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen". Mijn ziel smolt voor Hem als was voor de zon smelt, want iedere volzin, die Hij sprak kwam met kracht en aangenaamheid en zij alle schenen de klemtoon te hebben op U of Gij: "Wanneer gij door het vuur gaat zult Gij niet verbranden en de vlam zal U niet aansteken; want Ik ben de Heere Uw God, de Heilige Israëls, Uw Verlosser".

Enige minuten daarna hield de wagen stil en ik was nieuwsgierig om te weten waar wij waren. Ik stapte uit en vroeg de koetsier hoe ver wij nog waren van Portsmouth en hij zei mij, dat dit was tussen de twee of drie mijlen. Ik vroeg hem of hij iemand kende met de naam Doudney, een vetkaarsenhandelaar, die te Mile-End, Portsea, woonde. Hij antwoordde, dat hij hem zeer goed kende. Daarop verzocht ik hem mij daar uit de wagen te laten. Doch toen ik weer in de wagen gegaan was, was mijn Liefste geweken en mijn oude vrezen kwamen met dubbele kracht op mij aan : "Wat zult gij beginnen als de jongen niet bij uw vriend Doudney is?" Ik begon van het hoofd tot de voeten te beven en het was mij alsof ik sterven zou als ik hem daar niet aantrof. Sommige belijders kunnen er zich over verwonderen, dat een kind van God het ene uur zo sterk zijn kan als een reus en het andere uur zo zwak en hulpeloos als een worm, ja als een riet, dat heen en weer bewogen wordt.

Maar David kende hier ook iets van : "Ik zei in mijn voorspoed, ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Want, Heere, Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet, maar toen Gij Uw aangezicht verborg, werd ik verschrikt". Ps. 30 : 7, 8. De goede oude dichter Hart wist dit ook, anders had hij het nooit zo juist kunnen uitdrukken:

Maar als Hij deez' bezoeken staakt,
Schoon niet geheel ontbloot,
'k Verkeer toch in de nood;
Mijn vriend is 't die mij vrolijk maakt;
En zijn afwezigheid
Is mijne zielsdroefheid.
Dan keer 'k in mijn gevangenis,
Alwaar 'k beween mijn staat"
Daar Hij Zich niet uitlaat;

'k Ben moe, 'k bezwijk van droefenis,
Mijn ziels-onvruchtbaarheid
Is Zijn' afwezigheid.
Dat Uw bezoeken meerder zij,
Of wel van langer duur,
Verlos mij uit dit uur
Van 't ongeloof. Wees Gij nabij;
Want 'k kan niets zonder U,
Maak haast, vertoon U nu".

En mijn ziel weet het ook zeer wel.

O, lichaam en ziel beefden toen de wagen voor de deur van mijn vriend Doudney stil hield, want ik vreesde, dat de jongen er niet zijn zou. Ik ging binnen en zonder enig compliment hoegenaamd riep ik uit: "Hebt gij mijn kind gezien? Is mijn kind hier?" Zij beantwoordden mijn vraag echter niet, want zij schenen door mijn komst geheel overrompeld; alleen vroegen zij mij te gaan zitten. Doch ik schreeuwde uit: "Is mijn kind hier? Als hij niet hier is, moet ik dadelijk heengaan, want ik kan niet rusten totdat ik hem gevonden heb". Zij lachten en zeiden mij eens achter mij in de hoek te kijken. Ik keerde mij om en daar zat mijn lieve jongen. O, ik dacht, dat ik zou bezweken hebben! De gewaarwordingen mijner ziel laten zich niet beschrijven, maar ik geloof, dat er geen wang droog was van allen, die in de kamer waren. O, ik had moeite om hem niet in mijn armen op te nemen en ik kon niet anders dan mijn God loven en prijzen, dat Hij mij op de rechte weg had willen leiden. Ik denk, dat wij tussen de tachtig en negentig mijlen hadden afgelegd en ik geloof niet, dat wij honderd meter gegaan waren van de weg die de jongen met zijn voeten betreden had; uitgenomen alleen de tien laatste mijlen naar Portsmouth.

O, wat een nacht bracht ik door van enkel verwondering, van lof en aanbidding tot mijn God! Ik ging naar bed en hoe dierbaar kwam die zoete belofte wederom in mijn ziel, de belofte die mijn ziel in hoop onderschraagd had spoedig nadat wij Trowbridge verlaten hadden: "En ziet, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal waar gij henen trekken zult en Ik zal u wederbrengen in dit zelfde land; want Ik zal u niet verlaten". Gen. 28 : 15. En o, hoe aangenaam werden deze woorden achtervolgd door de vraag: "Is er enig ding van al hetgeen de Heere gezegd heeft ter aarde gevallen?" En mijn ziel moest uitroepen: "Neen, niets Heere, het is allemaal gekomen".

Ik was zo verslonden in de goedertierenheid en heerlijkheid van God, dat ik geen slaap kreeg. De vier laatste nachten had ik niet kunnen rusten vanwege de droefheid mijns harten en nu kon ik niet slapen vanwege deszelfs blijdschap. Tegen de morgen echter geraakte ik nog een ogenblik in slaap en toen ik ontwaakte, kon ik mij geen voorstelling maken welke dag het nu eigenlijk was. Ik scheen voor een poosje geheel in de war te zijn, want ik kon niet vertellen waar ik was. Ten slotte viel het mij in, dat ik te Portsmouth was en dat op Zondagmorgen.

"O", riep ik uit, "wat zullen ze nu in Trowbridge aanvangen? Want zij hebben er niemand die voor hen kan voorgaan in de Naam des Heeren. En arme mensen, zij weten niet eens waar ik ben". Want ik had geen tijd gehad om bericht te doen, ja had zelfs niet eens aan huis gedacht, zozeer waren al mijn gedachten op de jongen gezet geweest. Maar hoe krachtig daalden daarop deze woorden in mijn ziel: "En Hij moest door Samaria gaan". Joh. 4 : 4.

"Heere", riep ik uit, "Ik heb de weinige schapen in de wildernis achtergelaten en ben het verlorene nagegaan en heb het gevonden, hebt Gij hier nog een verloren schaap, waarvoor het vindenstijd is? Hebt Gij mij hierheen gezonden om enige van Uw arme schapen op te halen?"

En Hij antwoordde wederom: "En Hij moest door Samaria gaan".

Het gelukte mijn vriend Doudney een kapel te vinden, waar ik des avonds prediken zou en de woorden, die mij onder de aandacht kwamen om uit te prediken waren Psalm 147 : 2 : "Hij vergadert Israëls verdrevenen". En waarlijk, ik geloof, dat het een goede tijd was voor sommige verdrevenen, die aldaar waren.

Naar ik mij herinner kwam er des Maandagsmorgens iemand naar de woning van mijn vriend Doudney en vertelde mij, dat hij mij goed nieuws mededelen kon. Zijn vrouw had al enige tijd in grote benauwdheid verkeerd, zo zelfs, dat zij ten einde raad gekomen, het als een verloren zaak voor haar ziel had opgegeven. Een poosje geleden echter droomde zij een zeer opmerkelijke droom. Zoveel ik mij kon herinneren was dit haar droom : Zij stond aan het zeestrand in de vreselijkste storm, die zij ooit beleefd had en zij verwachtte elk ogenblik door de zee verzwolgen te zullen worden. Nooit had zij zulk een woeste zee gezien. Maar weldra bemerkte zij een man, wandelend op de baren der zee, die recht naar haar toe kwam en haar zei: "De Heere zal spoedig komen en u verlossen".

De indruk die zij van deze droom behield was zo krachtig, dat zij zei: "Indien ik ooit van mijn leven deze man zie, zal ik hem herkennen, al is het onder honderd personen".

"Eer gij in de kapel kwam", vervolgde de man, "hadden wij al plaats genomen en toen gij de trappen van de predikstoel beklom, fluisterde zij tot mij : "Dat is de man die ik in mijn droom gezien heb". En waarlijk, de Heere heeft haar ziel in vrijheid gesteld, zodat zij Hem sindsdien kan loven en prijzen".

Het verhalen van deze gebeurtenis maakte een diepe indruk op mij en ik stond verbaasd over de wonderdoende hand Gods. Want inderdaad, ik was naar Portsmouth gekomen, dat bij ogenblikken mijn gemoed was als een beroerde zee.

Des Maandagsavonds moest ik in een andere kapel prediken en ik geloof, dat de Heere Zich aldaar vertegenwoordigde, want het was een zoete tijd voor mijn eigen ziel en ook voor sommigen van het volk, want zij schenen geheel verlevendigd. Toen ik van de predikstoel in de consistoriekamer kwam, zei de een dit, de ander wat anders, maar een persoon riep luid genoeg, dat ik het horen kon: "Als uw zoon weer wegloopt, zeg hem dat hij naar Portsmouth komt".

Inderdaad, het was een aangename avond. Des morgens namen ik en de jongen de wagen en kwamen des avonds veilig thuis aan, tot verheuging en blijdschap van het huisgezin en de vrienden.

Maar enigen vonden het zeer dwaas van mij, om zoveel geld te besteden met door het land te zwerven achter zo'n kwajongen. Maar ik oordeelde er geheel anders over, want ik gevoelde niet de minste beschuldiging over hetgeen ik gedaan had, juist tegenovergesteld. Ik had blijdschap en vrede, want ik bevond dat de goede hand Gods mij geleid had en mij in vrede had doen wederkeren.

Naar ik mij herinner had ik nog twee of drie schellingen overgehouden van de tien pond, die ik geleend had en in mijn hart dankte ik er God voor, dat ik er mee toegekomen was.

De week die daarop volgde, het was in de lente van het jaar 1832, moest ik naar Abingdon, in Berkshire, om te prediken bij de opening van de nieuwe kapel, die mijn geachte broeder en vriend Dominee Tiptaft gebouwd had. Ik herinner mij, dat ik twee pond leende om op reis te gaan. Mijn reis was zeer aangenaam, want ik was de indruk van de goedertierenheid van God, mij betoond toen ik mijn jongen naging, nog niet geheel kwijt.

Des morgens predikte ik in de kapel en moest des avonds weer prediken, daarom ging ik des middags niet op.

Vóór wij naar bed gingen, zei Dominee Tiptaft mij, dat er in de namiddagdienst een collecte voor mij gehouden was. Hierover stond ik verwonderd, want van zoiets had ik nooit gehoord, en naar hij mij zei, had deze tien pond opgebracht.

"O", zei ik vol verbazing, "dit maakt net de tien pond effen die ik heb moeten lenen om mijn jongen op te sporen en dan zijn er nog enige schellingen over".

O, wat had ik een aangenaam uur op mijn bed in het beschouwen van de tedere bemoeienissen van God. Het was te groot voor zo'n nietige worm als ik was, toen ik daarop zag.

Des morgens vóór ik vertrok, gaf Dominee Tiptaft mij nog vijf pond. Gaarne had ik die willen weigeren, doch hij stond er op, dat ik ze zou aannemen en hij zei, dat hij ze blijmoedig geven kon en hoopte, dat de zegen des Heeren op mij rusten zou.

Ik kwam thuis, zo vol van de zegen des Heeren als mijn ziel maar dragen kon. Toen had ik geld om de twaalf pond die ik geleend had terug te geven en nog drie pond over. O, wat een goede God is onze God! Waarlijk,het vee op duizend bergen is het Zijne; de harten van alle mensenkinderen zijn in Zijn hand; en al het goud en zilver is ter Zijner beschikking. Dit heeft mijn ziel veel honderd malen gezien en ondervonden.

Ik verwachtte nu dat mijn jongen wel voor altijd genezen zou zijn om nog weg te lopen, en voortdurend trachtte ik hem een indruk te geven van het snode van zijn ouders ongehoorzaam zijn en welk een vreselijk einde dit ten gevolge zou hebben. Ik was overtuigd, dat hij niet ontbloot was van gemene overtuigingen en ik hoopte ook dat mijn raad het gewenste gevolg hebben zou.

Maar helaas! helaas!

Ik bevond dat een machtiger stem dan de mijne er aan te pas komen moest, zou het hem tot waarachtig nut gedijen.

Nadien liep hij nog vier keer weg en dat uit een goede positie, enkel uit lust om het land door te zwerven. Dit was voor mij en mijn huisgezin tot een onuitsprekelijke smart en droefheid. De vijfde keer echter, zette de kroon op alles. Soms kon ik niet anders denken dan dat het mijn dood ten gevolge zou hebben en dan weer droeg ik de gezegende getuigenissen met mij mee, dat het zou uitlopen tot mijn troost en zijn eeuwige zaligheid. Want gedurende jaren had ik een krachtige indruk in mijn gemoed, dat hij een vat der genade was, tevoren bereid tot de heerlijkheid, en ik heb het mogen beleven dat deze indrukken van God zijn geweest.

De laatste keer toen hij wegliep, was hij bij zijn oom in het Noorden van Engeland en paste hij goed op.

Maar zoals het vroeger met hem gesteld was geweest, zo was het ook hier; met een goede betrekking scheen hij niets op te hebben. Waar hij op gebrand was, was het land door te zwerven en dat meestal met weinig om het lijf en bijna niets in de maag. De laatste keer dat hij wegliep, was ik van huis, maar de tijding bereikte mij, dat Jan zijn oom verlaten had en door Trowbridge gekomen was, alwaar hij zijn zuster had medegedeeld, dat hij vastbesloten was om nooit meer te Trowbridge te komen. Hij had zich voorgenomen op zee te gaan varen en dat hij dus geen van hen allen ooit weer zou zien.

Dit bericht was mij als een donderslag in mijn ziel. O, wat riep ik tot de Heere: "O, Heere, ondersteun mij, sterk mij door de kracht van Uw Geest naar de inwendige mens. O, Heere, bewaar mij bij mijn verstand".

En geloofd zij de Heere, Hij gaf mij kracht, dag voor dag, doch niet meer. Zijn belofte kan nooit feilen: "IJzer en koper zal onder uw schoen zijn; en uw sterkte gelijk uw dagen". Deut. 33 :25. En zo bevond ik het.

Toen ik thuis kwam, was mij alles droefenis en smart, want de jongen was heengegaan, ten volle besloten de weg van het verderf te lopen; en o, hoe klaar zag ik, dat alleen God hem kon staande houden. Ook als ik hem weer naging en hem vond, kon ik toch zijn hart niet veranderen, want dit was alleen Gods werk en niet het mijne. En o, wat een kracht en sterkte ontving ik uit deze tekst: "Werpt uw zorg op de Heere, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele". Ps. 55 : 23.

Wat ondersteunde dit woord mijn arme belaste ziel! En hoe gemakkelijk viel het mij de jongen in de hand van God over te geven, van die God, Wien engelen, mensen en duivelen ten dienste staan en Die het "tot hiertoe en niet verder" heeft vastgesteld. O, wat ondervond ik een zielsgemak! Want ik had hem voorheen nooit geheel kunnen overlaten in Gods hand. Herhaaldelijk reeds had ik het hoofdstuk gelezen en ook uit alle krachten gepoogd deze last op de Heere te werpen; doch ik bevond het een geheel andere zaak te zijn als de dierbare Vertrooster dit woord tot mijn ziel sprak, want toen drupte het als de regen en vloeide als de dauw.

Mijn ziel heeft er van gewalgd als ik arme, blinde, verharde, vermetele, ledige belijders der godsdienst, de arme, ternedergedrukte, belaste kinderen van God heb horen toevoegen: "Waarom grijpt gij niet de beloften aan? Waarom werpt gij niet uw zorgen op de Heere? Onteert een vriendelijk God niet door uw ongeloof".

Arme blinde schepselen, zij weten er niets van af wat het is als de beloften worden toegepast, en zijn vreemdelingen in de bevinding van hetgeen Paulus zegt: "Het is God die in u werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen". Phil. 2:13.

En zo is mijn zielservaring altijd geweest, want als de Heere voor mij uitging, kon ik volgen en als Hij mij ondersteunde kon ik staan. Als Hij mij geloof schonk, kon ik geloven; als Hij met mijn geest getuigde dat ik de Zijne was, dan kon ik zeggen: Abba, Vader. Als Zijn tegenwoordigheid mijn vijanden deed vlieden, dan kon ik uitroepen: "Victorie". Ja, ik kan alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft; maar zonder Hem kan ik niet verder en noch mensen noch duivelen kunnen mij bewegen, ik kan niets doen.

Het doet er niet toe welk een vrijheid, blijdschap, vrede of vertrouwen ik genoten heb, als God mij overlaat aan de duivel en aan mijzelf, dan ontwaar ik niets in mij dan aardse, vleselijke en duivelse dingen. Van harte onderschrijf ik de Waarheid: "dat in mij, dat is in mijn vlees geen goed woont". En ik ben er van overtuigd dat een ieder die van God onderwezen is, dit mede zal onderschrijven.

O, welk een zoetheid ondervond ik er in de jongen te stellen in de hand van Hem, Die de sleutelen draagt der hel en des doods; en hoe dierbaar drupte dit woord in mijn ziel: "Tot hiertoe en niet verder".

Ik zag dat noch duivel noch zonde ooit Gods eeuwig besluit zou kunnen te niet doen, hetzij in de weg der Voorzienigheid of in de genade, en duidelijk zag ik dat de jongen niet verder gaan kon, dan God had bepaald. Hoe zoet vloeiden er twee versjes van Kent's gezangen in mijn ziel; zij vloeiden als honig uit de rotssteen en bevestigden in mijn hart dat de jongen niettegenstaande zijn zondige weg, een van Gods uitverkorenen was:

Er is bij God bepaald een tijd,
Dat Zijn arm schaap door bloed bevrijd,
Verlaten zal de weg der hel,
En tot de schaapskooi komen zal.

In vree met hel, met God in strijd,
Op 't zondenpad zwerft het zeer wijd,
Volvoert zijn lust en gaat gewis
Zo ver van God als 't mogelijk is.

Ik was overtuigd, dat hij er een was van de gekochte schapen, welke Christus heeft gekocht door Zijn eigen bloed. Van dit ogenblik moest mijn ziel dag bij dag uitroepen: "O, Heere, werp de duivel uit het hart van de jongen; laat hem niet regeren, maar keer Gij Zelf in zijn ziel en neem daarvan bezit als Uw paleis".

De oude duivel brulde geweldig hiertegen en als de Heere mij een ogenblik verliet, dreigde hij wraak tegen mij te zullen nemen, als ik mijn mond niet dicht hield. Maar ik bleef uitschreeuwen: "Werp hem uit, Heere; werp hem uit, Heere". Doch het beliefde de Heere Zijn aangezicht voor mij te verbergen en toen kwam de vijand weer.

Hij schilderde mij voor ogen, dat de Heere de jongen aan hem had overgegeven en hij bezit genomen had; dat hij nu onbezonnen in de zonde zou voortgaan, totdat hij in de hel neerstortte.

Doch dit was een vernieuwde aansporing tot gebed. En o, wat worstelde mijn ziel, totdat bij tijden ziel en lichaam in doodsnood verkeerden en dan wel kwamen deze woorden gelijk een zwaard door mijn ziel : "Bidt niet voor dit volk".

Ik dacht, dat ik zo diep zou nederzinken, dat ik nooit weer zou kunnen opstaan. En zo zou het mij gegaan zijn, had God mij niet een weinig bemoediging doen toekomen, en dit ook op zo'n ogenblik even, als bij de Cananese vrouw, die tot Christus kwam voor haar dochter.

O, wat had ik daaruit een bemoediging! "Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten". Matth. 15 :22.

Wat riep mijn ziel bij herhaling uit: "O, Heere, Gij hoorde en beantwoordde het geroep van die vrouw voor haar arm kind, dat een duivel had en zult Gij mijn verzoek afslaan, dat ik doe voor mijn arme jongen, die door de duivel wordt voortgesleept van de ene zonde tot de andere? Lieve Heere, ik moet voor U belijden dat ik maar een hond ben, maar laat mij toch enige kruimkens oplezen onder de tafel".

En geloofd zij de naam des Heeren! Hij liet enige kruimels van de tafel vallen, die mijn ziel goed deden; want Hij fluisterde deze woorden in mijn hart: "God is geen aannemer des persoons. Maar in allen volke die Hem vreest en gerechtigheid werkt is Hem aangenaam". Hand. 10: 34, 35.

O, mijn ziel aanbad Hem en dankte Hem dat Hij zo'n dode hond niet versmaden wilde!

In mijn gemoed waste ik Zijn gezegende voeten met mijn tranen en droogde ze af met het haar van mijn hoofd. Hoe dierbaar vloeiden deze woorden in mijn hart: "Die met tranen zaaien zullen met gejuich maaien". Psalm 126: 5. "Wacht op de Heere en zijt sterk en Hij zal ulieder hart versterken; ja, wacht op de Heere". Ps. 27 :14.

En ik bevond het goed te hopen en te wachten op het heil des Heeren. "Want het gericht zal nog voor een bestemde tijd zijn, indien Hij vertoeft, verbeidt Hem want Hij zal gewis komen en niet achterblijven". En ik was er zo vast van overtuigd als van mijn eigen bestaan, dat de jongen tot kennis der Waarheid zou gebracht worden. Hoe aangenaam kwam dat zoete lied van Kent wederom in mijn ziel, in het bijzonder de twee laatste versjes. En ik zong ze met hart en mond. Mijn hoofd en hart en handen bogen voor Zijn gezegende Majesteit neder en zeiden: "Uwe is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen, ja amen"; zo zij het.

Dit was mij een dierbare bemoediging. In deze toestand verkeerde ik ongeveer drie weken, dan er op, dan er onder, en gedurende die tijd kreeg ik geen enkel bericht waar de jongen zich bevond. Het eerste bericht dat mij bereikte was, dat hij door Taunton gegaan was op weg naar Exeter en dat hij een nacht had doorgebracht bij een vriend van mij te Taunton. Daar hadden zij gedaan zoveel in hun vermogen was om hem te overreden naar huis terug te keren, doch tevergeefs, want hij was ten volle besloten nooit weer thuis te komen.

O! Zodra ik dit hoorde, beefde ik vreselijk en de duivel kwam met wel tien malen meer woede dan vroeger op mij aan.

"Nu", zei hij, "waar zijn uw gebeden? Waar is uw vertrouwen dat hij een vat der barmhartigheid is? Zie hoe hij voortgaat zijn beker vol te maken en als hij vol is, zal hij worden neergehouwen en de hel zal zijn deel zijn'.

O, wat beroerde mij deze tekst : "Ziet gij verachters, verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk hetwelk gij niet zult geloven, schoon het u iemand verhaalt". Hand. 13:41.

Ik schudde en beefde er van als een blad, mijn buik werd beroerd, mijn lippen beefden en ik waggelde als een dronken man en was ten einde raad. Daarop volgden deze woorden, die ik dacht, dat mijn dood ten gevolge zouden hebben gehad: "Een man, die dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezing aan zij". Spr. 29 : 1.'

Of ik gedurende een korte tijd niet of wel bij zinnen was, weet ik niet, maar ik was in mijn zomerprieeltje in de tuin en dacht dat ik niet in huis zou kunnen komen, Ten laatste kwam ik in mijn kamer, maar ik schudde als een blad van het hoofd tot de voeten.

"O", riep ik uit, "ik heb mij bedrogen ten opzichte van hetgeen ik geloofde dat antwoorden waren op mijn gebeden, die ik voor de jongen deed; ik moet ook bedrogen zijn in de zaligheid van mijn eigen ziel". Ik gevoelde mij ten enenmale wegzinken in twijfelmoedigheid. Met siddering nam ik de Bijbel en uit mijn hart ging een oprechte en innige zucht op tot de Heere: "O, Heere, als het bestaanbaar is met Uw souverein welbehagen, laat mij een kruimke oplezen. O, Heere, al is het maar een kruimke en mijn ziel zal er U voor loven".

Tenslotte waagde ik het het boek te openen en de plaats waar ik het opende was het 11e hoofdstuk van Jesaja. O, wat een heerlijkheid en grootheid ontdekte ik bij het lezen van de drie eerste verzen. Mijn ziel was voor enige minuten zo overweldigd door de lofwaardigheden van Christus, dat ik de jongen geheel kwijt was en ook alles wat er onder de zon is. Ik was geheel verslonden in de eer en heerlijkheid van Christus. Toen ik aan het vierde vers kwam ging mijn ziel in lof en dank tot Hem uit en zij smolt onder het lezen daarvan weg: "Maar Hij zal de arme met gerechtigheid richten en de zachtmoedige met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddelozen doden. Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn, ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn". Vers 4, 5.

"O", riep mijn ziel uit, "zou er iets voor de Heere te wonderlijk zijn?" Maar toen ik kwam tot het zesde en zevende vers, dacht ik bezweken te zullen zijn : "En de wolf zal met het lam verkeren en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen en een klein jongske zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, hun jongen zullen tezamen nederliggen en de leeuw zal stro eten gelijk de os".

O, mijn ziel huppelde van vreugde en riep uit: "Vijf malen dat God zegt "zal", dit is zo vast als de eeuwigdurende heuvelen, en die nooit zullen verbroken worden". Mijn ziel dankte en aanbad Hem, en deze woorden kwamen met aangenaamheid in mijn ziel: "Uw gebeden zijn tot gedachtenis opgekomen voor Mij". "Ik zal de luipaard doen wederkeren en hij zal hartelijk verblijd zijn met de geitenbok neder te liggen en een klein jongske zal hem leiden".

Ik was er vast van overtuigd, dat God de jongen thuis brengen zou, gekleed en wel bij zijn verstand en smekende om genade. O, ik kuste de voeten van mijn Heere, ik waste ze met mijn tranen en in mijn gemoed droogde ik ze af met het haar van mijn hoofd. Ik loofde, prees, aanbad en dankte Hem en mijn lichaam was zo krachteloos, dat ik gedurende enige minuten nauwelijks wist of ik in of buiten het lichaam was. O, wat riep mijn ziel uit: "Verblijdt u niet over mij, o mijn vijandinne, wanneer ik gevallen ben zal ik wederom opstaan, wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn". Micha 7 : 8.

De liegende duivel, hij had de vlucht genomen; en zijn helse bende van binnen had het hazenpad gekozen en niet een er van durfde de kop opsteken zolang hun meester er niet was. Waarlijk, ik had geen genade voor de liegende duivel, maar ik zette mijn voet op zijn nek en riep: "Gave God, dat ik u onmiddellijk doden kon!"

In deze toestand verkeerde ik ongeveer een veertien dagen, steunende op de Heere en wachtende en uitziende op Zijn goede hand.

Toen bracht de postbode mij een brief van de jongen, waarin hij mij mededeelde, dat hij soldaat was in de kazernes te Plymouth, dat hij nacht en dag verkeerde in de angsten der hel en dat de hel van beneden ontroerd was om hem te ontvangen.

O, mijn ziel smolt er onder en ik riep uit: "Hij wordt er toe gebracht om met het lam te verkeren, en de luipaard is gewillig om met de geitenbok neder te liggen!"

Ik schreef hem een brief met een hart vol van liefde en deelde hem daarin mede, dat als de Heere hem werkelijk deed walgen van zijn boze wegen en hij lust gevoelde naar huis te komen, ik hem dan wilde vrijkopen.

Met dezelfde post schreef ik een briefje aan Dominee Triggs, van wie ik, ofschoon ik hem niet persoonlijk kende, toch dikwijls gehoord had, dat hij een knecht des Heeren was en de waarheid predikte. Ik omschreef in mijn brief de omstandigheden die mij noopten aan hem te schrijven en verzocht hem mij de gunst te willen bewijzen voor mij naar de kazerne te gaan om de jongen te bezoeken. Tevens of hij mij wilde berichten wat hij van hem dacht en of hij in waarheid gebracht was om de dwaling zijns weg in te zien en er een hartelijke afkeer van had gekregen. En dit is een afschrift van de brief van Dominee Triggs, die hij mij zond als antwoord op mijn schrijven. O, wat deed dit mijn ziel goed:

"Geachte Broeder en medegenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus: Genade zij u en vrede en liefde worde u vermenigvuldigd van God onze Vader en de Heere Jezus Christus, de Zoon des Vaders in waarheid en liefde.

Ik ontving uw schrijven op Maandagavond en de inhoud daarvan vervulde mijn hart met droefheid. Ik was genoodzaakt voor de Heere uit te wenen om uwentwil, want ik heb ook kinderen over welke mijn ingewanden rommelen. Ik bevind het evenals u, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. En daar wij reeds door menige verdrukking zijn heengegaan en de Heere ons tot hiertoe geholpen heeft, zo geeft dit ons waarlijk een vertrouwen in Hem, de getrouwe God, dat wat Hij beloofd heeft, Hij ook zal vervullen: "Ik zal u niet begeven noch verlaten". Ik zie, dat de heiligen van het Oude Testament het pad betreden hebben, waarop gij geweest zijt en ik zelf ben er ook geen vreemdeling van, namelijk grote en diepe beproevingen ten opzichte van hun kinderen. Beschouw eens de goede oude Jakob, in welke grote en zware moeiten geraakte hij! Hij dacht dat het zijn dood ten gevolge zou gehad hebben, toen hij hoorde, dat zijn dochter verontreinigd geworden was en zijn zonen dit met moord en doodslag gewroken hadden. Maar de Heere zijn God was met hem en ontmoette hem spoedig daarop te Bethel, en er staat geschreven : "Welgelukzalig is hij, die de God Jacobs tot zijn hulp heeft, wiens vertrouwen is in de Heere zijn God". Zie ook naar David, met zijn goddeloze Absalom en de smart die deze hem aandeed, toch was dit de genade Gods over hem en mocht zij ook de onze zijn, "dat de Heere een eeuwigdurend Verbond met hem gemaakt had in alle dingen wel geordineerden bewaard; daarin was al zijn heil en al zijn lust". Wij zijn arme, kortzichtige schepselen en in de weg der verdrukking al ras geneigd om te zeggen : "al deze dingen zijn tegen mij". Doch daarna bevinden wij, dat dezelfde verdrukking in de hand des Heeren een deeltje is van "alle dingen" die ons medewerken ten goede en ik verwacht ten volle, dat mijn arme beproefde en bedroefde broeder het zo zal ondervinden ook in dit geval, ten opzichte van zijn verloren zoon.

Overeenkomstig uw verzoek ging ik gisteren (Dinsdag) morgen naar de citadel en deed onderzoek naar uw zoon, maar hij was op exercitie. Ik wachtte dus tot hij klaar was en toen ontmoette ik hem en maakte mij aan hem bekend. Voorts zei ik dat ik een brief ontvangen had van zijn vader en dat ik wenste eens met hem te spreken. Hij zei mij toen, dat hij geen tijd had, want dat hij zich moest klaar maken voor een parade. Ik gaf hem dus mijn naam en adres op en verzocht hem mij eens te willen bezoeken. Hieraan voldeed hij gisterenavond tegen zes uur. Wat ik uit deze samenspreking ben te weten gekomen is, dat er werkelijk een grote verandering ten goede bij hem heeft plaats gegrepen. Ik vroeg hem of hij in zijn oude wegen van zonde en wederspannigheid dacht voort te gaan, waarop hij antwoordde, dat hij dit niet kon doen. "Enige weken geleden", zo ging hij voort, "werden mijn gehele achterliggend leven en zondige daden mij voor ogen gebracht, daarbij de kortheid van de tijd en de ellendige toestand waarin ik mij bevond voor de eeuwigheid. Ik trachtte deze gewaarwordingen te smoren door in gezelschappen te gaan, maar zij behielden altijd de overhand. Nu ben ik volkomen ellendig en ik denk, dat er geen genade voor mij is. Mijn kameraden omringen mij voortdurend en hun vuile gesprekken, hun vloeken en zweren, maakt de kazernekamer tot een volmaakte hel voor mij en hetzelfde bevind ik ook binnen in mijn hart. Nu zoek ik het in het afgetrokkene en kan geen troost vinden".

Daarop zei ik hem, dat mijn deur voor hem openstond en dat ik hem beminde, ter wille van zijn vader, ook dat ik alles voor hem wilde doen wat in mijn vermogen was om hem te troosten. Wie weet? Nu heb ik u een beknopt overzicht gegeven van de omstandigheden, waarin hij verkeert. Hij zei mij ook, dat hij per kerende post een brief aan u geschreven had. Ik hoop, dat dit mijn broeder een weinigje troost zal verschaffen in zijn droefheid. En moge het zijn, dat de Heere zijn lieve Jan wil terugbrengen tot de boezem van zijn vader met de overtuiging, dat hij een vat der barmhartigheid is, te voren bereid tot de heerlijkheid en dan zal dit u meer dan vergoeden voor al de smart, die hij u berokkend heeft. Schep moed, mijn broeder, er is hoop in Israël dezen aangaande, zodat gij hem zult ontvangen als uw eigen ingewanden. Ik ontmoette de adjudant en een van de sergeants en zij spraken met veel lof over het goede gedrag en de gematigdheid van uw lieve Jan en dat hij zich net gedragen had sedert hij in het regiment was, ja, dat hij hun achting had verworven en goed oppaste. Ik was blij dit getuigenis te horen en ik twijfel niet of gij zult het ook zijn. Jan zei dat hij in zo'n hel niet leven kan. Nu, waarde broeder, ik ben bereid voor u te handelen zoals het u gepast voorkomt. Als gij hem wenst vrij te kopen, zal ik voor u naar de commandant gaan en vragen welk bedrag daarvoor vereist is, hoe het moet betaald worden, waar en wanneer. Want ik heb een verlangen om hem daaruit te verlossen en zal het mij een eer rekenen in staat gesteld te worden voor u iets te kunnen doen in deze uw ongelegenheden. Doe mijn groeten aan uw vrouw en zeg haar moed te houden en dat zij zich kan verheugen, dat haar jongste zoon uit God geboren is. Mijn groeten in de Heere aan diegenen onder welke gij arbeidt, die onze Heere Jezus Christus liefhebben in oprechtheid en waarheid. De goedertieren en ontfermende God zegene en vertrooste u en ondersteune u onder al uw moeiten en droefenissen, wetend, dat zij spoedig zullen voorbijgegaan zijn, dat de smarten zullen achterblijven en de aarde zal verruild worden voor de hemel. De belofte is vast voor al het zaad en onze God verandert niet.

De uwe in de dierbare Heere Jezus, A. TRIGGS.

Nooit zal ik vergeten welk een vertedering des harten ik had toen ik deze brief las. Ik moest hem drie of vier malen uit de handen leggen voor ik hem geheel gelezen had. In mijn gehele leven was mijn hart bij het lezen van een brief nooit zo verbroken geweest en van mijn vrouw en twee dochters die thuis waren, weet ik niet wie van hen het meest weende.

O, de vriendelijkheid, de liefde en de deelneming die mijn lieve broeder Triggs betoonde aan zo'n onwaardige! Ik gevoelde mijn ziel in een ogenblik aan hem verbonden en wij waren één van geest. Vele malen heeft mijn ziel de beste der zegeningen afgesmeekt over hem en zijn huisgezin. Zodra wij in de gelegenheid waren zorgden wij, dat hij vrij kwam en de verloren zoon keerde in ons huis terug, waar hij hartelijk werd ontvangen. Spoedig bevond ik, dat het werk van God was en dat de leeuw met het lam kon nederliggen en dat een kleine jongen hem drijven kon.

Arm schepsel! Gedurende weken nadat hij thuisgekomen was, werd hij gekastijd uit de wet Gods, maar op Zijn eigen tijd verbrak de Heere uit tedere barmhartigheid zijn banden en deed hem horen en ondervinden de blijde boodschap van vrije en volkomen vergiffenis van al zijn vervloekte gruwelen door de toepassing van Christus dierbaar bloed aan zijn ziel.

Toen wist hij wat het was te zingen met verheuging en blijdschap des harten : "Loof de Heere mijn ziel en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam. Loof de Heere mijn ziel en vergeet geen van Zijn weldaden. Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest. Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden". Ps. 103 : 1 - 4.

O, wat verheugde zich mijn ziel en wat dankte en aanbad ik mijn God, toen ik de blijde tijding vernam, dat God hem vrede en vergiffenis geschonken had. Gedurende een korte tijd bewandelde hij zijn weg met blijdschap.

Op de 29ste April werd hij tegelijk met enige anderen door mij gedoopt en het was voor mij en vele anderen waarlijk een aandoenlijk ogenblik. Ik geloof, dat er onder de bijna negenhonderd mensen die aanwezig waren, slechts weinigen droge wangen hadden en tot op deze dag ben ik volkomen overtuigd, dat het Gods werk is in hem.

O, de wonderdoende hand van God, voor zulk een worm als ik ben! Ik geloof niet, dat ik ooit pijnlijker droefheid gehad heb, noch zwaarder strijd met de duivel, of dat ik ooit zo diep in twijfelmoedigheid ben nedergezonken geweest, maar ook nooit in mijn gehele leven ben ik zo vervoerd geweest door blijdschap en heb ik klaarder ontdekkingen ontvangen, dat de Heere mijn gebeden verhoord had.

Wat een God van wonderen is onze God!

Hij kan, wat wij vrezen de grootste vloek voor ons te zullen zijn, veranderen in de grootste zegen, Hij verkeert de onvruchtbare woestijn in een vruchtbaar veld, een kerker in een paleis, een smartelijke en droeve nacht in een vrolijke morgen, een dreigend afwijzen in een vriendelijke toelaching, gebrek en honger lijden in een feestmaal.

Als de dierbare Vertrooster ze bij ogenblikken te binnen brengt, moet ik gedenken aan de wonderdaden van God, Die dit alles heeft doen medewerken ten goede voor mijn eigen ziel en tot eeuwige zaligheid van de jongen. Dit toch zet de kroon op alles en mijn ziel heeft vele malen sedert de jongen thuis gekomen is opgezongen: "Kroon Hem, kroon Hem, Heere van alles".

O, wat ligt er een aangenaamheid in als wij Hem de heerlijkheid geven kunnen. Ik kon er niet van buiten of keer op keer moest ik uitbreken en met de dichter uitgalmen (Gezang 410 naar de verzameling van Gadsby):

" 'k Zing met een hart bereid tot lof,
Aan God, mijn losser. Uit het stof
Klink' met Zijn volk, tot roem Zijns Naams:
Mijn Jezus heeft 't al welgedaan".

"Hoe souverein, wonderbaar en vrij,
Is Zijne liefde jegens mij,
Hij trok m' uit hel, tot roem Zijns Naams:
Mijn Jezus heeft 't al welgedaan".

"En sinds Hij mijn ziel deed leven,
Hoeveel weldaan mij bewezen,
Die ver mijn lof te boven gaan:
Mijn Jezus heeft 't al welgedaan".

Geloofd zij Zijn Naam, Hij kan geen onrecht doen, laat het ongeloof zeggen wat het wil. Oneindige wijsheid kan niet dwalen, ook kan onbegrensde liefde en barmhartigheid niet liefdeloos zijn. Hiervan heb ik het bewijs gedurende mijn bijna vier en twintigjarig verblijf te Trowbridge. God heeft mij gered uit al mijn moeiten, beproevingen, ellenden, smarten en droefenissen, en dat niet omdat ik zo oprecht, waakzaam, nederig en gehoorzaam geweest ben, want dit zeg ik tot mijn schaamte, dat de Heere nooit ongehoorzamer schepsel in Zijn huisgezin gehad heeft.

O, hoe vele malen heb ik wel geloofd, dat ik door mijn vervloekte opstand de Heere zo zeer vertoornd had, dat Hij mij niet langer zou willen verdragen of mij voortaan nog hulp verlenen wilde; maar geloofd zij Zijn dierbare Naam! Al is het, dat wij het niet geloven kunnen, Hij blijft getrouw, Hij kan Zichzelf niet verloochenen. En zo heb ik gedurende deze vier en twintig jaren bevonden, dat de dierbare woorden waarmede ik aan Trowbridge verbonden werd, van God kwamen: "Blijf hier, want Ik heb veel volks in deze stad". "Het vee op duizend bergen is het Mijn; het goud en het zilver is het Mijne; uw brood wordt u gegeven, uw wateren zijn gewis".

Zodat ik tot roem van mijn God zeggen kan, dat Hij tot op deze dag al Zijn beloften tot in de bijzonderheden heeft vervuld. Niet één woord is er gevallen van al hetgeen Hij tot mij gesproken heeft. Het is allemaal gekomen, niettegenstaande al de tegenstand die ik ontmoet heb van mensen en duivelen. En hier ben ik, een hulpeloze worm, overtuigd van, dat het is door de verkregen hulp van God, dat ik sta tot op deze dag en tot op dit ogenblik is het mijn ervaring geweest, dat als ik geholpen werd, al mijn last op de Heere te wentelen, Hij heeft mij staande gehouden, maar als ik heb geleund op een vlesen arm, dan ben ik teleurgesteld geworden.

Ik moet nog een gebeurtenis mededelen, die mij juist voor de geest komt en die plaats greep nog voor ik begon te prediken.

Ik had een zeer weldadige vriend, die mij dikwijls in mijn nood geholpen had. Hij was iemand, die de Heere vreesde en die mij nooit een gunst geweigerd had in de tijd van nood en daarom achtte ik hem als een zeker toevluchtsoord als het er eens bijzonder op aankwam in de weg der voorzienigheid.

Op zekere dag konden wij niets krijgen vóór ik mijn werk zou hebben klaargekregen en ik ging er op uit om zeven schellingen van hem te lenen, totdat ik mijn werk geleverd had. Ik had niet de minste twijfel of hij zou ze wel willen lenen en daarbij dacht ik een aangenaam gesprek te hebben over de dingen van het Koninkrijk Gods op de koop toe. Maar toen ik bij hem kwam en er hem om vroeg, was hij zeer onhandelbaar. Hij zei mij, dat ik op hem leunde. In elk geval kon hij in zijn gemoed geen vrijheid vinden het nu te doen. O, welk een verpletterende slag was mij dit! Met mijn aan stukken gebroken ziel kroop ik als een dief het huis uit. Ik kwam in het veld en daar brulde ik het uit als een beer.

"Nu is het met u gedaan", zei de duivel, "gij hebt geen stukje brood in huis, God heeft u verlaten en de kinderen van God hebben u de rug toegekeerd. Zij toch zien er doorheen, dat gij niets zijt dan een bedriegelijke huichelaar, die er een belijdenis van godsdienst op na houdt voor een stuk brood".

Het was mij alsof ik in de wanhoop neerzonk.

"O Heere", riep mijn ziel uit, "Ik weet niet wat ik doen moet".

En o hoe zoet en heerlijk klonken deze woorden in mijn hart: "Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden." Joh. 21:6.

Ik zakte neder op mijn knieën en riep uit: "Lieve Heere, wat een dwaas ben ik! Ik heb het net aan de verkeerde zijde uitgeworpen. Wel, lieve Heere, ik zie dat Gij de rechterzijde zijt". Hoe aangenaam sprak Hij mij dan toe: "Werpt uw zorgen op de Heere en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toe laten, dat de rechtvaardige wankele". Psalm 55:23.

O, wat een gezegende vergenoeging en vrede ontwaarde ik in het leunen en vertrouwen op de Heere. Toen kon ik zingen en ik deed het ook, tot lof des Heeren; " 't Is beter tot de Heere toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen. 't Is beter tot de Heere toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen. 't Is beter tot de Heere toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen". Psalm 118 : 8, 9.

Als ik mij goed herinner, kwam mijn vriend een dag naderhand zijn schuld bekennen. Hij zei, dat het hem een raadsel was hoe hij zo ongevoelig had kunnen zijn om mij op zodanige wijze te onthalen. Maar ik vertelde hem, dat de oorzaak bij mijzelf lag, want dat ik het net aan de linkerzijde van het schip uitgeworpen en ook welk een gezegend onderwijs de Heere mij uit dit voorval had willen leren.

O, de vele malen, als ik in dergelijke beproevingen verkeerde, dat deze woorden aan mijn ziel zijn gezegend geworden: "Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden". Zij hebben nog nooit gemist.

En als de dierbare vertrooster mij in herinnering brengt de wonderbare vriendelijkheid die Hij ons als kerk en volk te Trowbridge, gedurende deze vier en twintig jaren bewezen heeft, dan vind ik mij genoodzaakt om uit te roepen: "Wat heeft God gewrocht!"

Want onze kapel heeft ons boven de achttien honderd pond gekost. Als ik mij niet vergis heb ik buiten onze kerk en vergadering ongeveer vijfhonderd vijf en veertig pond gecollecteerd en gedurende de laatste twee of drie jaar hadden wij nog slechts tweehonderd pond schuld. Doch dit jaar zijn wij onder onszelf tot een inschrijving overgegaan om de tweehonderd pond af te doen en daarop hebben wij nu reeds boven de honderd pond verzameld en het vooruitzicht is gunstig, dat het resterende nog dit jaar zal zijn aangezuiverd.

"Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn!"

Het is tot verbazing, wat God doen kan door de meest onwaarschijnlijke middelen! Van alles is mij echter naar het hoofd geworpen. Sommigen zelfs hebben mij nagegeven, dat ik trachtte de kapel buiten schuld te krijgen, opdat ik hem als mijn privé eigendom zou aanslaan en ik heb gehoord, dat er nog zijn die dat geloven.

Doch het grijpt mij in het geheel niet aan, wat deze arme schepselen geloven ten opzichte van mij onwaardige. Ik heb er echter net zo min eigendom aan als onze stovenzetter, nog niet eens zoveel, want hij is nog een van onze gevolmachtigden en ik niet. Ik heb dit ook nooit gewenst noch begeerd. De kapel behoort aan de gemeenschap voor altijd als een vrije bezitting, die nooit kan verkocht noch verpand worden. Ik ben er van overtuigd, dat ik te Trowbridge blijven moet zolang er enig werk daar voor mij te doen is.

Soms echter geloof ik waarlijk, dat mijn arbeid te Trowbridge is afgedaan, want het schijnt, dat ik al het volk aldaar zo dood en onvruchtbaar gepredikt heb, als ik zelf ben en ik heb wel eens gedacht, dat ze blij zouden zijn als ze mij kwijt waren. Ik heb wel eens getracht ze het te doen uitspreken of dit niet het geval was, maar vooralsnog hebben zij dit niet gedaan. En hier sta ik, na alle genoten goedertierenheden en tedere barmhartigheden van een God des Verbonds, even arm en hulpbehoevend, even zwak en onwaardig als ik ooit in mijn leven was. Een arme bedelaar, van dag tot dag afhangende van de tedere ontferming Gods, een arme zondaar, door genade verlost, die niets heeft om op te roemen, dan alleen op het kruis van onze Heere Jezus Christus. Waarlijk, het goede en de weldadigheid hebben mij gevolgd al de dagen mijns levens, tot op dit ogenblik toe.

O, hoe menigmaal heb ik wel gevreesd, dat ik nooit de dag beleven zou, dat ik uit mijn schulden zou geraken! Maar geloofd zij mijn Verbonds-God! Ik heb het mogen beleven en ondervinden, dat niet één woord is gevallen van al hetgeen Hij mij beloofd heeft en het zal ook nimmer falen. O, welke zoete ogenblikken die ik bij tijden geniet, als het de dierbare Trooster behaagt mij in herinnering te brengen de tedere bemoeienissen die Hij mij op mijn weg heeft doen ontmoeten!

Dan kan ik met vrijmoedigheid zeggen : "De Heere heeft grote dingen voor mij gedaan, dies ben ik verblijd".

Wat heb ik al vele kostelijke uurtjes doorleefd, dat ik Hem, mijn Heere, heb moeten loven en danken voor Zijn zorgende, onderhoudende, ondersteunende, beschuttende en verlossende genade en dat aan een die zo zwak en hulpeloos was, ja die ter rechter- en ter linkerzijde omringd was door vijanden die jaren achtereen zorgvuldig hebben gewacht op en uitgezien naar mijn hinken. Doch tot hiertoe heeft de Heere mij bewaard, tot kwelling van sommige andere schepselen.

Zij hebben dikwijls, zeer dikwijls in de hand van God als middelen moeten dienen om mij te zenden tot de troon der genade, met de bede of God mij onderwijzen en leiden wilde en mij bewaren in mijn uitgang en ingang. Dat mij voortdurend genade en kracht mocht geschonken worden om te kunnen handelen, wandelen en spreken, opdat niet de onbesnedenen zouden kunnen zeggen: "Aha! zo is het naar onze wens".

En geloofd zij de Heere! Hij heeft mij bewaard tot op dit ogenblik toe, ofschoon niet van het geweld hunner tong, want hierin zijn ze niet spaarzaam, maar spreken vrijuit. Evenwel bekommer ik mij hierover weinig, het is slechts een ledige klank en tot hiertoe heb ik bevonden, dat een vloek zonder oorzaak niet komen zal. Een goede consciëntie is een zoete en aangename gezellin. O, dat mijn arme ziel maar altijd moge beweldadigd worden met de vreze Gods in oefening, opdat ik moge leven en God dienen met eerbied en godvruchtigheid; want onze God is een verterend vuur. Hebr. 12:29. Opdat ik ook moge bewaard worden van mijzelf te wreken; want de Heere zegt: "Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere". Rom. 12: 19.

O, wat een zoet gezelschap is de vreze Gods! "De vreze des Heeren is, te haten het kwade, de hovaardigheid en de hoogmoed en de kwade weg". Spr. 8: 13. "In de vreze des Heeren is een sterk vertrouwen en Hij zal Zijn kinderen een toevlucht wezen". Spr. 14:26.

"De vreze des Heeren is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods". Spr. 14 : 27. "De vreze des Heeren is de tucht der wijsheid en de nederigheid gaat voor de ere". Spr. 15 : 33. "Door de vreze des Heeren wijkt men af van het kwade". Spr. 16: 6. "De vreze des Heeren is ten leven, want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwade zal men niet bezocht worden". Spr. 19 :23 - "De loon der nederigheid met de vreze des Heeren is rijk, dom en eer en leven". Spr. 22: 4. "Uw hart zij niet nijdig over de zondaren, maar zijt ten allen dage in de vreze des Heeren. Want zekerlijk, daar is een beloning en uw verwachting zal niet afgesneden worden". Spr. 23 : 17, 18.

O, mijn lieve God, vergun mij veel van deze Godsvreze in oefening in mijn ziel, opdat ik dagelijks in vreze verkeren mag van U te zullen onteren en opdat mijn consciëntie moge teder gehouden worden. O, dat ik U meer eren moge, meer beminnen moge, meer tot Uw heerlijkheid leven moge! Ik ben beschaamd en schaamrood vanwege mijn lage ondankbaarheid, mijn vervloekt ongeloof, mijn ellendig omzwerven, mijn hardheid des harten over hetgeen ik geweest ben en nog ben. En dat niettegenstaande al de goedertierenheid en tedere bemoeienissen, die Gij aan zo'n onwaardige hebt willen bewijzen.

O, laat Uw genade mij genoeg zijn, opdat ik strijden moge tegen de wereld, het vlees en de duivel; en verdrukking lijden moge als een goed dienstknecht van Jezus Christus. Opdat de wapenen mijns krijgs niet vleselijk mogen zijn, maar krachtig door God tot nederwerping der sterkten. Opdat ik moge ter neder werpen de overleggingen alle hoogte die zich verheft tegen de kennis van God en alle gedachten moge gevangen leiden tot de gehoorzaamheid Christi. 2 Corinthe 10: 4, 5.

 

DE LAATSTE DAGEN VAN DE HEER WARBURTON

VOORWOORD

De volgende getuigenis van de goedertierenheid en trouw des Heeren, bewezen aan Zijn kind en dienstknecht, wijlen de heer Warburton, in het ondersteunen en vertroosten op het ziekbed en in het schenken van een heerlijk en zalig afsterven, werd mij ter hand gesteld, teneinde ik ze voor de drukpers gereedmaken en van een kort voorwoord voorzien zou.

Mijn grote achting en toegenegenheid voor mijn verscheiden vriend, alsmede mijn diepe eerbied voor hem als een zo uitnemend dienstknecht van God, deed mij al dadelijk toestemmen dit werk der liefde ter hand te nemen. En toen mij ter ore kwam dat het werkje zou worden uitgegeven ten voordele van zijn nagelaten betrekkingen, gevoelde ik een meer dan gewone bereidwilligheid, om de hulp te bieden, die in mijn vermogen was, zelfs al zouden de werkzaamheden er aan verbonden, nog tien maal meer van mijn tijd en oplettendheid hebben gevergd. Ik acht het mij waarlijk een zeer grote eer te zijn, dat het mij vergund wordt iets te kunnen doen om der kerke Christi zulk een getuigenis ter hand te stellen, en om, zij het dan als een dienstknecht, datgene op de tafel te brengen, dat naar ik hoop voor velen van Gods lieve kinderen zijn zal een vette maaltijd, een maaltijd van reine wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen die gezuiverd zijn.

Inderdaad, het is mij een zeer gemakkelijk werk geweest, want van het begin tot aan het einde er van, heb ik nauwelijks één woord veranderd en heb aan het eenvoudig origineel niet af, of toegedaan.

De kleinste verandering zelfs te brengen in de woorden die van des mans lippen dropen, zou naar mijn opvatting, en ik geloof, ook naar die van de meeste lezers, niets minder geweest zijn dan heiligschennis. De beschrijving is zo zakelijk ineen gezet, zo bescheiden en op het doel afgaande, dat een nieuwe bewerking er van, de originele kracht en eenvoudigheid slechts schaden zou.

Als ik op mij neem de volgende bladzijden aan de Kerk van God aan te bieden, zal men mij wel willen verontschuldigen als ik enige ogenblikken ga wijden aan de beschrijving van de omstandigheden waaronder ik voor het eerst de heer Warburton leerde kennen en liefkrijgen. Daaruit moge blijken dat ik goede reden heb om dit mijn laatste en vriendelijk bewijs van achting en toegenegenheid, aan zijn nagedachtenis te doen.

Nooit zal ik vergeten het eerste onderhoud dat ik met hem had, het moge geweest zijn in het jaar 1833 of 1834. Op die tijd was ik leraar in de kerk van Engeland en beursstudent van een College te Oxford, doch woonde in een dorpje in Oxfordshire, Stadhampton genaamd. Het was een der parochiën aan mijn zorg toevertrouwd. Toen ik het eerst in Stadhampton ging wonen, in het jaar 1828, deed ik dit met het voornemen om heen en weer naar Oxford te rijden en zodoende in verbinding te blijven met de Universiteit. Ik hield daar leerlingen, terwijl ik daar ook uitzag naar de hoogste bediening in mijn college.

Echter spoedig daarop bevond ik, dat de zaken van God en die van de wereld niet tezamen gaan.

Vervolging van de zijde van de hoofden van het college werd mijn deel. Dit deed de snaar strak gespannen staan, terwijl zij eveneens het middel was, om de aangename verwachtingen die ik koesterde ten opzichte van wereldse bevordering, te verbreken. Hieruit ontstond ook in mijn gemoed een wijde gaping tussen mij en mijn vorige vrienden.

Op zekere dag, het was in het jaar 1829, toen ik op mijn paard nabij de poorten reed van de Universiteit, werd het zodanig op mijn gemoed gedrukt, dat Oxford geen plaats voor mij was, dat ik het met blijdschap de rug toekeerde en mij voorgoed te Stadhampton vestigde. Een langdurige en beproevende ziekte, in het jaar 1830, een ziekte, waarvan ik nooit ten volle hersteld ben, was het middel om mij een diepgaand gevoel te geven van mijn eigen zondigheid en om de waarheid duidelijker en ten volle voor mijn ziel te ontsluiten.

Ook de eenzaamheid van een plattelandsplaatsje, met een bijna algehele afsluiting van alle wereldse gemeenschap, gaf mij veel tijd tot gebed, tot mediteren en tot het onderzoeken der Schriften. Mijn ziel werd ook bestormd door krachtige aanvechtingen des Satans; en beproevingen en smarten van verschillende soorten ontmoette ik op mijn weg. Ik noem deze dingen niet om mij bij persoonlijke zaken op te houden, doch om te tonen, hoe ver mijn gemoed reeds bereid was, om door de slagboom van hoogmoed en vooroordeel heen te breken, eigenschappen die een lid van de Anglicaanse kerk, meer nog de geestelijke, van de Dissenter (Afgescheidene) onderscheidt. En dit deed mij verlangend uitzien om een dienstknecht van God te horen, buiten mijn eigen beknopte omgeving.

Het was dan in de loop van het jaar 1833 of 1834, dat de heer Warburton naar Abingdon kwam, om te prediken in de kapel van mijn geachte vriend Ds. Tiptaft.

Hem had ik enige jaren vroeger reeds, als een broeder geestelijke, meer van nabij leren kennen. Zijn afscheiding van de staatskerk, een paar jaar te voren, had onze vereniging in geest en hart, betreffende de dingen van Gods Koninkrijk, niet verbroken of verzwakt.

Ik ging dan naar Abingdon, een afstand van acht mijlen, om de heer Warburton te horen. Toen en ook reeds gedurende enige tijd had ik veel oefeningen in mijn gemoed, omtrent de eeuwige dingen, en ik ging op onder veel vrees en gebondenheid, betreffende mijn positie in de kerk van Engeland en de staat mijner ziel. Wat het eerste aangaat, dit begon mij zwaar te wegen en mijn ziel betreffende, ging ik onder verscheidene beproevingen, zoals ik reeds gemeld heb.

Ofschoon opgevoed in de schoot der wetenschap en bijna van kindsbeen af ingeprent dat het verkrijgen van wetenschap het beste middel was om een positie in de wereld te veroveren, had ik toch een zes of zeven jaren van te voren, doordat het gewicht der eeuwige werkelijkheden op mijn consciëntie gelegd was geworden, genade als het enige nodige leren achten. Daarbij hadden de beproevingen en onderzoekingen die ik ontmoette, en dat in een eenzaam dorp, afgescheiden van alle gemeenschap, uitgenomen enige weinige mensen die God vreesden, deze gewaarwordingen dieper post doen vatten in mijn gemoed. Onder deze omstandigheden ging ik naar Abingdon, mijn gemis voelend en derhalve met meer vrees dan hoop, om een dienstknecht van God te beluisteren, die zo uitnemend met genade bedeeld was, en ik verwachtte eerder een afwijzing dan een toeknik, beide vanuit de preekstoel en in het gezelschap.

Naderhand kwam ik te weten, dat de waarde man, gehoord hebbende dat ik iemand was van een grote geleerdheid, bijna even bang was om de Oxfordstudent te ontmoeten, als de Oxfordstudent bang was om hem te ontmoeten. Maar hoeveel meer reden had ik om bevreesd te zijn dan hij, en hoe veel meer ook blonken zijn genadegaven uit tegenover mijn geleerdheid!

Hij ontving mij echter zeer vriendelijk en sprak aangenaam en zakelijk van de dingen van Gods Koninkrijk. Des avonds hoorde ik hem met veel troost voor mijn ziel en de volgende morgen na het ontbijt verzocht hij mij te sluiten met dankzegging. Ik voldeed hieraan met een bevend hart, doch werd geholpen in eenvoudigheid uit te drukken wat ik kende en gevoelde.

Daarna gingen wij beiden in de wagen naar Dorchester, een afstand van ongeveer zeven mijlen, welke tijd wij hoofdzakelijk doorbrachten in met elkaar te spreken, en daar namen wij zeer hartelijk afscheid.

Ik beoog niet van mijzelf te spreken, maar naderhand hoorde ik dat mijn stamelend spreken mij een blijvende plaats gegeven had in des mans hart en dat het een grondslag gelegd had, voor die vriendschap en vereniging, die sindsdien tussen ons ongeschonden bestaan heeft.

In Maart van het jaar 1835, was ik uit de drang van mijn consciëntie genoodzaakt, mij van de kerk van Engeland af te scheiden, en door een bijzondere voorzienigheid geleid, 't welk ook een kennelijk antwoord was op het gebed van een vriend, om mijnentwil, voor een korte tijd mijn tent op te slaan te Allington, nabij Devizes in Wiltshire, alwaar ik in September daaropvolgend, door Ds. Warburton werd gedoopt. Nooit zal ik vergeten de krachtige predikatie die hij die morgen deed.

Spoedig daarna ging ik naar Trowbridge om voor hem op te treden en daar vond ik een begenadigd volk, waarvan de meesten zijn geestelijke kinderen waren. Verscheidene keren predikte hij voor mij te Stamford en Oakham, nadat de Heere mij aldaar geplaatst had; en daar zijn er nog die getuigenis kunnen afleggen van de kracht en zalving waarmee hij sprak. Gedurende vele jaren ontmoetten wij gewoonlijk elkaar op het jaarfeest te Calne, een welbekende en merkwaardige bijeenkomst van de kinderen van God in het district North -Wilts. Wij hadden de gewoonte beiden aldaar te prediken en ik twijfel niet of wij ontmoetten elkander en scheidden van elkander, telkens met vernieuwde toegenegenheid.

Ik heb Ds. Gadsby even grote, misschien wel groter predikatiën horen doen, maar nooit heb ik een leraar ontmoet wiens gebed op de predikstoel, of wiens gesprek buiten de predikstoel, zo overtuigend en zo zalvend was. Inderdaad, nooit hoorde ik iemand, hetzij voor het ontbijt of voor de middagmaaltijd, om zulk een zegen vragen, zoals hij dit deed. Er was zulk een eenvoudige, zulk een eerbiedige en toch kinderlijke toenadering tot God; zulk een zalving in zijn weinige woorden, dat deze op een bijzondere wijze de maaltijd scheen te heiligen. Honderden, misschien duizenden hebben getuigenis afgelegd van de kracht en zalving die op zijn bediening rustte; maar de zegen die de Kerk van God daaruit ontvangen heeft, zal nooit ten volle bekend worden, totdat de dag daar zij waarop de verborgenheden van alle harten zullen geopenbaard worden.

Het bewijs dat alles kroont is vervat in de volgende bladzijden. Daarin zien wij de oude dienstknecht van God ondersteund in zijn krankheid, gezegend met hetgeen waarvoor hij altijd gestreden heeft, namelijk een bevindelijke godsdienst, genietende de tegenwoordigheid en de kracht van zijn God, en beweldadigd met een heerlijke en zalige uitgang.

Zoals hij geleefd heeft, is hij gestorven, de Waarheid onwrikbaar vasthoudend, nooit omgevoerd wordend met verscheidene en valse leringen of ingaande in hetgeen te hoog voor hem was. Hij speculeerde of redeneerde niet boven hetgeen hij kende en uit ervaring wist. Al meer en meer bemerkte hij in zichzelf wat hij moest verfoeien en waarvan hij walgen moest, en meer en meer zag hij in de Heere Jezus, wat hij bewonderen en beminnen moest.

Hij heeft zijn pad afgelegd, hij heeft de goede strijd gestreden, en zijn loop met blijdschap geëindigd. Hij heeft ons achtergelaten nog zuchtend en lijdend in de wildernis, echter opziende tot dezelfde God en hopend op dezelfde rijke, souvereine en overvloedige genade. Doch ik ben bezig om een voorwoord te schrijven en daarom zal ik mijn lezers niet langer afhouden van hetgeen hun kennismaking wel dubbel waardig is in vergelijking van hetgeen mijn pen zou kunnen voortbrengen.

Moge de God van alle genade, de God van de Heere Jezus Christus, met de zalving van de Heilige Geest, het getuigenis in deze bladzijden vervat, zegenen aan de harten van Zijn beminde Volk en tot openbaring van Zijn eigen heerlijkheid.

Stamford, de 5e Mei 1857.

C. PHILPOT.

Het was in Oktober 1856, dat mijn Vader ernstig ziek werd en naar ik hoorde was zijn ziekte een ernstige ongesteldheid van het hart. Kort daarop hadden zijn huisgenoten en vrienden grote vrees, of hij wel ooit weer herstellen zou. In de maand November, toen ik te Hurst de bediening waarnam, ontving ik een brief van mijn zuster, die mij meldde, dat als ik hem nog levend zien wilde, ik geen tijd verloren moest laten gaan. Natuurlijk ging ik onmiddellijk op reis en kwam nog dezelfde avond te Trowbridge aan.

De goeie man!

Toen hij mij zag werd hij bijna door zijn gemoed overweldigd en daar ik hem zeer zwak bevond te zijn, sprak ik die avond maar zeer weinig met hem. Des morgens was ik zeer begerig om de stand zijner ziel te mogen kennen en of er iets was dat hem drukte. Daarom, toen ik hem bezocht, vroeg ik hem mij te willen mededelen of er iets was, dat zwaar op zijn gemoed lag, hetzij betreffende het huisgezin, de kerk of zijn eigen persoon. Nooit zal ik vergeten de vergenoegde lach die op zijn aangezicht kwam toen hij mij antwoordde: "Mijn lief kind, als gij de wereld voor mij zette en zei dat zij geheel voor mij zou zijn als ik zeggen moest, dat iets mijn gemoed bedroeft of pijn aandoet, dan zou ik dit niet kunnen. Geloofd zij God! Ik heb een goede consciëntie voor Hem. Deze waarheden, die ik naar mijn kleine krachten gepoogd heb te prediken, ondersteunen mij nu in het gezicht en in de verwachting van de dood. O, wat zou het nu zijn, indien ik de waarheid van God had ten achter gehouden? Doch daarvoor komt mij geen dank toe. Ik ben verzocht geweest om de waarheid minder scherp voor te stellen en was besloten om geen aanstoot te geven, maar God deed haar in mijn hart branden als een vuur en ik werd genoodzaakt ze uit te dragen. O, de strikken die de mensen mij gespannen hebben! Maar geloofd zij God, Hij heeft de arme worm uit die allen verlost".

"Even voor ik ziek werd", zo ging hij voort, "wat deed de Heere mij Zijn gunst smaken. Ik mocht gaan waar ik wilde, de Heere was aldaar met mij. Ging ik in de tuin, daar was Hij; in mijn zomerhuis. Hij ging met mij in de houtschuur om hout te zagen en te hakken, Hij was ook daar met mij. Hij leidde mij terug de gehele weg die Hij mij doen gaan had, beide in de voorzienigheid en in de genade.

O, wat was mijn arme ziel verbroken onder het beschouwen van Zijn goedertierenheid. Ik zal u wat zeggen, Jan, ik kon nauwelijks rondlopen, want de toelachingen van mijn God schenen te veel te zijn voor het lichaam om te kunnen dragen.

Ten laatste zei ik tot Hem : "Lieve Heere, wat zijt Gij toch met Uw arme worm van plan?" O, ik wenste, dat Hij mij tot Zich nemen wilde".

Hij zei toen: "Maar als ik door het enkele opsteken van mijn vinger zou herstellen of ook uit het lichaam zou ontbonden worden, dan wilde ik het niet doen, als strijdend tegen de wil van God. Niet mijn wil, maar Uw wil, o Heere, geschiede!"

Toen ik op zekere morgen bij hem zat, zei hij : "Niet lang geleden dacht ik aan mijn boek. Sommige mensen hebben gezegd, dat het aan hun is gezegend geworden. Daar het veel jaren geleden was sedert ik het gelezen had, dacht ik het weer eens te lezen. Maar o Jan", zei hij, terwijl hij beide handen ophief, "mijn ziel smolt er onder weg, toen ik las van de armoede en van de nood, van de vrees en van de twijfelmoedigheid, van de ellende en van de smart, door welke Hij mij gebracht had. O, ik zat aan Zijn voeten en waste ze met tranen van dankbaarheid".

Ik maakte de opmerking hoe wonderlijk God de woorden bevestigd had met welke hij aan Trowbridge was verbonden geworden: "Blijf hier, want Ik heb veel volk in deze stad".

Op het horen van deze woorden barstte hij in tranen uit en zei:

"Och! het was de Heere, Die tot mijn ziel sprak; en ik, dwaas genoeg, wilde naar Maidstone gaan, teneinde ik alle moeiten ontgaan zou. Ik geloof, dat de Heere met mij meer dan met één Zijner kinderen geduld heeft willen oefenen. Ik hoop, Jan, als ik weg ben, dat er dan niemand over mij spreken zal. Laat mijn naam in 't stof begraven liggen, maar laat de Naam van Jezus tot in eeuwigheid verhoogd worden. Vele malen heb ik de Heere gezegd, dat als Hij Zich verwaardigde zulk een niets aan de zielen van Zijn volk te zegenen, Hij ze dan niet wilde toelaten te denken of te spreken over het instrument. Ik ben er bang voor geweest, dat de Heere niet al de eer zou gegeven worden".

Bij zekere gelegenheid merkte ik op : "Vader, het is genade, dat de duivel niet toegelaten wordt u te verzoeken en te benauwen. Het lijdt geen twijfel of hij zou dit in uw tegenwoordige zwakke toestand gaarne doen".

Hij lachte en zei : "Wel, gisteren nog dacht ik er over na en verwonderde er mij over hoe dit zo kwam. Tenslotte zei ik: "Wel, Heere, Gij weet dat hij mij nu al zestig jaren als een dwaas heb omgevoerd, laat nu dit genoeg zijn".

Spoedig daarop, toen alles stil was in de kamer, barstte hij in een luid gelach uit en riep met een zegepralende stem uit: "Hé, duivel, nu kan ik u uitlachen. O, gij vervloekte, liegende ellendeling! Gij zei mij, dat ik in wanhoop sterven zou en dat ik de grootste huichelaar was, die ooit geboren was. Ik ben geen huichelaar. Komt nu, komt nu met geheel uw helse stoet. Ik vrees u niet. In de Naam van mijn God zal ik u verhouwen".

Bij een andere gelegenheid kreeg hij een ernstige aanval van flauwte. Ik, mijn zuster en de heer F. waren toen bij hem.

Toen hij weer bijkwam, riep hij uit: "Wat zijn mijn smarten vergeleken met de Zijne! Zijn slapen werden gekroond met een doornenkroon. Hij werd gekruisigd tussen twee moordenaars; en één daarvan was de broeder van de oude Warburton, door vrije genade verlost, zonder de werken.

O, Hij riep uit: "Het is volbracht".

"Dat is de grondslag van mijn ziel en de grond van aanneming bij God".

Op zekere morgen gaf hij een korte verklaring over de woorden van David uit Ps. - 46: 10 en waarlijk, zij was mijn ziel zoet: "Zijt stil, en weet dat Ik God ben" (Eng. vert.).

"Wat een verborgenheid is hier!" zei hij. "Hoe kan het volk van God stil zijn? Want als hun arme ziel in moeite is, kunnen zij dan stil zijn? Neen, daar zal de duivel voor zorgen. O, hoe zal hij zijn pijlen van moedeloosheid in het hart afschieten en de arme ziel wijsmaken, dat zij de zwartste huichelaar is, die ooit geboren werd. Als duisterheid de geest vervult en vrees de borst, als het ongeloof verklaart, dat het nu gedaan is, terwijl het schijnt dat God Zijn oor afwendt van zijn gebeden en hem aan alle zijden afsnijdt (en o, hoe menigmaal heeft mijn arme ziel in zulke plaatsen als deze wel verkeerd), kan de arme ziel hier stil zitten? O, neen. Jacob, toen hij niets dan de dood voor zich zag, moest de gehele nacht worstelen. Geen stilzitten. Maar als de Heere verschijnt, de duisternis voor hun aangezicht tot licht maakt, het kromme tot recht en het hobbelachtige tot een vlak veld doet worden en hun toeroept: "Ik ben de Heere uw God en Ik zal u uitbrengen uit al uw ellendige verblijfplaatsen", kunnen zij dan stil zijn? O, neen. Dan moeten zij Hem loven en groot maken en de ganse dag van Zijn wonderen spreken en zij geloven geen van Zijn weldaden nooit te zullen vergeten. Maar hoe worden zij dan gezegd stil te zijn? Wel, het geheim ligt hierin. Zij moeten stil zijn en aflaten God een handje te willen helpen. Hij heeft onze hulp niet nodig en Hij wil ze niet hebben ook".

Op zekere morgen, toen ik bij hem zat, was hij bezig in zichzelf te praten. Eindelijk riep hij met tranen uit: "Deze oude Warburton, die een stank geweest is in de neusgaten van honderden, doch nooit in de neusgaten van mijn God, gaat naar zijn gezegend huis, naar zijn lieve God en Zaligmaker en dat voor eeuwig".

"Het is mij tot verbazing", merkte hij op zekere dag op, "dat ik niet meer bezorgdheid heb over de kapel. En zie eens hoe bezorgd ik te allen tijde voor de zaak geweest ben. O, wat al gebeden zijn er uit mijn hart opgegaan en hoeveel tranen zijn er mij langs de wangen gerold voor die plaats, dat God ze met voorspoed zegenen mocht, beide in geestelijke en lichamelijke dingen! En moge zij voor nog menige dierbare ziel een geboorteplaats worden. Doch nu is zij geheel van mij weggenomen. Ik kan ze allen in de hand des Heeren laten".

Ik merkte op, dat het de goedheid des Heeren over hem was, om alle bekommering uit zijn geest weg te nemen, want het zou in deze zijn zwakke toestand te veel voor hem zijn om te kunnen dragen.

Hij antwoordde: "Geloofd zij Zijn dierbare Naam! O, wat is Hij goed! Nooit in mijn gehele leven had ik zulk een inzicht in Zijn goedheid als nu. Laat mij zien waarheen ik wil, het is aan alle zijden genade en weldadigheid, zij hebben mij gevolgd al de dagen mijns levens tot op dit ogenblik toe".

Ik zei: .,En zij zullen u nooit verlaten, vader, en gij zult Hem spoedig verheerlijken als de Heere der heren". '

"O", zei hij, "wat een uitroep zal dat zijn! Somtijds", ging hij voort, "geeft de Heere mij een toeknikje, vriendelijke toelachingen en dan vraagt Hij mij met ernst: "Is er één woord gevallen van al hetgeen de Heere gesproken heeft?" Dan moet ik Zijn gezegende Majesteit verzoeken op die grond niets meer te zeggen; Hij heeft alles wel gemaakt en ik heb alles en overvloedig in Zijn goedertierenheid, getrouwheid en waarheid".

"Verscheidene jaren geleden", zei hij, "ging ik eens van Manchester naar Stand. Ik zat toen in diepe armoede en tot over de oren in de schuld. Terwijl ik voortwandelde, dacht ik er over na water wel van mij worden zou. Ik kon de mogelijkheid niet inzien, dat ik ooit met ere door de wereld zou kunnen geraken. O, wat betreurde ik mijn hard lot! Maar de Heere bracht al mijn klachten tot stilstand en stopte de mond van iedere murmurerende duivel in mijn vleselijk gemoed, door de woorden van de dichter in mijn hart te spreken:

Als door vurige beproeving uw weg gaat,
Zal Ik u met Mijn genade nabij zijn,
De vlam zal niet schaden,
'k beoog naar Mijn Raad,
Uw schuim af te zuiveren van het goud rein.
Tot in d' ouderdom zal Mijn volk ervaren
Mijn onveranderlijk' genâ, niet klein,
Als op hun hoofd gezien word' grijze haren,
Zullen z' als lamm'ren van Mij gedragen zijn.

De Heere zei mij toen: "Ik zal met u zijn, door al uw moeiten zal Ik u met ere heenhelpen. Ik zal u brengen tot een goede ouderdom; grijze haren zullen u een sierlijke kroon zijn en als een lam zult gij in Mijn boezem gedragen worden". En zie nu hoe alles uitgekomen is! Lof zij Zijn dierbare Naam".

Op zekere morgen zei hij: Jan, een zaak doet mij bezorgd zijn".

Ik vroeg, wat dit was.

"Mijn nutteloosheid", zei hij, "in de dingen van Gods Koninkrijk. Wat een nutteloos schepsel ben ik mijn gehele leven geweest".

Ik zei hem dat "God het dwaze der wereld had uitverkoren om het wijze te beschamen en het zwakke der wereld had Hij uitverkoren om het sterke te beschamen"; dat hij was een van die dwazen die God uitverkoren had. En honderden kunnen een getrouw getuigenis bijbrengen van de kracht die zijn bediening vergezeld heeft.

"Ach", zei hij, "het is Zijn werk; Hij zal werken en wie zal het keren?"

"Onlangs", zei hij, "ging mij door de gedachten of hetgeen ik gepredikt had wel de Waarheid van God was. Daarop kwam mij weer onder de aandacht: "Er zijn er geen onder des Heeren dienstknechten, die daarmede zo worden aangevallen. Zij weten dat hetgeen zij gepredikt hebben, de Waarheid van God was". Wel, dit dreef mij naar de oude plaats, de troon der Genade, de Heere smekend of Hij mij wilde tonen of er onder Zijn dienstknechten ook waren, die met dergelijke dingen verzocht zijn geworden. En o, hoe zoet sprak de Heere: "Nu Johannes in de gevangenis gehoord hebbend de werken Christi, zond twee van zijn discipelen. En zeide tot Hem: Zijt Gij degene die komen zou, of verwachten wij een andere?" Matth. 11 : 2, 3. Dus zag ik dat Johannes en ik hierin enige gelijkheid hadden.

Op 22 November kwam Ds. Tiptaft hem een bezoek brengen. De volgende bijzonderheden van dit onderhoud stelde hij ons ter hand : Ik ging uit om op Zondag 23 November voor de heer Warburton te prediken. Hij was toen zeer ziek en men verwachtte elke dag, dat het de laatste zou zijn. Ik bezocht hem des Zaterdagsavonds. Hij zat toen bij het vuur in zijn slaapkamer en scheen in een aangenamen gestalte te verkeren en nog onder invloed van de gezegende genietingen die hij de vorige nacht genoten had, en waarvan hij, voor zover zijn zwakke toestand dit veroorloofde, een beschrijving trachtte te geven. Hij zei dat zijn genietingen gedurende de nacht zoveel waren als zijn ziel maar bevatten kon en dat de woorden van David toepasselijk waren op zijn toestand: "Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende". Psalm 23:5. Hij wilde aan zijn gemoedsstemming uitdrukking geven door overluid verscheidene gedeelten van de Schrift en versjes van liederen aan te halen, ja het scheen alsof hij kracht had om te kunnen prediken, hetwelk zijn huisgenoten terwijl zij naar hem luisterden, ten zeerste verbaasde.

Op Woensdagavond daaropvolgend, ging ik nadat ik gepredikt had, hem weer bezoeken en ik vond hem in een zeer andere gemoedsgestalte. Inplaats van God te loven en te prijzen was hij nu smekend en biddend om de genietingen van Goddelijke zegeningen. Hij nam geen hoge plaats in, maar zei op eerlijke wijze: "Ik sta nu in de plaats van de arme tollenaar, smekend om genade". Het weinige dat hij bij tijden zeggen kon, werd in mijn consciëntie geopenbaard als een oprechte en eerlijke uitdrukking van wat hij doorleefde, zoals een stervende die elk uur verwacht uit dit tranendal te zullen worden weggenomen, dit doen zal.{ Hij predikte te Abingdon voor twee grote overvolle vergaderingen op een Zondag In Juni 1856; en velen werden onder zijn gehoor gezegend. En ofschoon hij dacht niet ten tweede male te zullen kunnen prediken, werd hij toch In staat gesteld dit te doen en wel een uur lang, met duidelijke stem. Hij genoot veel In zijn eigen ziel van het heerlijk Evangelie, dat met veel zalving en dauw, door velen van des Heeren volk werd aangehoord. En zulk een gezegende tijd In het beluisteren. zal niet spoedig vergeten zijn. W. T.}

In November kwam Ds. John Gadsby naar Trowbridge om hem te zien. De volgende samenspraak had plaats. Ds. Gadsby vroeg hem of hij niet bezorgd was over de kerk.

"Of ik geen bezorgdheid heb over de kerk?" zei hij. "Het gaat mij somtijds of ik nooit of in het geheel geen kerk of kapel gehad heb. Ik moet mij goed bedenken eer ik in mijn geest de weg naar de kapel vinden kan, en somtijds kan ik het brengen aan de hoek van de straat en niet verder".

En dan, het gesprek omwendend, zei hij: "O, te gedenken aan die Parklaan, bij het Duifhuis. Ik herinner mij hoe ik met die twee kinderen ging, terwijl al mijn hebben en houden was opgeschreven om te verkopen, voor mijn huishuur. En kijk nu eens naar mij! Hier lig ik, omstuwd met veren kussens. (Hij lag op een sofa, door kussens ondersteund). Ik wandelde mijn tuin hier eens rond en ik ontdekte een grote sluitmand waarin enige vruchten en andere dingen geweest waren, die een vriend mij had toegezonden, en nog een andere mand zag ik, waarin wijn geweest was. Toen ging ik in de keuken en daar was voedsel in overvloed en aan niets gebrek. En ik zei "Is dit de oude Warburton, de bedelaar? Wat! Loof de Heere!" Al de bedelaars in de stad behoorden mijn lijkbaar te volgen, want ik ben er van overtuigd, dat ik de grootste van die allen ben".

"Is het niet wonderlijk", zei hij kort daarop tot Ds. Gadsby, "dat zo'n oude knorrige dwaas als ik geweest ben zo bedaard mag nederliggen? Ik verzeker u, jongen, dat ik bijna nooit een enkele bezorgde gedachte over enig ding heb. Het is als het ware of ik somtijds geheel ongevoelig ben. Ik lig als een steen terneder en schijn om niets te geven, zonder enig gevoel van onderwerping. Dan roep ik tot de Heere : "Laat U mij nog eens ontmoeten!" Dan komt Hij, maar het overweldigt mijn zenuwen zodanig en brengt mijn hart zo van streek dat ik Hem moet verzoeken Zich weer terug te trekken. Ik kan het niet uithouden, want ik heb geen adem. Deze kortheid van adem heb ik nog niet lang. Toen het eerst optrad nam ik het niet zo erg op, en ik was besloten het te overwinnen. Ik ging dus en predikte en spande mij zo in als ik ooit van mijn leven gedaan had en toen ik klaar had gevoelde ik mij veel beter. Ik was er toen van overtuigd dat het niets te beduiden had; maar het was mijn laatste preek. De dokter zei, dat het hem verwonderde dat ik niet doodgebleven was in de predikstoel. Ik herinner mij, eens toen uw vader hier was, dat ik met hem ging naar de Heer H's. en de gehele weg wandelde hij zonder er last van te hebben, totdat wij kwamen waar de weg een beetje opliep, misschien een halve meter lengte. Toen moest hij stil staan om op adem te komen. Ik zei tot hem: "Wel man, hier is geen hoogte! Het is slechts verbeelding!" Toen kwamen wij weer op gelijke grond en hij stapte weer gewoon zoals altijd. Ik zei toen tot hem: "Het is niets dan zenuwachtigheid, dat geloof ik vast". "Neen", zei hij, "daarmee is het uit, het is niets dan zenuwachtigheid. En nu, Jan, daar gij de kwaal kent, zeg mij dan eens het geneesmiddel".

Die lieve man! Ik ben er nu achter gekomen! Wat is hij jaren achtereen kortademig geweest, terwijl dit bij mij pas begonnen is. Hoe wordt deze tabernakel", zo vervolgde hij, "geleidelijk afgebroken. Hij kan noch blijdschap noch droefheid meer verdragen".

"Wel", zei Ds. Gadsby, "de Heere geeft u juist zoveel als gij dragen kunt".

"Ja", zei hij, " 't is waar. Looft Zijn Naam".

Toen zei Ds. Gadsby: "Velen van uw vrienden weten, dat ik gekomen ben om u te zien. Wat zal ik hun zeggen?"

"Zeg hen", antwoordde hij met veel nadruk, "zeg hen dat ik mij vast grond op de verkiezende liefde van de Vader, het verzoenend bloed en de rechtvaardige gerechtigheid van de Zoon en de vertroostingen, leidingen en onderwijzingen van de H. Geest; en zeg hun, dat ofschoon ik deze zaken gedurende vijftig jaren gepredikt heb, ik ze nooit zodanig in mijn hart ondervonden heb als ik ze nu ondervind. Vaarwel!"

"Vaarwel, mijn waarde vriend", antwoordde Ds. Gadsby.

1 januari 1857. - Des avonds zei hij: "Wat een aanblik Jezus te zien". Een poosje nadien zei hij:. "Het is net als in de strijd, dan er op en dan er onder, evenals met mijn prediking. De arme moordenaar ter elfder ure; zij die de hitte en de last des daags gedragen hadden en zij die slechts een uur gearbeid hadden, ontvingen hetzelfde loon; zij kregen allen hun penning. O, de soevereiniteit van God! Ik heb de ganse dag gestreden".

Zijn dochter zei: "Ja, en gij zult ten laatste de overwinning hebben".

"Overwinning, overwinning!" zei hij; "het is door het bloed des Lams. Sommige lieden houden niet van een godsdienst als deze - waar alles gedaan en volbracht is; zij wensen er iets aan te doen; maar ik kan niets doen. Het is uit Hem en tot Hem en door Hem, Hem zij de heerlijkheid".

Een poosje naderhand zei hij : "Wel, de oude worm is op reis naar zijn heerlijk huis. Mijn Jezus, hoe lang nog? Ik ben bang de Heere te beledigen. Hij is zo goed. Ik wens meer genietingen; maar laat mij zien waarheen ik wil, de beloften omringen mij".

Des Woensdags zei hij: "Hoe vreemd schijnen mij al de verleden dingen toe, - net als een droom; maar één ding is nodig, een zien op Jezus. Dat is het. Ach! zie eens waar de Heere mij ontmoette en mij overtuigde van zonde; de plaats waar, de wijze hoe Hij mij staande hield in de zondeweg. O, wat een zondaar was ik! Hoe rechtvaardig had God mij naar de hel kunnen heenzenden. Tienduizend maal had ik dit verdiend; doch inplaats daarvan trok Hij mij op uit de diepten van schuld en droefenis, opdat ik Hem loven en prijzen zou voor de betoning van barmhartigheid aan een zo onreine. En nog ontwaar ik iets, dat mij schijnt te vragen : "Hoe weet gij het nu of dit alles waarheid is of niet?" Omdat mijn hart mij niet veroordeelt; en de Schrift zegt : Indien ons hart ons niet veroordeelt, dan hebben wij vrijmoedigheid tot God".

2 januari. - "Het wordt mij vrij duister", zei hij. Dit scheen voor enige tijd aan te houden. In de loop van de dag hoorde men hem zeggen : "O, wat vervult dit mij met verbazing, dat ik een hoopje heb om Jezus te zien. Hoe goed is dat. Loof de Heere, Hij is met mij geweest".

3 januari. - Hij zei: "O, wat een toneel om door de Jordaan te gaan! Maar loof de Heere, Hij heeft mij gezegd, dat Hij in deze diepe wateren bij mij zijn zal en dat Hij mij niet begeven noch verlaten zal. Tot hiertoe heeft Hij mij gebracht en iedere tong die tegen mij opgestaan is, heeft Hij verdoemd. Maar ik gevoel bij ogenblikken zulk een hard hart. Dit doet mij pijn". Na een weinig geslapen te hebben, zei hij : "Lieve Heere, zijt met mij, geef mij kracht en geduld Uw gezegende tijd af te wachten".

7 januari. - Gedurende enige tijd herhaalde hij : "Mijn lieve God, mijn lieve God, er is voor mij nog verdoemenis, toon het mij als het U belieft; maar geloofd zij Zijn Naam", riep hij uit, "Hij heeft mijn overtredingen uitgedelgd als een nevel. Het was voor Job, een beproevende plaats om in te zijn, toen hij zei: "Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?" Job 13 : 15.

9 januari. - Hij zei: "Hoe wonderlijk, dat God mij zo lang in het lichaam houdt!"

Op de vraag, die een van zijn dochters hem deed: "Gij wilt graag weggaan?" zei hij: "Als de Heere mij toelacht graag, maar als Hij Zich onttrekt, wenste ik hier te blijven!"

Vrijdag na de middag ging er enige tijd overheen voor hij spreken kon, hij scheen geheel ter neder gedrukt. Ten slotte zei, hij: "Wat! Hem laten varen, Die mij zestig jaren is nabij geweest? Neen, duivel, dat wil ik niet. Ik zou Hem laten varen en van mij wegwerpen als de duivel zijn zin had". Hij scheen geheel uitgeput en vroeg om enige verkwikking, er bij opmerkend : "Als dit lichaam de tempel is van de Heilige Geest, laat mij dan iets gegeven worden om het te voeden". Bij het nemen van een weinig arrowroot zei hij: "De Heere kon mij versterken met een kop koud water, als het Zijn gezegende wil was".

"O", zei hij, "de duivel zal om dit bezoek op mij brullen als het hem toegelaten wordt. De profeet Jesaja en degenen die bij hem waren, zeiden: "Wij treuren zeer gelijk de duiven en brullen gelijk de beren". En o, er is de oude mens die Jezus haat; maar Zijn Naam zij geloofd, ik heb de nieuwe mens die Hem bemint. Ja, de Naam des Heeren is een sterke toren, de rechtvaardige zal er heenlopen en in een hoog vertrek gesteld worden. Ik moet dit sterfelijk leven niet verlaten voor het Hem behaagt". Enige tijd naderhand zei hij : "O, wat heb ik een gezegende waarheden getast en genoten in verleden tijden! Het wedervoer Job net als mij toen hij zei : "Och of ik ware gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen toen God mij bewaarde. Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd; en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde". Job 29 : 2, 3. Lieve Jezus, wat hebt Gij geleden toen de vloed van toom in Uw heilige ziel werd uitgegoten. En Gij had nooit één slag verdiend. Mijn lieve Jezus, geef mij een zachtmoedige en stille geest. Gij kunt geen onrecht doen. Gij kunt niet dwalen of onvriendelijk zijn".

Zijn dokter kwam hem een bezoek brengen. Toen hij was heengegaan, zei hij : "Het is Jezus, de grote Medicijnmeester, die ik nodig heb. Hij kan genezen met één aanblik; maar hier lig ik evenals gisteren, mijn sterkte gelijk aan de dag. Maar als mijn arme ziel eens komt tot die plaats der rust die er voor de Kerk van God overblijft". -

Een van zijn dochters zei tot hem : "O, vader, dan zult gij kunnen zingen", waarop hij antwoordde: "Dat zal ik, mijn kind, al van de genade, de vrije genade, van het begin tot het einde. Wat zal daar worden uitgejubeld over vrije genade. Als het laatste vaatje der barmhartigheid in de heerlijkheid zal aangekomen zijn, dan zal de laatste hoofdsteen voortgebracht worden met toeroepingen :,Genade, genade zij dezelven".

Hij verzocht om overeind gezet te worden en met ondersteuning lichtte hij zich een weinig op. Een van zijn dochters zei: "Ik wou, dat we iets konden doen om uw benen wat gemakkelijker neer te leggen".

"Er is niets aan te doen, lieve", zei hij, "dat is opstand. O, wat is het een genade, dat ik niet word overgelaten aan een opstandige geest".

Een vriend die naar een bidstond geweest was en hem nu kwam bezoeken, zei tot hem: "Men heeft er u vanavond niet vergeten". Hierop antwoordde hij: "Ach, ik kan niet spreken over hetgeen ik gedaan heb".

Twee van de diakenen kwamen hem bezoeken. Hij sprak tot hen van de goedheid des Heeren aan zijn ziel en zei - "Ik gevoel nu meer liefde tot u, dan ik dit ontwaarde in mijn gehele leven".

"O", zei hij, "wat een vreugdekreet zal ik aanstonds slaken. Als de Heere mij kracht wilde verlenen kon ik nu prediken. Ik heb geen bezorgdheid over de wereld, niet meer dan alsof er geen wereld was. Toch heb ik niet de bovenmatige genietingen die ik wel gehad heb. Ik zie uit of er enige verdoemenis voor mij zijn kan; maar de Schrift veroordeelt mij niet en mijn consciëntie ook niet. Ik gevoel, dat er geen vonnis tegen mij is, toch heb ik meer behoefte aan des Heeren tegenwoordigheid. Mijn ziel wenst altijd Zijn gezegende wil onderworpen te zijn en nooit een hard hart of een zwervende gedachte te hebben, maar als ik alles had wat ik wenste, waar zou dan mijn verdrukking zijn?"

17 januari. - De Heere onttrok Zijn tegenwoordigheid aan hem voor een tijd. Hij was zeer rusteloos, totdat de Heere wederkeerde. Zijn gedurige uitroep was : "Mijn Jezus, mijn Jezus, wanneer zult Gij wederkomen? Sommigen behoeven U niet en wensen U niet, maar ik honger en dorst naar U. Wel, zulke zielen zullen gezegend worden. Geef mij de zegen, mijn lieve Jezus, zegen mij, zegen mij met een brokje, niemand kan vrede geven, dan Gij alleen. Och, Gij werkt als een God. Wie kan U uitvinden?"

18 Januari. - Hij was zeer ziek en genoodzaakt een kalmerend drankje te nemen. De Heere had hem zijn verzoek niet verleend. "Het is Jezus, Die ik nodig heb", riep hij uit, "kom, gezegende Jezus, kom".

Tot zijn dochter zei hij: "Ruth, wat moet ik beginnen, als de Heere niet komt?"

"Lieve vader", antwoordde zijn dochter, "de Heere zal u noch begeven noch verlaten. Zie eens, waar doorheen u de Heere geleid heeft en de grote blijdschap die gij ondervonden hebt. De Heere zal u niet doen verzinken, maar gij wenst des Heeren tegenwoordigheid met u".

"Ach, mijn kind, dat doe ik".

Zijn dochter zei: "Goed, of gij deze wel of niet gevoelt, het is in orde met u".

"Ach", zei hij, "ik wenste, dat de Heere de zaak tot klaarheid bracht; Hij maakt geen abuizen. Dierbaar Lam van God, dierbaar Lam van God! Kom, Jezus; kom, Jezus, geef mij een ander blijk van Uw liefde".

"Dat Uw bezoeken meerder zij,
Of wel van langer duur,
Verlos mij uit dit uur
Van 't ongeloof.
Wees Gij nabij,
Want 'k kan niets zonder U,
Maak haast, vertoon U nu".

Kort daarop behaagde het de Heere zijn verzoek te verlenen. Door iemand die in de kamer was werd hem gevraagd of hij iets wilde nuttigen. Hierop zei hij : "Zwijg, laat Jezus en mij alleen; de tijd der minne is gekomen. Ach", zei hij, "de duivel vertelde mij, dat Hij was weggegaan en nooit zou wederkeren. Ik heb weer een bewijs, dat hij een leugenaar is. Mijn lieve Jezus, mijn lieve Jezus, verlaat mij niet, Gij zijt mijn toevlucht, mijn schild, mijn rotssteen, mijn Zaligmaker, mijn alles in allen. O, wat een gejubel zal er weldra zijn. Lieve Jezus, geef mij sterkte en geduld om te wachten".

20 januari. - Hij had een rusteloze nacht, maar tussen vijf en zes uur des morgens behaagde het de Heere hem andermaal met een bezoek van Zijn goedertierenheid te verrassen. Zijn zoon James en zijn dochter Rachael waren toen bij hem. Plotseling riep hij uit: "Het is meer dan vijftig jaar geleden, dat ik was in de kapel van Ds. Roby, waar de Heere mij mijn zonden vergaf en Hij heeft mij door alles heen geholpen tot op dit ogenblik toe.

O, mijn lieve Jezus, dierbaar Lam Gods!

O, dat ik de kracht bezat, ik zou naar de kapel gaan en zeggen aan het volk nog eens, wat de Heere voor mij gedaan heeft. Ik zou nu kunnen prediken. Mijn Jezus heeft zulke wonderen voor mij gedaan, ik wenste dit nog wel eens aan Gods lieve kinderen te vertellen. Looft Hem, looft Hem. Hij zei mij, dat Hij mij noch begeven noch verlaten zou. Niet één woord is er gevallen. Gij beminnelijk Lam van God, neem mij tot U; neem mij tot U".

Toen zijn dochter Ruth in de kamer kwam, vroeg zij hoe het met hem ging.

"Ach", zei hij, "ik dacht, dat ik tegen vijf uur heenging".

"Wat", zei zij, "en gij waart er zo erg aan toe?"

"Neen", zei hij, "ik was veel beter, ik kon u allen verlaten".

"Ik geloof dat gij, dit kon; gij wenste met uw lieve Jezus te zijn".

"Dat is zo", zei hij, "maar ik moet Zijn tijd afwachten".

Des avonds kwamen twee van de diakenen hem bezoeken.

"Wel", zei hij, "hier lig ik nu, zoals ik altijd ervaren heb, dan er op, dan er onder. Verleden nacht", zo ging hij voort, "dacht ik dat ik naar huis ging, maar voor ik dit poogde vast te stellen, dacht ik, dat er een andere sombere nacht op volgen zou. Kort daarop leidde de Heere mij om op Hem te zien. Wat een droeve nachten heeft Hij doorgemaakt in Zijn omwandeling op aarde en begeven en verlaten door allen! Maar Zijn grootste smart was de verbergingen van Zijns Vaders aangezicht. O, wat waren Zijn gewaarwordingen toen Hij uitriep: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Hij gaf mij een toeknikje van Zijn aangezicht in dat zoete Evangeliegezicht. Ik zag de doornen die Zijn beminnelijke slapen doorboorden. O, wat was ik beschaamd. Ik wist niet waar ik mijn schaamrood aangezicht verbergen zou. Ach, wat was mijn droeve nacht in vergelijking met die van Hem! Wat ik ontmoette, had ik zo overvloedig verdiend; maar de Zoon van God deed geen zonde en toch welke folteringen stond Hij uit, terwijl niet één murmurerend woord van Zijn dierbare lippen gehoord werd. O, wat een liefde gevoelde ik tot de Zoon Gods. Ik rouwklaagde over Hem met een goddelijke droefheid. Ik had behoefte naar de kapel op te gaan; want ik gevoelde, dat ik kon prediken; ja, ik had er behoefte aan de waarde zielen nog eens mede te delen, wat de Heere voor mij gedaan had en nog voor mij deed. Maar toen ik mij ging verroeren, bevond ik dat mijn lichaam zwak was en niet gelijk was aan mijn geest".

Daar hij door het spreken zich afgemat gevoelde, zei hij tot de diakenen: "Nu moet gij gaan; mijn hoofd is zo zwak. Ik zal dit gewaar worden nadat gij zult weggegaan zijn".

Toen zij weg waren zei hij : "Nu zullen ze weer een van de preken van de oude Jan hebben om over te praten. Wel", ging hij voort, "ik heb niets anders nu om over te praten. Het is al dezelfde Jezus, van het begin tot het einde".

Zijn dochter Ruth zei tot hem "Neen, gij hebt geen behoefte dan aan Jezus".

"Neen, aan niets anders en zo is het met al de kinderen van God, niets anders kan hun voldoen. Zij hebben er behoefte aan, dat oude dingen worden nieuw gemaakt en zij zijn altijd nieuw als Jezus ze toebrengt".

21 januari. - Hij had een betere nacht. Nu en dan scheen hij te zeggen : "Lieve Jezus, geef mij kracht en onderwerping om Uw tijd te verbeiden. Lieve Heere, dank zij Uw Naam, Gij hebt de duivel gebonden met: "Tot hiertoe en niet verder". O, hij komt somtijds met zulk een sluwheid en zou als hij kon mij bij U vandaan halen".

Des avonds kwam mejuffrouw H., een van zijn dochters hem bezoeken en zat enige tijd bij hem. Toen zijn dochter Ruth in de kamer kwam, zei juffrouw H. : "Vader heeft mij gezegd, dat onlangs op een morgen, hij dacht dat hij zou kunnen prediken en zonder twijfel kon hij dit ook, naar zijn gevoel te oordelen".

"Ach", zei hij, Jezus heeft gedurende zo vele jaren zo veel voor mij gedaan en somtijds heb ik zulke overweldigende bewijzen Zijner liefde gevoeld, dat ik voor enige ogenblikken nauwelijks geweten heb, of ik in of buiten het lichaam geweest ben".

Daarop zei een van zijn dochters : "Gij zijt hoogst beweldadigd geweest in uw verdrukking".

"Ach", zei hij, "ik weet het, als Hij mij toont wat Hij voor mij gedaan heeft; maar zonder Hem kunnen wij niets en niets is niemendal. Ik kan niet denken of spreken zonder Hem. O, wat een licht en kracht heb ik gedurende jaren uit die tekst getrokken : "Zo zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich hierin, dat hij verstaat en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op aarde, want in die dingen heb ik lust, spreekt de Heere". Jeremia 9 - 23, 24.

De Heere onttrok Zich weer voor een korte tijd en voortdurend riep hij uit: "Mijn lieve Jezus, waarheen kan ik zien dan naar U, tot wie kan ik gaan dan tot U? Gij zijt de fontein om in gewassen en gereinigd te worden van alle schuld".

23 januari. - Daar hij na drie uur niet geslapen had, scheen hij heel afgemat.

Zijn dochter zei tot hem: "Vader, ik wenste dat gij niet zo ontmoedigd waart".

Hij antwoordde: "Ik kan er niets aan doen, mijn kind, ik heb Jezus nodig. Als Hij weg is, is alles weg. Ik dacht, dat Hij aan de deur stond, maar voor ik de deur kon opendoen, was mijn Liefste geweken. Ik geloof", voegde hij er aan toe, "dat ik het vreemdste schepsel in de wereld ben; ik ben zo dikwijls op en neer. Maar, loof de Heere, somtijds geeft Hij mij een gezicht van Zijn heerlijke persoon en vervult mij met zulke genietingen, dat ik genoodzaakt ben Hem te verzoeken Zijn hand wat in te houden. Het is zo heerlijk, te veel voor dit zondig lichaam om te dragen. Dan wenste ik, dat Hij de kruik wilde breken en mijn ziel tot Zich nemen, waar ik Hem prijzen zal naar hartelust. Daar zal geen vlees en bloed zijn dat beeft op het heerlijk gezicht. O, wat zal er een uitroep en een gejubel zijn als de oude Jan de hemel binnengaat, een die de hel wel duizendmaal verdiend heeft; de grootste schuldenaar aan genade en de ellendigste zondaar die er ooit was.

Looft Hem, looft Hem! "Hij is opgevaren in de hoogte, Hij heeft gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja ook onder de wederhorigen". O, wat een wederspannige goddeloze ben ik geweest! Evenwel word ik door Zijn eeuwige armen ondersteund. O, wat zou Petrus hebben moeten aanvangen zonder deze armen, als hij vloekte en zwoer, dat hij de Mens nooit gekend had? Ook Maria Magdalena, uit wie zeven duivelen waren uitgeworpen! De hel moest haar deel zijn, hadden deze armen ze niet opgevangen. Job zei: "Och, of mijn begeerte kwam en dat God mijn verwachting gave. En dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand mij los liet en een einde met mij maakte". O, de twijfelmoedigheid waarin sommigen van Gods huisgezin worden toegelaten te komen en welk een liefde en medelijden in Jezus om voor hen te bidden! Lieve Jezus, geef mij arme, hulpeloze, zondige worm wijsheid, sterkte en geduld. Verlaat mij niet één ogenblik, want Gij weet, dat ik zonder U niets kan doen.

24 januari. - Hij had een zeer slechte nacht en de Heere bracht hem de gehele nacht geen bezoek. Des morgens zei hij tot een van zijn dochters die bij hem zat : "Ik dacht, dat mijn lieve Jezus verleden nacht zou gekomen zijn. O, als een duif treur ik om Hem, als Hij is weggegaan. Sion zei, de Heere heeft mij verlaten. Ach, wat kunnen wij doen zonder Jezus? Dit gedicht vat mijn toestand wel.

"Maar als Hij deez' bezoeken staakt,
Schoon niet geheel ontbloot,
'k Verkeer toch in de nood,
Mijn vriend is 't die mij vrolijk maakt,
En Zijn' afwezigheid
Is mijne zielsdroefheid.

Dan keer 'k in mijn gevangenis,
Alwaar 'k beween mijn staat,
Daar Hij zich niet uitlaat;
'k Ben moe, 'k bezwijk van droefenis,
Mijn zielsonvruchtbaarheid
Is Zijn' afwezigheid.

Dat Uw' bezoeken meerder zij,
Of wel van langer duur,
Verlos mij uit dit uur,
Van t' ongeloof. Wees Gij nabij;
Want 'k kan niets zonder U,
Maak haast, vertoon U nu".

"Wel", zei zijn dochter tot hem, "gij hebt geen werkelijke reden om te treuren; gij zult Hem weldra zien en Hem voor eeuwig prijzen".

"Ja", zei hij, "Hij is rondom Zijn volk als een vurige muur en de heerlijkheid in het midden daarvan. Hij houdt elk ogenblik de wacht over hen, opdat hun niets schade. Hij is een God Die niet dwalen kan; Hij heeft het recht met mij te doen zoals het Hem behaagt, hetzij in mij Zijn aangezicht te doen zien of in mij op te sluiten. Ik kan tegen Hem niet zeggen: "Wat doet Gij? Zal de Rechter der ganse aarde geen recht doen?"

25 januari. - Hij had gedurende bijna een maand lang niet in bed kunnen liggen, doch zat voortdurend op de sofa, ondersteund door kussens. Het gevolg hiervan was, dat somtijds zijn rug erg pijnlijk was. Des nachts zei hij: "Ik dacht, dat ik de dag van gisteren niet overleefd zou hebben, maar ik ben nog hier".

Hij kon de slaap niet vatten na één uur. Hij bleef aan het praten, maar niemand kon verstaan wat hij zei.

Eindelijk zei een van zijn dochters : "Vader, gij gevoelt u niet zeer getroost".

"Mijn lief kind", zei hij, "ik wens heen te gaan, ik wenste dat ik weg was. O, wanneer zal ik Hem prijzen? Wanneer zal ik Hem prijzen? Mijn lieve Jezus, kom! Kom, mijn lieve Jezus! Ik wens, ik verlang bij U te zijn! Geef mij sterkte en geduld, Gij beminnelijk Lam van God! Wanneer, wanneer zal ik U loven?"

Zo ging hij enige tijd voort, in het zoete genot van de tegenwoordigheid des Heeren. Eindelijk onttrok de Heere Zich van hem.

Des nachts zei hij : "Mijn wegen zijn niet des Heeren wegen. Laat mij zien waarheen ik wil, de beloften liggen er; maar hoe komt het, dat de Heere mij op zulk een afstand houdt?"

"Wel, vader", zei een van zijn dochters, "uw zwakke lichaam kan niet veel dragen van des Heeren tegenwoordigheid".

Hij antwoordde: "O, mijn kind, ik zou het graag beproeven".

Zijn dochter zei : "Het is niet lang geleden, dat de Heere u met zulk een bezoek begunstigd heeft, gij wenste toen naar de kapel te gaan en het volk te vertellen wat de Heere voor u gedaan had en toen was uw zwakke lichaam geheel overmand".

"O", zei hij, "alle vlees is als gras en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem des velds. Het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen. Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid".

26 januari. - Geen verandering was er de gehele dag merkbaar. Hij verwachtte weer een beproevende nacht, maar de Heere begunstigde hem daarin met vele bezoeken. Eens riep hij uit: "Kom, Jezus, doe de deur open en neem mij tot U; Gij opent en niemand kan sluiten. O, geef mij geduld. Kom, mijn Jezus!"

27 januari. - De familie dacht, dat hij de dag niet zou ten einde gebracht hebben en de daarop volgende nacht was hij zeer ziek. Als hij spreken kon, was het over Jezus, Die hij wilde grootmaken. Hij zei : "Gij zijt mij een sterke steenrots om geduriglijk daarin te gaan"

Hij was op de 28ste zo zwak, dat zij die bij hem waren hun oor dicht aan zijn mond houden moesten, om te kunnen onderscheiden wat hij zei. Kort daarop viel hij in slaap. Toen hij ontwaakte, zei hij: "Lieve Immanuel, Overste van onze zaligheid, alles is volbracht; alles is klaar, gezegend Lam Gods".

"Ach, Heere", zei hij, laat de duivel niet toe mij te plagen. Hij wil mij ontroven, wees met mij, Gij kent mijn hart; Gij weet alle dingen; Gij weet, dat ik U wens te verheerlijken. Hoe goed is het zich op Hem te beroepen! Hij heeft gezegd: "Kom laat ons tezamen richten. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Looft Hem! Hij geeft schoonheid voor as, vreugde -olie voor treurigheid. Ik heb en ben niets dan as; en ik kir als een duif als de Heere mij maar één ogenblik verlaat. O, gij beminnenswaardig Lam van God! Welke beloften omringen mij!"

In zijn slaap zei hij soms: "Kom, lieve Jezus. kom meer nabij, ik heb Uw persoon nodig; o, ik wens bij U te zijn!"

29 januari. - Er begon uit een zijner benen water te sijpelen. Hij was toen inderdaad zeer ziek en zwak en nu en dan werd hij door zijn zwakheid overmand.

"Och Heere", zei hij, "bewaar mij bij mijn verstand. Ik hang aan U als een vat aan een nagel. Welk een God zijt Gij! Gij hebt maat te spreken en het is er. Tot die wederspannige, Saulus van Tarsen, zeide Gij slechts : "Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?"Gij bracht hem in één ogenblik omlaag, zodat hij zeggen moest "Wie zijt Gij, Heere?"

"Ik ben Jezus, die gij vervolgt". O, dit maakte er een eind bij hem aan om des duivels werk te doen. Toen moest hij Uw gezegend werk gaan doen.

En waar was ik toen Gij mij deed stilstaan? Wel, op de weg naar Bolton, besloten mijn genoegen te nemen van de zonde. O, ik dacht elk ogenblik in de hel te zullen hebben nedergeploft. Ach, wat Hij doet, is een Godsdaad. Tot enige van Zijn discipelen zei Hij slechts twee woorden: "Volg Mij", en zij alles verlaten hebbende, zijn Hem gevolgd. Welk een almachtige kracht!"

30 januari. - Hij was buitengewoon zwak; zijn been droeg zeer erg en de gehele nacht kreeg hij weinig slaap.

Hij barstte uit: "O, Jezus, wanneer zal ik bij U zijn? Kom, mijn Heere, kom; ik heb er behoefte aan U te zien en U te kronen".

Toen men hem verzocht een weinig water en wijn te nemen, zei hij : "Het is teveel voor zo'n snode als ik ben. O, wat heb ik mijn lieve God wel onteerd! En toch, zie de weldadigheden waarmede ik omringd ben en hetgeen Hij zovele jaren voor mij heeft willen doen".

31 januari. - Des morgens vroeg riep hij in verrukking uit -"Jezus, Jezus, is het nu? Maar stil", zei hij, "mijn God bemint de oprechtheid. Het is zeven en veertig jaar geleden dat Hij mij zei : "Ik zal u niet begeven noch verlaten, tot in eeuwigheid". Immanuël, Immanuël, Gij Lam Gods die voor mij stierf. Gij hebt mijn zonden weggenomen. O, wat een liefde! wat een liefde! O, mijn lieve kinderen, ik hoop dat gij mij volgen zult. Hoedt u van de wereld en die hatelijke zondehoogmoed. Als gij haar hatelijkheid zien wilt, sla dan een blik in de hof van Gethsemané, op de Zoon van God:

Want zou hoogmoed het wagen
Daar binnen te gaan,
't Zou ras versmoord zijn in bloed.

Ik heb die hatelijke zonde in mijn hart, maar zij kan slechts wat rondkruipen, zij kan niet regeren. O, mijn lieve kinderen, als gij in moeiten geraakt, hetzij naar de ziel of in de voorzienigheid, gaat naar God en vertrouwt niet op een vleselijke arm. O, dat kleed der gerechtigheid bedekt mij. Immanuël! Overwinning, overwinning! O, ik ben niet bang van de dood! Dood, dood, gij hebt voor mij geen prikkel. Neen. Mijn Jezus heeft die vernietigd toen Hij uitriep: "Het is volbracht!" O, looft Hem! Vermits de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengenen die het geweld des doods had, dat is de duivel".

"O", zei hij, "ik geloof dat de deuren der eeuwigheid opengaan. O, de hemelse heirscharen, de hemelse heirscharen".

Op dit ogenblik kwam mijn moeder in de kamer.

Toen hij haar zag, hief hij beide handen op, en riep uit: "Hier zijn twee opstandelingen, door genade verlost! Enkel door genadel Wij hebben te zamen vele beproevingen doorleefd! Wij hebben met elkaar meer dan zestig jaren verkeerd, maar het zal niet lang duren voor wij elkander weer ontmoeten zullen. Welk een eeuwigheid zullen wij dan tezamen doorbrengen, maar het is te hoog aan de eeuwigheid te gedenken. Jezus, Jezus, Jezus, wanneer zal ik bij U zijn?"

Deze zielsverrukking overweldigde geheel zijn zwak lichaamsgestel.

"O", zei hij, "wat ben ik zwak naar het lichaam!"

Een poosje naderhand viel hij in slaap. Toen hij ontwaakte zei hij: "Twee maanden geleden zei de Heere mij, dat het door vuur en water naar het einde ging, dan zou de hemel zich ontsluiten en mijn verloste ziel zou er in gaan. Nu heb ik een gewaarwording alsof ik iets wachtende ben".

Des avonds zat zijn dochter Ruth bij hem.

"O", zei hij, "wat heb ik de Heere onteerd! Wat was ik een veertig jaar geleden bezorgd om een groot man, een groot prediker te zijn. Ik was misnoegd op de Heere, bij tijden zeer misnoegd, omdat Hij mij de gaven en bekwaamheden niet wilde geven die ik wel wenste. O, er is geen sterveling die de Heere zo onteerd heeft als ik".

Een poosje daarna keek hij rondom zich en zei : "Ik heb er maar weinig gedachten over gehad, dat ik te eniger tijd maar juist de oppervlakte van mijn lengte maal mijn breedte voor mijn rustplaats zou nodig hebben".

Hij werd toen op de sofa gelegd, want op bed had hij al geen weken geweest.

"Toen ik ziek werd", zei hij, "waren deze woorden mij zeer dierbaar en ik mag wel zeggen, zij zijn dat menig keer geweest als ik in ongelegenheid verkeerde: "Laat af en weet dat Ik God ben".

"Wel", zo ging hij voort, "de Schrift zegt, dat als twee van ulieden zullen tezamen stemmen op aarde over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat het hun zal gegeven worden van mijn Vader, Die in de hemelen is. Kom, ik geloof dat er vandaag wel twee of drie geweest zijn die gesmeekt hebben, dat mijn einde vrede zou mogen zijn. Looft de Heere, Hij kon geen onrecht doen. Door welk een wonderlijke weg heeft de Heere mij gebracht! Ik dacht er vandaag over na en verwonderde mij er over of er wel iemand zo geleid was geworden als de Heere mij gedaan heeft. Men zegt : "Indien iemands wegen de Heere behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen". Mijn wegen behagen de Heere en toch heb ik allerlei soort van verdorvenheid in mijn hart en ik gevoel het bij de ogenblikken die allen zijn tot oneer van God".

Door enigen die in de kamer waren, werd tot hem gezegd: "Gij zijt niet ongelijk aan Paulus. Het kwaad dat gij niet wilt, dat doet gij"

"Ik kan zeggen", antwoordde hij, "er zijn twee partijen in mijn hart; een die de duivel dient en de andere die zelfs een omzwervende gedachte haat".

De gehele dag was hij zeer zwak en had ook een slapeloze nacht

3 Februari. - "O", zei hij, "Mijn Heere is weg! Wat zal ik beginnen? Hij beloofde bij mij te zullen zijn".

Men zei hem, dat de beloften nimmer feilen zouden.

"Ik weet het", zei hij, "maar ik heb de kracht daarvan bij de gedurigheid nodig te gevoelen. O, het vervloekte ongeloof! Waarom zou ik de Heere voorschrijven? Hij is een Souverein, en Hij heeft het recht met mij te doen, zoals het Hem behaagt".

Een poosje naderhand zei hij : "De arme Jan H. zal wel teleurgesteld zijn".

Men vroeg hem, wat hij meende.

"Wel, als hij in de hemel komt en ik kom daar, wie zal dan wel het luidste uitgalmen?"

Men maakte hem de opmerking, dat des Heeren volk over deze zaak allen eenstemmig oordeelden.

"Wel", zei hij, "die stem komt andermaal: "Laat af en weet dat Ik God ben".

"Somtijds", zo ging hij voort, "denk ik dat ik mis ben, omdat ik geen vrees voor de dood heb. Ik geloof dat ik er meer vrees voor behoorde te hebben; maar ik kan niet vrezen".

8 Februari. - Toen zijn dochter Ruth in zijn kamer kwam en hem vroeg hoe 't met hem ging, antwoordde hij: "Zoals hetzelfde".

Enige tijd daarna zei hij : "Verleden nacht had ik een verdrietige nacht. Ik hoop dat de Heere mijn gevangenschap wenden zal. Mij wedervoer gelijk David toen hij zei: "Wendt U van mij af (Verschoon mij - Eng. vert.) dat ik mij verkwikke eer dat ik henenga en ik niet meer zij".

"Wel, vader", zei een van zijn kinderen, "gij zegt dat gij in de donkerheid verkeert en toch zegt gij dat gij nooit zonder hoop zijt".

"Neen, mijn kind, ik kan zeggen dat ik niet zo laag ben nedergezonken dat ik geen hoop heb en ik heb de beloften die mij omringen; maar als Jezus is weggegaan dan ben ik besloten en ik kan niet rusten totdat ik Hem gevonden heb".

Deze woorden kwamen zeer zoet en dierbaar in mijn gemoed. "Uw tijd is altijd bereid". Al hetgeen waar ik nu naar schijn te verlangen is dat Hij mij sterken wil om enige vrienden te ontmoeten en met hen te spreken; dan mij een gezicht te geven van Zijn heerlijkheid, opdat mijn ziel moge vervuld zijn van Zijn liefde: dan dat Hij de hemelen moge openen en mij thuis brengen.

Hij bleef nu in een kalme en bedaarde gestalte gedurende enige tijd.

In Februari kwam Ds. Gorton, die toen te Trowbridge de dienst waarnam, hem bezoeken. Ds. Gorton beschrijft het onderhoud dat hij met hem had als volgt: "Zeven weken voor zijn dood, op de 9e Februari, vond ik hem in een zeer zwakke toestand, toen ik zijn kamer binnentrad. Ik geloofde toen ook dat zijn einde nabij was, maar toch niet zo nabij, als sommigen wel verwachtten. Ik vroeg hem, hoe het ging.

Hij vatte mijn hand en zei : "Zeer zwak, zeer zwak".

"Wel", zei ik, "de Heere is algenoegzaam".

Hij antwoordde: "Hij is zeer goed voor mij; maar ik kan niet veel spreken".

"Neen", dacht ik, "maar gij kunt denken en tot de Heere spreken"; en deze woorden kwamen in mijn gemoed: "Zij zullen aan Zijn Naam gedenken. Zij zullen Mijne zijn als Ik Mijn kleinodiën zal opmaken". En ik was er van overtuigd, dat er één van Zijn kleinoden voor mijn aangezicht was, die tot in eeuwigheid met Zijn Heere schitteren zou in de heerlijkheid.

Hij sprak weer tot mij en zei : "Ik ben zeer ondersteund geworden in mijn smarten en bij tijden heb ik veel mogen genieten. Maar ik begeer meer van des Heeren tegenwoordigheid; maar daar! Ik kan niet spreken". En zijn hoofd zakte neder.

Toen zei ik: "De Heere, Die zoveel jaren uw hulp geweest is, zal Zijn beloften vervullen en doen ondervinden in uw ziel en zal u nooit verlaten".

Toen hief hij zijn hoofd op en zag mij strak aan (die blik zal ik nooit vergeten) en zei : "Gorton, acht gij het mogelijk, dat een ziel de beloften kan hebben en de zoetigheid daarvan smaken, en dat zij toch nog zouden kunnen buiten het Verbond?"

Ik antwoordde: "Neen, nooit, Heer Warburton! Als een ziel de beloften heeft en de zoetigheid van de beloften, zo een ziel moet betrokken zijn in het Verbond, dat in alle dingen wel geordineerd en bewaard is".

Toen zei hij : "Wel heb ik de beloften en heb ze zoet bevonden en zij hebben mij ondersteund. Ik kan niet spreken, dus moet ik u vaarwel zeggen en zegene u de Heere!"

Ik antwoordde: "Nu, Hem nu die machtig is van struikelen te bewaren, stelle u onberispelijk voor de tegenwoordigheid van Zijn heerlijkheid met blijdschap. Amen. Vaarwel!"

En ik verliet hem, om hem in dit zondig vlees nooit weer te zien.

10 Februari. - Ds. Gadsby was weer in Trowbridge en vergezeld van Mevrouw Gadsby. Hij wenste hem nog eens te zien, maar mijn zuster vertelde hem, dat de dokters orders gegeven hadden om niemand bij hem toe te laten. Toen hij echter te weten kwam dat Ds. Gadsby in huis was, wilde hij dat hij boven kwam. Ds. Gadsby bevond dat hij in zijn lichaam sterk achteruit gegaan was, en dat het klaarblijkelijk al minder werd met hem.

Hij vroeg hem, hoe het hem naar de ziel ging, want hij wenste hem niet lastig te vallen over tijdelijke aangelegenheden.

"Ik heb geen bijzondere blijdschap", antwoordde hij, "maar ik ben juist op de plek waar ik al gedurende vele jaren geweest ben, jongen - rustend op Gods vrije souvereine genade en barmhartigheid".

Op de 13e bezochten Ds. Gadsby en Mevrouw Gadsby weer het huis om afscheid van de familie te nemen. Voor het echter daartoe kwam liet de oude man door mijn zuster zeggen dat hij ze nog eens wenste te zien. Zij gingen dus naar boven. Het onderhoud was kort, en het was het laatste wat ze tezamen hadden.

Van deze tijd af tot het begin van Maart viel er niets bijzonders voor, maar toen kreeg hij weer een ernstige aanval van ongesteldheid. De geneesheer zei dat hij deze niet lang overleven zou. Van die tijd af scheen hij van tijd tot tijd nauwelijks bewustheid te hebben, uitgenomen in godsdienstzaken; want in alle zielsaangelegenheden was hij volkomen helder tot op zijn einde toe.

Op Zondag voor zijn dood kwam er een brief van zijn vriend. Toen de inhoud daarvan hem bekend werd gemaakt, barstte hij in tranen uit en zei : "Het is mijn wens geweest nog eens rond te gaan om mijn oude vrienden te zien, en hun nog eens te vertellen hoe goed de Heere is, en hoe dierbaar Hij mijn ziel is".

Gedurende die gehele dag scheen het degenen die hem omringden toe, alsof hij de zoetste vereniging met de Heere genoot. Des avonds zei hij tegen zijn vrienden welk een gemakkelijke dag hij had doorgebracht èn naar het lichaam èn naar de ziel. Een aangename lach was op zijn gezicht. In deze gelukkige toestand bleef hij tot Woensdag, toen greep een zichtbare verandering in zijn lichaam plaats" dat op het ergste duidde.

Donderdag 2. April. - Al zijn kinderen die in de stad woonden waren aan zijn bed ontboden.

Een van zijn dochters zei tot hem : "Vader, gij bevindt Christus dierbaar, en wenst Hem in de heerlijkheid te prijzen?"

Hij hief beide handen op en wees met zijn vinger. En met gevestigde ogen alsof hij op een verrukkelijk voorwerp staarde, riep hij, volkomen verstaanbaar en als met een bijzondere nadruk uit : "Mijn ziel kan het niet al bevatten; mijn ziel kan het niet al bevatten. Ik zal daar niet gemist worden; ik zal daar niet gemist worden!"

Tussen vier en vijf uur des namiddags, werd het moeilijk om te verstaan wat hij zei, maar aan allen die hem omringden scheen het toe, dat hij de voorsmaken van de hemel genoot. Zijn lippen bewogen zich voortdurend alsof hij tot zichzelf sprak en telkens hief hij beide handen op alsof hij de zoetste gemeenschap met zijn God genoot.

Niet lang voor hij stierf, scheen hij bezorgd te zijn om iets te zeggen. Een van zijn dochters luisterde met het oor aan zijn mond en hoorde hem zeggen: "Pen, inkt".

Waarop zij antwoordde: "Wenst gij te schrijven, vader?"

Hij zei: "ja"!

Pen, inkt en papier werden toen bij hem gebracht. Hij nam de pen in de hand en hield ze op zulk een wijze vast, dat het al zijn kinderen die aanwezig waren, verbaasde. Hij trachtte een teken te maken, doch kon niet. Toen keek hij zeer ernstig naar zijn dochter en zei: "Gij kunt schrijven".

Zij vroeg: "Vader, wat moet ik schrijven?"

Hij zei wat, maar niemand kon er iets van verstaan.

Toen zei zijn dochter: "Is het iets omtrent de kerk, wat gij wilt dat wij weten?"

Hij schudde het hoofd en zei met krachtige stem: "Neen".

Een andere van zijn dochters zei: "Is het iets ten opzichte van het huisgezin?"

Evenals tevoren antwoordde hij : "Neen".

"Is het om ons mede te delen hoe goed de Heere voor u is in uw laatste ogenblikken?"

Hij hief beide handen op en bewoog ze met een bijzonder genoegen, zeggende: "Ja, ja".

Uit de uitdrukking van zijn gelaat was het merkbaar, dat hij zag dat degenen die rondom hem waren, hem niet schenen te begrijpen. Met grote inspanning hief hij beide handen omhoog, met zijn vinger wijzend en zich moeite gevend om uit te spreken.

Ten laatste zei hij: "Hal Hal". Toen volgde met een krachtige stem, zonder enige belemmering : "Halleluja!" en onmiddellijk daarna blies hij de adem uit, om kwart over zeven des namiddags.

"Let op de vromen en ziet naar de oprechten; want het einde van die man zal vrede zijn". Psalm 37 : 37.

Southill, Beds, 23 April 1857 - JOHN WARBURTON.